ECLI:NL:RBDHA:2026:4868
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vaststelling proceskostenvergoeding bij telefonische hoorzitting in WOZ-bezwaarprocedure
Eiser maakte bezwaar tegen de vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning en de daarbij behorende aanslag. Tijdens de bezwaarfase vond een telefonische hoorzitting plaats waarbij 18 bezwaren van dezelfde gemachtigde werden behandeld. Verweerder kende een proceskostenvergoeding toe van 1 punt voor het indienen van het bezwaar en 0,5 punt voor de hoorzitting, maar eiser betwistte de toekenning van die 0,5 punt zonder nadere motivering.
De rechtbank oordeelt dat verweerder niet heeft voldaan aan de motiveringsplicht zoals vereist in artikel 3:46 Awb Pro, omdat hij niet heeft toegelicht waarom hij afwijkt van de forfaitaire regeling van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Het enkele verwijzen naar jurisprudentie is onvoldoende. De rechtbank verklaart het beroep gegrond en vernietigt het deel van de uitspraak op bezwaar dat betrekking heeft op de proceskostenvergoeding voor de hoorzitting.
De rechtbank stelt de proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase vast op 1 punt, wat neerkomt op € 80,88. Daarnaast wordt rekening gehouden met samenhangende zaken en de wettelijke vermenigvuldigingsfactor voor de beroepsfase. Verweerder wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en het betaalde griffierecht. De uitspraak is gedaan door rechter B. Sahebali op 27 januari 2026.
Uitkomst: De rechtbank vernietigt het deel van de uitspraak op bezwaar over de proceskostenvergoeding voor de hoorzitting en stelt de vergoeding vast op 1 punt, met een aangepaste proceskostenvergoeding en veroordeling van verweerder tot betaling van kosten en griffierecht.