ECLI:NL:RBDHA:2026:4221

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
3 maart 2026
Publicatiedatum
3 maart 2026
Zaaknummer
NL25.29045
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:2 AwbArt. 7:3 AwbArtikel 8 EVRMAlgemene wet bestuursrechtBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond wegens schending hoorplicht bij afwijzing verblijfsaanvraag familie- of gezinslid

Eiser heeft een aanvraag ingediend voor verblijf als familie- of gezinslid bij zijn partner, welke door de minister is afgewezen. Eiser voerde onder meer aan dat hij ten onrechte niet is gehoord in de bezwaarfase. De rechtbank oordeelt dat het horen een essentieel onderdeel is van de bezwaarprocedure en dat de minister slechts in uitzonderlijke gevallen mag afzien van het horen.

De rechtbank stelt vast dat eiser sinds 1996 meerdere aanvragen en procedures heeft doorlopen waarbij zijn identiteit niet kon worden vastgesteld, ondanks diverse inspanningen en overgelegde documenten, waaronder DNA-onderzoek en correspondentie met ambassades. De minister twijfelde aan de identiteit van eiser en zag geen aanleiding tot vrijstelling van het paspoortvereiste.

De rechtbank volgt eiser in zijn stelling dat de minister had moeten horen, mede omdat het besluit sterk afhankelijk is van individuele omstandigheden en artikel 8 EVRM Pro een rol speelt. Het ontbreken van een hoorzitting betekent dat het besluit onvoldoende zorgvuldig is voorbereid. De rechtbank verklaart het beroep gegrond, vernietigt het bestreden besluit en draagt de minister op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens wordt de minister veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard wegens schending van de hoorplicht, het bestreden besluit wordt vernietigd en de minister wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.29045

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam 1] , eiser,

V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. H.J. Janse)
en
de minister van Asiel en Migratie [1] , de minister
(gemachtigde: mr. Ö. Sari).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser. Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is omdat eiser in de bezwaarfase ten onrechte niet is gehoord. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft een aanvraag ingediend voor ‘verblijf als familie- of gezinslid bij zijn partner’. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 14 maart 2025 afgewezen. Met het bestreden besluit van 5 juni 2025 op het bezwaar van eiser is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en een voorlopige voorziening gevraagd. [2]
2.2.
De rechtbank heeft het beroep gelijktijdig met de voorlopige voorziening op 24 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Overwegingen

Wat aan het bestreden besluit voorafging
3. Eiser heeft op 8 oktober 1996 in Nederland een aanvraag ingediend om toelating als vluchteling en om een vergunning tot verblijf. Bij besluit van 27 november 1996 zijn deze aanvragen afgewezen. Hierbij is aan eiser een voorwaardelijke vergunning tot verblijf verleend, met ingang van 9 oktober 1996 en geldig tot 9 november 1997. Bij besluit van 19 juni 1997 is het hiertegen ingediende bezwaarschrift ongegrond verklaard. Bij brief van 15 juni 1998 heeft de minister het besluit 19 juni 1997 ingetrokken. Bij besluit van 11 februari 1999 heeft de minister het bezwaarschrift opnieuw ongegrond verklaard en is eisers voorlopige vergunning voor verblijf ingetrokken. Bij beschikking van 29 augustus 2000 is het hiertegen ingestelde bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 26 mei 2003 heeft deze rechtbank en zittingsplaats het hiertegen in gediende beroep ongegrond verklaard. Hierdoor is het besluit van 29 augustus 2000 in rechte komen vast te staan.
3.1.
Eiser heeft op 20 oktober 2009 een opvolgende asielaanvraag ingediend. Bij besluit van 24 oktober 2009 heeft de minister deze aanvraag afgewezen. Bij uitspraak van 10 november 2009 heeft de rechtbank, zittingsplaats Haarlem, het hiertegen ingediende beroep gegrond verklaard. Bij uitspraak van 26 januari 2010 heeft de Afdeling [3] het hiertegen door de minister ingediende hoger beroep gegrond verklaard. Hierdoor is het besluit van 24 oktober 2009 in rechte komen vast te staan.
3.2.
Op 31 augustus 2011 heeft eiser opnieuw een opvolgende asielaanvraag ingediend. Bij besluit van 10 februari 2012 is deze aanvraag afgewezen en is eiser een inreisverbod opgelegd voor de duur van twee jaren. Bij uitspraak van 2 juli 2012 [4] heeft deze rechtbank en zittingsplaats het door eiser tegen dit besluit ingediende beroep ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 23 mei 2013 [5] heeft de Afdeling de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
3.3.
Op 17 februari 2015 heeft eiser weer een opvolgende aanvraag asiel ingediend. Deze aanvraag is bij besluit van 12 juli 2017 afgewezen. Bij uitspraak van 27 december 2017 [6] heeft de rechtbank, zittingsplaats Utrecht, het hiertegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 1 juni 2018 [7] heeft de Afdeling het hiertegen ingestelde hoger beroep ongegrond verklaard.
3.4.
Eiser heeft op 2 oktober 2024 onderhavige aanvraag ingediend.
Het bestreden besluit
4. Aan het bestreden besluit heeft de minister ten grondslag gelegd dat eiser geen machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) heeft en niet in aanmerking komt voor vrijstelling van dat vereiste en toepassing van de hardheidsclausule niet aan de orde is. Hiertoe heeft de minister overwogen dat de uitzetting van eiser niet in strijd is met artikel 8 van Pro het EVRM. [8] Eiser stelt familieleven te hebben met zijn partner maar dit familieleven is niet aangetoond omdat eiser zijn identiteit niet heeft aangetoond. Evenmin heeft eiser aangetoond dat hij door de autoriteiten van het land waar hij onderdaan van is niet in het bezit kan worden gesteld van een geldig paspoort en dat hij al het nodige heeft gedaan om in het bezit te worden gesteld van een paspoort. Ook heeft eiser zijn identiteit en nationaliteit niet op een andere manier kunnen aantonen. Bovendien geeft de minister aan te twijfelen aan de door eiser opgegeven identiteit en nationaliteit. Eiser heeft namelijk verschillende persoonsgegevens opgegeven en stelt te zijn geboren in Koeweit. Uit een taalanalyse is echter gebleken dat eisers herkomst eenduidig te herleiden is tot Irak. Op grond van de Koerdische spraak tot de provincie Diyala en daarbij beheerst hij het Bagdad-Arabisch goed. De uitkomsten van DNA-onderzoek, waarin de familierechtelijke relatie van eiser met twee broers, [naam 2] en [naam 3] , is vastgesteld, zeggen volgens de minister niets over eisers eigen identiteit en herkomst. Nu eisers zijn identiteit niet heeft aangetoond, kan niet beoordeeld worden of er sprake is van familieleven tussen eiser en zijn partner. Daarom is zijn uitzetting niet in strijd met artikel 8 van Pro het EVRM. Verder voldoet eiser volgens de minister ook niet aan het paspoortvereiste en kan hij ook daarvan niet worden vrijgesteld.
Gronden
5. In zijn gronden heeft eiser aangevoerd dat de minister ten onrechte heeft afgezien van het horen in bezwaar. Hij verwijst in dat kader naar de uitspraak van de Afdeling van 6 juli 2022 [9] , waarin de Afdeling oordeelt dat er vaker gehoord moet worden als er nog relevante stukken ontbreken of er onduidelijkheden zijn over het feitencomplex, en naar de uitspraak van deze rechtbank en vestigingsplaats van 17 september 2024. [10] Zoals ook in deze laatste uitspraak is aangegeven zou horen in onderhavige zaak ertoe kunnen dienen nadere informatie ter beschikking te krijgen en de gelegenheid bieden om meer in het algemeen naar een oplossing te zoeken voor de gerezen problemen. Zoals de minister ook aangeeft verblijft eiser al bijna dertig jaar in Nederland en met uitzondering van de eerste procedure, strandt elke procedure – voor verblijf of bewaring - op het feit dat de identiteit van eiser niet kan worden vastgesteld. Eiser is ten einde raad en meent alles gedaan te hebben wat redelijkerwijs van hem verwacht kan worden.

Beoordeling door de rechtbank

6. De rechtbank overweegt het volgende. Ingevolge artikel 7:2, eerste lid, van de Awb [11] stelt een bestuursorgaan een belanghebbende in de gelegenheid te worden gehoord, voordat op het bezwaar wordt beslist.
6.1.
Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, mag met toepassing van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb slechts van het horen worden afgezien, indien er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de bezwaren niet kunnen leiden tot een andersluidend besluit. [12]
6.2.
Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de artikelen 7:2 en 7:3 volgt dat het horen een 'essentieel onderdeel' van de bezwaarprocedure vormt en dat de in artikel 7:3 opgenomen Pro gronden terughoudend dienen te worden toegepast. Uitzonderingen op de hoorplicht dienen dan ook restrictief te worden geïnterpreteerd. Iedere twijfel omtrent de vraag of een belanghebbende van zijn recht betreffende het horen geen gebruik heeft willen maken, verhindert dat zonder meer van het horen kan worden afgezien. [13] Meer in het bijzonder wijst de rechtbank op de volgende passage uit de memorie van toelichting [14] :
‘In dit artikel is een essentieel onderdeel van de bezwaarschriftenprocedure neergelegd: voordat op het bezwaarschrift wordt beslist, dient het bestuursorgaan de belanghebbende te horen. (…) Dit is om verschillende redenen van belang. Allereerst biedt de bezwaarschriftenprocedure in een groot aantal gevallen aan betrokkene de belangrijkste mogelijkheid mondeling zijn mening naar voren te brengen bij het bestuursorgaan. (…) Het horen kan er in de tweede plaats toe dienen om nadere informatie ter beschikking te krijgen. Zo kan blijken, dat de gegevens waarover het bestuursorgaan beschikt, nog onvolledig of gebrekkig zijn, zodat de oorspronkelijke beslissing herzien moet worden. Juist een mondelinge gedachtewisseling kan daartoe een goede aanvulling op de tot dan toe langs andere weg verzamelde gegevens opleveren. In de derde plaats bestaat aldus de gelegenheid om meer in het algemeen naar een oplossing voor de gerezen problemen te zoeken. Die oplossing kan bestaan uit het tegemoet komen aan het bezwaar maar kan ook een ander karakter hebben. Zo kan de betrokkene gewezen worden op een andere weg om het door hem beoogde resultaat te bereiken, of kan in gezamenlijk overleg een compromis tot stand worden gebracht dat zonder hoorzitting wellicht niet bereikt zou zijn. Ten slotte is het horen voor de burger van belang, omdat hij ervan overtuigd kan raken dat aan zijn bezwaren ernstig aandacht is besteed. Zo hij al geen gelijk krijgt, kan hem toch duidelijk worden dat met zijn standpunt rekening is gehouden.’
7. De rechtbank is met eiser van oordeel dat de minister in dit geval niet heeft kunnen afzien van een hoorzitting in de bezwaarfase. Hierbij acht de rechtbank van belang dat de Afdeling in haar uitspraak van 6 juli 2022, onder verwijzing naar de Awb en de werkinstructie [15] , heeft aangegeven dat het uitgangspunt is dat gehoord dient te worden en dat dit uitgangspunt des te meer geldt in zaken waarin er beslissingsruimte is en de beslissing sterk afhankelijk is van de omstandigheden van het geval en waarbij een individuele belangenafweging moet worden gemaakt. [16] Hieronder vallen onder meer zaken waarin artikel 8 van Pro het EVRM een rol speelt. De Afdeling heeft in de uitspraak de vuistregel geformuleerd dat naarmate een vreemdeling meer inspanningen heeft verricht om de benodigde informatie te krijgen het meer in de rede ligt om hem uit te nodigen voor een hoorzitting.
7.1.
De rechtbank overweegt dat eiser in de voorgaande procedures en onderhavige procedure de nodige inspanningen heeft verricht en documenten heeft overgelegd ter staving van zijn identiteit. Zo heeft hij sinds 2010 ten minste vijf keer de ambassade bezocht waarvan twee keer met DT&V [17] en drie keer op eigen gelegenheid. In dat kader is er een mailwisseling tussen DT&V en INLIA [18] overgelegd over een presentatie op 24 mei 2023 waarin de regievoerder vertrek van DT&V aangeeft dat “De presentatie en het transport (noot rechtbank: van eiser) zijn goed verlopen.” Ook is er een brief overgelegd van 9 oktober 2025 van de casusregisseur Groninger Opvang voor Ongedocumenteerden van de Gemeente Groningen waarin verslag wordt gedaan van het bezoek dat eiser en hij brachten aan de ambassades van Koeweit en Irak op 8 september 2025. In een brief van INLIA van 14 januari 2014 wordt beschreven welke pogingen eiser in de periode van 18 februari 2013 tot 6 januari 2014, toen hij deelnam aan het Transithuis project, met behulp van INLIA heeft ondernomen om aan identiteitsdocumenten te komen. Zo is er met behulp van de UNHCR geprobeerd contact te krijgen met familieleden van eiser in Syrië. Dit leek gelukt te zijn maar als gevolg van de oorlog in Syrië is het contact weer verbroken. Ook heeft eiser meerdere brieven naar de Iraakse ambassade verstuurd. Hiervan is de brief van 22 augustus 2024, met verzendbewijs, overgelegd evenals de ontvangen retourzending. Ook twee later verzonden brieven zijn ongeopend retour gekomen. De laatste poging was op 9 oktober 2025. Eiser is ook bij het IOM geweest maar dat kan slechts faciliteren bij terugkeer als er originele reisdocumenten voorhanden zijn. Tijdens de procedure heeft eiser ook documenten over zijn gestelde familie overgelegd. Zo is er een Iraaks identiteitsdocument van zijn moeder overgelegd. Indien eisers moeder Irakees is zou eiser van rechtswege die nationaliteit ook hebben. Ook is er een Iraaks identiteitsdocument van broer [naam 3] , een kopie van het Nederlands paspoort van zijn broer [naam 2] en een kopie van het Amerikaans paspoort van [naam 3] overgelegd. Voorts zijn er kopieën overgelegd van de United States Department of State van 8 oktober en 3 november 2013 waaruit blijkt dat eisers moeder en broer [naam 3] met zijn gezin als door de UNHCR erkende vluchtelingen kunnen verblijven in de Verenigde Staten en een werkvergunning van [naam 3] voor de Verenigde Staten. Daarnaast heeft eisers broer [naam 2] een verklaring ingediend waarin hij aangeeft dat eiser zijn broer [naam 4] is. Het relaas van [naam 2] is destijds door verweerder geloofwaardig geacht. Ter onderbouwing van zijn verwantschap met [naam 2] en [naam 3] heeft eiser, mede op aanraden van de contactambtenaar tijdens het nader gehoor op 17 februari 2015, DNA-onderzoek laten verrichten. Uit dit onderzoek is gebleken dat [naam 2] en [naam 3] volle broers van eiser zijn. Ter onderbouwing van deze uitslag zijn de resultaten van het DNA Diagnostic Center van 15 mei 2015 met betrekking tot familierelatie van [naam 2] [naam 5] en van Verilabs met betrekking tot [naam 3] [naam 6] overgelegd. Voorts is bij brief van 11 november 2023 eisers gestelde school in Koeweit aangeschreven. Bij reactie van 9 december 2013 van de school aangegeven dat als gevolg van de Golfoorlog er helaas geen dossiers meer beschikbaar zijn uit die periode. Ook heeft de gemachtigde van eiser contact gezocht met de Zwitserse politie omdat eiser daar in de jaren negentig heeft verbleven maar dat heeft ook geen informatie opgeleverd.
7.2.
Hoewel de rechtbank de minister kan volgen in het standpunt dat eiser eerder wisselend heeft verklaard over zijn naam en geboortedatum en de minister kanttekeningen heeft kunnen maken bij de gegevens die sommige documenten bevatten, kan naar het oordeel van de rechtbank niet gezegd worden dat deze documenten daarmee geen bewijskracht hebben. Het is voor de rechtbank onduidelijk wat er moet gebeuren om de identiteit van eiser te kunnen vaststellen. Gelet op hetgeen is verklaard en overgelegd en dat in samenhang bezien, bestond er naar het oordeel van de rechtbank voor de minister voldoende aanleiding om de stukken die voorliggen met eiser te bespreken, waarbij nagegaan kan worden welke mogelijkheden er nog zijn voor eiser om vaststelling van zijn identiteit mogelijk te maken en - als dat niet aan de orde is – te bespreken of er vrijstellingsmogelijkheden zijn en wat daarvoor nodig is. Hierbij betrekt de rechtbank ook het feit dat in meerdere procedures – door zowel eiser als verweerder aanhangig gemaakt – het niet mogelijk is gebleken om de identiteit van eiser vast te stellen. Op grond van het voorgaande kon niet gesteld worden dat er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel mogelijk was dat de gronden van bezwaar niet tot een ander besluit kunnen leiden. [19]

Conclusie en gevolgen

8. De rechtbank is van oordeel dat de minister het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig heeft voorbereid. Het beroep is dan ook gegrond. De minister zal een nieuw besluit op bezwaar moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit van 5 juni 2025;
  • draagt de minister op om binnen twaalf weken na de dag van bekendmaking van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen, met inachtneming van deze uitspraak;
  • veroordeelt de minister in de proceskosten tot een bedrag van € 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. P.C.J. Lindeijer, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
2.Het beroep is geregistreerd onder zaaknummer NL25.29045 en het verzoek om voorlopige voorziening onder zaaknummer NL25.12279.
3.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
4.Awb 12/5100 en Awb 12/5492.
5.201207391/1/V1.
7.201800701/1/V2.
8.Europees Verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
11.Algemene wet bestuursrecht.
13.Zie de uitspraak van de Afdeling van 3 maart 2004, ECLI:NL:RVS:2004:AO4777.
14.Tweede Kamer, vergaderjaar 1988-1989, 21 221, nr. 3, p. 144-145.
15.Ten tijde van de uitspraak van de Afdeling was dit WI 2019/16. Deze werkinstructie is aangepast na de Afdelingsuitspaak en het betreft nu WI 2022/20.
16.Zie de uitspraak van de Afdeling van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918, en meer recent de uitspraak van 16 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1641.
17.Dienst Terugkeer & Vertrek.
18.Stichting INLIA: Internationaal Netwerk van Lokale initiatieven tbv Asielzoekers.
19.Zie de uitspraak van de Afdeling van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918.
20.Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door de gemachtigde verleende rechtsbijstand, waarbij 1 punt is gerekend voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor van 1.