ECLI:NL:RBDHA:2026:2710
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielaanvraag wegens ongeloofwaardigheid gestelde biseksualiteit van asielzoeker uit Ghana
Eiser, een Ghanese asielzoeker, verzocht om een verblijfsvergunning op grond van zijn gestelde biseksualiteit en de daaruit voortvloeiende vervolgingsangst in Ghana. Hij stelde dat hij vanwege zijn seksuele geaardheid mishandeld werd en vreest voor vervolging bij terugkeer. Verweerder wees de aanvraag af als kennelijk ongegrond, omdat de geloofwaardigheid van de biseksualiteit onvoldoende was onderbouwd.
De rechtbank toetste het besluit aan de hand van de Werkinstructie 2019/17, die als geschikt instrument wordt beschouwd voor het beoordelen van seksuele geaardheid. Verweerder had terecht de verklaringen van het COC Nijmegen niet als voldoende bewijs gezien en legde het zwaartepunt bij de persoonlijke beleving en ervaringen van eiser. De rechtbank vond dat eiser vaag en inconsistent had verklaard over zijn ontdekking van zijn geaardheid, zijn relaties en de mishandeling, en onvoldoende inzicht gaf in zijn gevoelens en de context.
Ook de stellingen van eiser dat de werkinstructie niet wetenschappelijk onderbouwd is en dat verweerder onvoldoende rekening hield met zijn achtergrond, werden verworpen. De rechtbank concludeerde dat de verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel vormden en dat er geen asielgrond aanwezig was. Het beroep werd ongegrond verklaard en het terugkeerbesluit was niet in strijd met het verbod op refoulement.
Uitkomst: Het beroep van de asielzoeker wordt ongegrond verklaard wegens ongeloofwaardigheid van zijn gestelde biseksualiteit.