ECLI:NL:RBDHA:2026:4831
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling beroep tegen beëindiging tijdelijke bescherming en terugkeerbesluit Oekraïense derdelander
Eiser, een derdelander uit Oekraïne, heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 18 augustus 2023 tot beëindiging van zijn tijdelijke bescherming per 4 september 2023 en tegen een terugkeerbesluit. De rechtbank stelt vast dat deze besluiten zijn ingetrokken en dat eiser sinds 27 augustus 2025 rechtmatig verblijf heeft verkregen, wat een sterker verblijfsrecht inhoudt dan tijdelijke bescherming.
De rechtbank beoordeelt dat eiser geen belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep tegen het ingetrokken terugkeerbesluit en het beëindigingsbesluit van 18 augustus 2023. Wel heeft eiser belang bij beoordeling van het recht op tijdelijke bescherming in de periode van 4 maart 2024 tot 27 augustus 2025, omdat hij in die periode geen verblijfsrecht had.
De rechtbank verwijst naar eerdere uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak en het Hof van Justitie EU, die bevestigen dat lidstaten facultatieve tijdelijke bescherming mogen beëindigen zonder inbreuk op Unierechtelijke beginselen. Eiser heeft geen nieuwe gronden ingebracht. Daarom wordt het beroep tegen de beëindiging van tijdelijke bescherming in genoemde periode ongegrond verklaard.
De rechtbank verklaart het beroep tegen het beëindigingsbesluit en terugkeerbesluit niet-ontvankelijk en veroordeelt verweerder tot vergoeding van proceskosten van € 934,- aan eiser. De uitspraak is gedaan door rechter T.N. van Rijn op 3 maart 2026 te Haarlem.
Uitkomst: Het beroep tegen het beëindigingsbesluit en terugkeerbesluit is niet-ontvankelijk, het beroep tegen de beëindiging tijdelijke bescherming in de periode 4 maart 2024 tot 27 augustus 2025 is ongegrond verklaard.