ECLI:NL:RBDHA:2026:4867
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep gegrond wegens onvoldoende motivering proceskostenvergoeding bezwaarfase WOZ-zaak
In deze bestuursrechtelijke zaak staat centraal of verweerder terecht 0,5 punt heeft toegekend voor de telefonische hoorzitting bij de proceskostenvergoeding in de bezwaarfase van een WOZ-waarde bezwaar. De waarde van de woning zelf is niet in geschil. Verweerder had het bezwaar gegrond verklaard en een proceskostenvergoeding toegekend, waarbij 0,5 punt werd toegekend voor de hoorzitting.
Eiser betoogde dat verweerder niet had gemotiveerd dat sprake was van bijzondere omstandigheden die afwijking van de forfaitaire regeling rechtvaardigen, zoals vereist in artikel 2 lid 3 van Pro het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Verweerder verwees naar jurisprudentie ter onderbouwing, maar gaf geen concrete uitleg in de uitspraak op bezwaar.
De rechtbank oordeelde dat de bewijslast bij verweerder ligt en dat het enkel verwijzen naar jurisprudentie onvoldoende is als motivering. Dit vormt een motiveringsgebrek in strijd met artikel 3:46 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Daarom werd het beroep gegrond verklaard, het bestreden deel van de uitspraak op bezwaar vernietigd en de proceskostenvergoeding voor de hoorzitting vastgesteld op 1 punt conform de forfaitaire regeling. Tevens werd verweerder veroordeeld in de proceskosten en het griffierecht aan eiser vergoed.
De uitspraak benadrukt het belang van een deugdelijke motivering bij afwijking van forfaitaire proceskostenvergoedingen en bevestigt dat matiging alleen terughoudend en goed onderbouwd mag plaatsvinden.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en de proceskostenvergoeding voor de hoorzitting wordt vastgesteld op 1 punt met vergoeding van proceskosten en griffierecht aan eiser.