ECLI:NL:RBDHA:2026:4857
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vaststelling proceskostenvergoeding bij telefonische hoorzitting in WOZ-zaak
In deze bestuursrechtelijke zaak staat de vraag centraal of verweerder terecht 0,5 punt heeft toegekend voor een telefonische hoorzitting in de bezwaarfase van een WOZ-zaak. Eiser betoogt dat verweerder niet heeft aangetoond dat sprake is van bijzondere omstandigheden die een afwijking van de forfaitaire regeling rechtvaardigen.
Verweerder verwees ter onderbouwing naar jurisprudentie en stelde dat de matiging terecht was vanwege de minimale inzet van de gemachtigde en de duur van de hoorzitting. De rechtbank stelt vast dat de bewijslast voor bijzondere omstandigheden bij verweerder ligt en dat verweerder in de uitspraak op bezwaar geen voldoende motivering heeft gegeven voor de afwijking van de forfaitaire regeling.
De rechtbank oordeelt dat het enkel verwijzen naar jurisprudentie onvoldoende is en dat dit een motiveringsgebrek vormt, in strijd met artikel 3:46 Awb Pro. Daarom wordt het beroep gegrond verklaard en wordt de proceskostenvergoeding voor de hoorzitting vastgesteld op 1 punt volgens de standaardregeling.
Daarnaast is vastgesteld dat er sprake is van samenhangende zaken, waardoor een factor van 1,5 wordt toegepast bij de berekening van de proceskostenvergoeding in de beroepsfase. De rechtbank veroordeelt verweerder tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht aan eiser.
De uitspraak is gedaan door rechter B. Sahebali en griffier A.M.M. Schillings op 27 januari 2026.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en de proceskostenvergoeding voor de hoorzitting wordt vastgesteld op 1 punt conform de forfaitaire regeling.