ECLI:NL:RBDHA:2026:4260
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen voortduren maatregel van bewaring vreemdeling
De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van een vreemdeling tegen het voortduren van een maatregel van bewaring opgelegd op grond van artikel 59b van de Vreemdelingenwet 2000. De maatregel was reeds eerder getoetst en rechtmatig bevonden tot het moment van het sluiten van het vorige onderzoek. De rechtbank beoordeelde nu alleen de periode daarna.
Eiser voerde aan dat er onvoldoende zicht was op uitzetting naar Marokko omdat de Marokkaanse autoriteiten niet hadden gereageerd op zijn laissez-passer aanvraag. De rechtbank oordeelde dat er wel degelijk redelijk zicht op uitzetting bestaat, mede gelet op de korte duur van het lp-traject en het ontbreken van concrete aanwijzingen van het tegendeel. Tevens werd gewezen op de medewerkingsplicht van eiser, die hij niet nakwam.
Verder stelde eiser dat verweerder onvoldoende voortvarend had gehandeld bij de voorbereiding van zijn uitzetting. De rechtbank stelde dat voortvarendheid niet vereist is voor de bewaring zelf, maar wel in de asielprocedure. Uit het dossier bleek dat verweerder tijdig en adequaat had gehandeld in de asielprocedure. Ook de belangenafweging leidde niet tot een ander oordeel, omdat geen bijzondere omstandigheden waren die het belang van eiser zwaarder lieten wegen dan dat van verweerder.
De rechtbank voerde ook een ambtshalve toetsing uit, onder meer aan de hand van relevante jurisprudentie van het Hof van Justitie EU, en vond geen onrechtmatigheid. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.