Eiser, een Ethiopische ondernemer, verzocht om een verblijfsvergunning voor arbeid als zelfstandige, welke door verweerder werd afgewezen wegens onvoldoende bewijs van een wezenlijk Nederlands belang. Eiser beriep zich op de meestbegunstigingsclausule uit het Nederlands-Ethiopisch Handelsverdrag van 1926, stellende dat hij recht heeft op dezelfde behandeling als onderdanen van andere staten met gunstigere handelsverdragen.
De rechtbank stelde vast dat artikel I van het Handelsverdrag onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig is geformuleerd en daarmee een ieder verbindend is in de zin van de artikelen 93 en 94 van de Grondwet. De term 'vestiging' in het verdrag omvat ook het verblijfsrecht van de ondernemer, mede gelet op de context en het tijdstip van het verdrag.
Verweerder had onvoldoende gemotiveerd waarom aan eiser geen verblijfsrecht toekomt en moet daarom opnieuw beslissen, waarbij hij moet nagaan welke natie het meest begunstigd is en of eiser aan de voorwaarden voldoet. De rechtbank vernietigde het bestreden besluit, veroordeelde verweerder in de proceskosten en bepaalde dat het griffierecht aan eiser wordt vergoed.