ECLI:NL:RBDHA:2026:2710

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
12 februari 2026
Publicatiedatum
13 februari 2026
Zaaknummer
NL25.25521
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 31 lid 6 VwArt. 29 lid 1 VwArt. 30b lid 1 VwArt. 3 EVRMArt. 5 Terugkeerrichtlijn
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag wegens ongeloofwaardigheid gestelde biseksualiteit van asielzoeker uit Ghana

Eiser, een Ghanese asielzoeker, verzocht om een verblijfsvergunning op grond van zijn gestelde biseksualiteit en de daaruit voortvloeiende vervolgingsangst in Ghana. Hij stelde dat hij vanwege zijn seksuele geaardheid mishandeld werd en vreest voor vervolging bij terugkeer. Verweerder wees de aanvraag af als kennelijk ongegrond, omdat de geloofwaardigheid van de biseksualiteit onvoldoende was onderbouwd.

De rechtbank toetste het besluit aan de hand van de Werkinstructie 2019/17, die als geschikt instrument wordt beschouwd voor het beoordelen van seksuele geaardheid. Verweerder had terecht de verklaringen van het COC Nijmegen niet als voldoende bewijs gezien en legde het zwaartepunt bij de persoonlijke beleving en ervaringen van eiser. De rechtbank vond dat eiser vaag en inconsistent had verklaard over zijn ontdekking van zijn geaardheid, zijn relaties en de mishandeling, en onvoldoende inzicht gaf in zijn gevoelens en de context.

Ook de stellingen van eiser dat de werkinstructie niet wetenschappelijk onderbouwd is en dat verweerder onvoldoende rekening hield met zijn achtergrond, werden verworpen. De rechtbank concludeerde dat de verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel vormden en dat er geen asielgrond aanwezig was. Het beroep werd ongegrond verklaard en het terugkeerbesluit was niet in strijd met het verbod op refoulement.

Uitkomst: Het beroep van de asielzoeker wordt ongegrond verklaard wegens ongeloofwaardigheid van zijn gestelde biseksualiteit.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.25521

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. J.I.T. Sopacua),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. Y. Verheugd).

Procesverloop

Bij besluit van 1 juni 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (asielaanvraag) afgewezen als kennelijk ongegrond.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep, tezamen met eisers verzoek om een voorlopige voorziening (NL25.25522), op 17 september 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen R.A. Osman. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Inleiding
1.1.
Eiser is geboren op [geboortedatum] 1994 en heeft de Ghanese nationaliteit. Op 21 februari
2024 heeft hij een asielaanvraag ingediend.
1.2.
Eiser heeft aan zijn asielaanvraag – samengevat weergegeven – het volgende ten
grondslag gelegd. Eiser is biseksueel. In Ghana heeft hij enige tijd een relatie gehad met [persoon A] . Op 1 oktober 2023 is eiser samen met zijn vriend [persoon A] naar een hotel gegaan. Midden in de nacht kwamen er vier mannen naar hun hotelkamer. Eiser is door hen geschopt en geslagen. Na dit incident is eiser naar Accra gevlucht en in februari 2024 heeft hij Ghana verlaten. Bij terugkeer naar Ghana vreest eiser te worden vervolgd of vermoord vanwege zijn biseksuele geaardheid.
Het bestreden besluit
2.1.
Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende relevante elementen:
- de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser;
- de seksuele geaardheid en de daaruit voortvloeiende problemen.
2.2.
Verweerder heeft eisers identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig geacht. Eisers gestelde biseksuele geaardheid en de daaruit voortvloeiende problemen heeft verweerder echter ongeloofwaardig geacht, omdat in dit verband niet is voldaan aan de voorwaarde van artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Het geloofwaardig geachte element levert volgens verweerder geen asielgrond op als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vw, omdat op grond daarvan niet aannemelijk is dat eiser een gegronde vrees voor vervolging heeft als bedoeld in het Vluchtelingenverdrag of bij terugkeer naar Ghana een reëel risico loopt op ernstige schade in de zin van artikel 3 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Hierom, en omdat eiser afkomstig is uit een veilig land van herkomst, heeft verweerder eisers asielaanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond, op grond van artikel 31, eerste lid, in verbinding met artikel 30b eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw.
Het oordeel van de rechtbank
3. De rechtbank toetst het bestreden besluit aan de hand van de daartegen aangevoerde beroepsgronden.
Werkinstructie 2019/17
4. Eiser voert aan dat Werkinstructie 2019/17 (WI 2019/17) niet geschikt is om een oordeel te vellen over iemands seksuele geaardheid. Geaardheid is niet vast te stellen aan de hand van juridische of beleidsmatige criteria, maar kan alleen worden beoordeeld op basis van seksuologische, wetenschappelijke inzichten. WI 2019/17 is niet gebaseerd op wetenschappelijke inzichten van seksuologen. Het is volgens eiser daarom vreemd dat deze beoordelingswijze nog wordt getolereerd. In ieder geval betekent dit dat verweerder ondeugdelijk heeft gemotiveerd dat eisers biseksualiteit ongeloofwaardig is.
4.1.
Bij de beoordeling van eisers verklaringen over zijn gestelde biseksuele geaardheid
heeft verweerder WI 2019/17 gehanteerd. Volgens deze werkinstructie is het aan de vreemdeling om zijn gestelde seksuele geaardheid tegenover verweerder aannemelijk te maken, maar moet verweerder er bij zijn beoordeling rekening mee houden dat het voor een vreemdeling niet mogelijk is om met sluitend bewijs aannemelijk te maken dat hij lhbti is. De loutere stelling van de vreemdeling dat hij lhbti is, is echter ook niet voldoende. Verweerder maakt een individuele afweging. Volgens WI 2019/17 ligt bij de beoordeling het zwaartepunt bij de antwoorden op vragen over eigen ervaringen en persoonlijke beleving van de vreemdeling met betrekking tot zijn seksuele geaardheid, wat dit voor hem en zijn omgeving heeft betekend, wat de situatie is voor personen met die geaardheid in het land van herkomst van de vreemdeling en hoe diens ervaringen, ook volgens zijn asielrelaas, in het algemene beeld passen. Uit WI 2019/17 volgt verder dat verweerder in de vraagstelling en bij de beoordeling rekening houdt met de persoonlijkheid en achtergrond van de vreemdeling. Elke vreemdeling heeft immers een eigen referentiekader op basis van onder andere opleidingsniveau, culturele achtergrond en levensfase.
4.2.
In de uitspraken van 15 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1630, en 12 augustus 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1885, heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) over de ‘voorlopers’ van WI 2019/17 – te weten: WI 2015/9 en WI 2018/9 – geoordeeld dat die zorgvuldig tot stand zijn gekomen en dat de daarin beschreven wijze waarop verweerder een gestelde seksuele geaardheid onderzoekt en beoordeelt inzichtelijk en in algemene zin zorgvuldig is. Nu WI 2019/17 in essentie hierop voortbouwt, ziet de rechtbank geen aanleiding om ten aanzien van deze WI anders te oordelen (zie in dit verband ook de Afdelingsuitspraak van 2 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1852). Het betoog van eiser dat WI 2019/17 niet is gebaseerd op seksuologische, wetenschappelijke inzichten leidt niet tot een ander oordeel, reeds nu eiser niet met een seksuologisch wetenschappelijk rapport heeft onderbouwd dat (en waarom) WI 2017/19 geen ‘geschikt instrument’ is voor het onderzoeken en beoordelen van een gestelde seksuele geaardheid. De onder 4. weergegeven beroepsgrond slaagt gezien het voorgaande niet.
‘Stap 2a’ van Werkinstructie 2024/6
5. Eiser voert aan dat verweerder de overgelegde verklaringen van het COC Nijmegen van 14 april 2025 (ook) had moeten beoordelen in het kader van ‘stap 2a’ van WI 2024/6 en dat verweerder bij ‘stap 2a’ ten onrechte bepaalde vormvereisten aan het bewijs stelt.
5.1.
Uit WI 2024/6 volgt dat verweerder eerst de feiten en omstandigheden identificeert en het asielrelaas vaststelt (stap 1) en vervolgens de geloofwaardigheid van het asielmotief beoordeelt (stap 2). In dat kader wordt eerst beoordeeld of het asielmotief voldoende is onderbouwd met objectieve documenten die authentiek zijn (stap 2a). Als een asielmotief niet of onvoldoende is onderbouwd met objectieve bewijsstukken, wordt een geloofwaardigheidstoets toegepast om tot een oordeel te komen over de geloofwaardigheid (stap 2b). Daarbij wordt getoetst aan de vijf cumulatieve voorwaarden uit artikel 31, zesde lid, van de Vw.
5.2.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich in het bestreden besluit terecht op het standpunt gesteld dat eisers gestelde biseksuele geaardheid niet alleen al op basis van de door hem overgelegde verklaringen van het COC geloofwaardig is. Dat eiser, zoals uit die verklaringen van het COC volgt, deelneemt aan activiteiten van het COC is immers op zichzelf onvoldoende om zijn gestelde biseksuele geaardheid te geloven. Het zwaartepunt van de geloofwaardigheidsbeoordeling ligt namelijk bij eisers verklaringen over zijn eigen ervaringen en persoonlijke beleving met betrekking tot zijn seksuele geaardheid (zie overweging 4.1). Gelet hierop bestaat er geen grond voor het oordeel dat verweerder eisers asielmotief reeds bij ‘stap 2a’ geloofwaardig had moeten achten. De rechtbank volgt eiser dan ook niet in zijn hiertoe strekkende stelling.
5.3.
Voor zover eiser stelt dat WI 2024/6 op dit punt in strijd is met het Unierecht, volgt de rechtbank hem hierin evenmin. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank van 6 maart 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:3440, r.o. 4.3, en naar de uitspraak van de meervoudige kamer van zittingsplaats Utrecht van 10 juni 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:10057, r.o. 7.1, waarin is overwogen – hetgeen in deze uitspraak wordt onderschreven – dat met ‘stap 2a’ geen sprake is van een met het Unierecht strijdige verhoging van de bewijsmaatstaf, zolang maar in de beoordeling erna, bij ‘stap 2b’, alle verklaringen van de vreemdeling, al het overgelegde bewijsmateriaal en alle overige omstandigheden worden betrokken en in samenhang worden beoordeeld. Dit laatste heeft verweerder gedaan. Hij heeft immers bij ‘stap 2b’ de verklaringen van eiser tijdens het nader gehoor en de overgelegde verklaringen van het COC in onderling verband en samenhang bezien en beoordeeld. Deze geloofwaardigheidsbeoordeling van verweerder toetst de rechtbank hierna. De onder 5. weergegeven beroepsgrond slaagt niet.
Geloofwaardigheid (gestelde) biseksuele geaardheid
6. Eiser stelt dat verweerder ten onrechte zijn biseksuele geaardheid ongeloofwaardig heeft geacht. Eiser heeft de tegenwerpingen die verweerder hem in dit kader heeft gedaan gemotiveerd bestreden. Verder stelt eiser dat verweerder bij zijn beoordeling onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn referentiekader.
6.1.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder niet ten onrechte verwacht dat eiser op zijn minst enigszins concreet en consistent moet kunnen verklaren over belangrijke aspecten van zijn asielrelaas, zoals de ontdekking van zijn geaardheid en de daarmee samenhangende eigen ervaringen, gedachten en gevoelens, zijn relatie(s) en zijn kennis van de situatie van lhbti in Ghana en Nederland. Dit geldt te meer nu eiser aan de hand van specifieke vraagstelling in de gelegenheid is gesteld om over deze aspecten te verklaren; er is niet van hem verwacht dat hij alles uit zichzelf naar voren brengt. Hierbij betrekt de rechtbank dat eiser heeft verklaard dat hij in Ghana zes jaar naar school is geweest en vervolgens eerst het vak van schoenmaker heeft geleerd en daarna het vak van kledingmaker (p. 9 rapport aanmeldgehoor), dat hij op het moment van zijn ontdekking van zijn geaardheid ruim volwassen (23 jaar) was en dat hij daarna nog ongeveer zeven jaar in Ghana heeft gewoond. Verder betrekt de rechtbank hierbij dat uit het rapport van MediFirst weliswaar volgt dat eiser weinig kan lezen en schrijven, dat hij moeite heeft met het benoemen van exacte data en dat er eenvoudige vragen moeten worden gesteld, maar dat uit dat rapport niet blijkt dat eiser niet (voldoende) in staat is om, aan de hand van (eenvoudige) vraagstelling, voldoende (concreet en consistent) te verklaren over zijn asielmotief. Gelet op het voorgaande en nu eiser zijn stelling dat verweerder geen rekening heeft gehouden met zijn persoonlijke, sociale, culturele en politieke achtergrond en met zijn persoonlijkheid en intelligentie niet heeft geconcretiseerd, bestaat er geen grond voor het oordeel dat verweerder bij zijn geloofwaardigheidsbeoordeling is uitgegaan van een onjuist referentiekader van eiser of van ongerechtvaardigde verwachtingen over eisers vermogen om te verklaren.
6.2.
De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eiser vaag en oppervlakkig heeft verklaard over hoe hij erachter is gekomen dat hij biseksueel is en hoe hij dit persoonlijk heeft beleefd. Ten eerste geldt hiertoe het volgende. Eiser heeft verklaard dat hij er in 2017, op 23-jarige leeftijd, achter is gekomen dat hij biseksueel is. Verweerder onderkent – terecht – dat het mogelijk is dat eiser zijn biseksualiteit pas op latere leeftijd heeft ontdekt, maar stelt zich niet ten onrechte op het standpunt dat eiser in het geheel niet inzichtelijk heeft gemaakt hoe hij vóór zijn 23e aankeek tegen het onderwerp seksualiteit of seksuele geaardheid. Eiser heeft hierover namelijk enkel verklaard dat hij hier nooit over nadacht en dat hij er niet klaar voor was (p. 12 NG). Verweerder heeft dit niet hoeven volgen, vooral niet nu eiser ook heeft verklaard dat anderen in zijn omgeving (op zijn school) wel bezig waren met seksualiteit en dat hijzelf bevriend was met klasgenoten die samen de zogenaamde ‘gay groep’ vormden (p. 12 en 5 NG). Ten tweede geldt het volgende. Eiser heeft verder verklaard dat hij in 2017 via deze ‘gay groep’ werd geïntroduceerd in de lhbti-gemeenschap en dat hij op deze manier ‘erin is gerold’ (p. 7 NG). Verweerder stelt zich niet ten onrechte op het standpunt dat eiser nauwelijks inzicht heeft verstrekt in dit ‘erin rollen’. Eiser heeft in dit verband verklaard dat hij via de ‘gay groep’ hoorde dat hij geld kon verdienen door met mannen naar bed te gaan en dat hij zo ‘besmet’ is geraakt en er steeds meer van ging genieten (p. 8 NG). Verweerder onderkent – terecht – dat het mogelijk is dat de ontdekking van eisers geaardheid op deze wijze werd getriggerd, maar stelt zich niet ten onrechte op het standpunt dat eiser met deze verklaring, en ook zijn overige, zijn innerlijke belevingswereld en het proces dat kwam kijken bij dit ‘erin rollen’ niet inzichtelijk heeft gemaakt. Verweerder stelt niet ten onrechte dat van eiser mag worden verwacht dat hij hierin enigszins concreet inzicht verschaft, nu dit de kern van zijn asielrelaas betreft en biseksualiteit in Ghana en zijn religie ten strengste verboden is. Er moet bij eiser dan ook op zijn minst enig denkproces rondom dit ‘erin rollen’ hebben plaatsgevonden.
6.3.
Verweerder heeft zich ook niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiser summier en oppervlakkig heeft verklaard over de rol van lhbti in zijn omgeving en hoe hij daartegen aankeek. Tijdens het nader gehoor heeft eiser verklaard over een incident waarbij een man ‘die als een vrouw liep’ met stenen werd bekogeld. Eiser heeft nauwelijks kunnen uitleggen wat dit incident met hem deed. Hij heeft namelijk slechts verklaard dat het ‘niet goed voelde’ en dat hij het ‘slecht’ vindt (p. 8-9 NG). Verweerder stelt niet ten onrechte dat van eiser had mogen worden verwacht dat hij zijn negatieve gevoelens en gedachten over dit incident nader kon toelichten. Het betreft immers een ingrijpende, nare gebeurtenis ten aanzien van een (vermeende) lhbti-er waar eiser persoonlijk bij was, in een periode waarin eiser zelf aan het ontdekken was dat hij biseksueel is. Verder heeft verweerder het niet ten onrechte onnavolgbaar geacht dat eiser er nooit over heeft nagedacht hoe zijn moeder, bij wie hij in Ghana altijd heeft gewoond, zou reageren als zij achter zijn seksuele geaardheid zou komen (p. 18 NG).
6.4.
Verweerder heeft zich evenmin ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiser vaag en oppervlakkig heeft verklaard over zijn relatie met [persoon B] . Eiser heeft verklaard dat hij, op zijn 23e, zijn eerste relatie kreeg met [persoon B] . Over het ontstaan van die relatie heeft eiser in eerste instantie verklaard dat hij [persoon B] op een feestje had ontmoet en hem had aangesproken omdat hij hem leuk vond (p. 8 NG). Daarbij heeft eiser verklaard dat hij het niet deed voor geld toen hij begon (p. 9 NG). Later tijdens het gehoor heeft eiser echter verklaard dat hij [persoon B] via de ‘gay group’ heeft ontmoet en dat hij meer geïnteresseerd was in het geld (p. 10-11 NG). Verweerder stelt terecht dat deze verklaringen over het begin van de relatie met [persoon B] niet met elkaar stroken. Daarbij komt dat eiser, zoals verweerder terecht heeft gesteld, ook inconsistent heeft verklaard over het wel of niet ontvangen van geld van [persoon B] ; eerst heeft hij verklaard dat hij ‘geen geld heeft gezien’ (p. 10 NG) , maar later heeft hij verklaard dat hij wel geld van [persoon B] heeft gekregen (p. 11 NG). Verder heeft verweerder in dit verband niet ten onrechte gesteld dat eiser slechts in algemene bewoordingen heeft verklaard over zijn relatie met en gevoelens voor [persoon B] . Gevraagd naar wat hij aantrekkelijk vond aan [persoon B] , heeft eiser slechts verklaard dat [persoon B] een mooi gezicht en aantrekkelijk lichaam heeft (p. 11 NG), en gevraagd naar de gevoelens bij de (geheime) relatie heeft eiser slechts verklaard dat het ‘goed’ voelde om een relatie met een man te hebben maar dat het ‘niet goed’ is dat het stiekem moet (p. 12 NG). Verweerder stelt niet ten onrechte dat eiser meer over [persoon B] en de relatie moet kunnen verklaren, nu dit eisers eerste relatie (met een man) was en dit het moment was waarop hij zijn biseksuele geaardheid ontdekte. Voorts heeft verweerder niet ten onrechte gesteld dat eiser vaag en oppervlakkig heeft verklaard over het einde van de relatie met [persoon B] . Hij heeft hierover slechts verklaard dat de relatie eindigde omdat hij [persoon B] opeens niet meer leuk vond en vrij van hem wilde zijn (p. 13 NG). Om dezelfde redenen als hiervoor vermeld, verwacht verweerder niet ten onrechte dat eiser meer moet kunnen verklaren over waar deze gevoelsverandering opeens vandaan kwam.
6.5.
Verder heeft verweerder niet ten onrechte gesteld dat eiser vaag en ongerijmd heeft verklaard over zijn relatie met [persoon A] . Eiser heeft verklaard dat hij voor zijn vertrek uit Ghana anderhalf jaar een relatie heeft gehad met [persoon A] . Over het ontstaan van de relatie heeft eiser verklaard dat hij [persoon A] toevallig ontmoette in een winkel en dat hij op hem is afgestapt en tegen hem heeft gezegd dat hij hem leuk vindt. Gevraagd naar of dit niet risicovol was, heeft eiser verklaard dat hij aan de kleren en bewegingen van [persoon A] kon zien dat hij homoseksueel is (p 17 NG). Verweerder onderkent dat het zou kunnen dat eiser vermoedde dat [persoon A] homoseksueel is, maar stelt naar het oordeel van de rechtbank niet ten onrechte dat eiser er niet in gevolgd kan worden dat hij zo maar op een vreemde man afstapt en hem vertelt dat hij hem leuk vindt, vooral nu eiser wist dat homoseksualiteit in Ghana strafbaar is en hij heeft verklaard dat hij juist bezig was om zijn biseksualiteit te onderdrukken/geheim te houden (p. 14-15 NG). In eisers stelling dat zijn hormonen sterker waren dan logisch nadenken, heeft verweerder geen aanleiding hoeven zien om een ander standpunt in te nemen, nu dit niet is wat eiser tijdens het nader gehoor heeft verklaard. Zijn verklaring komt er immers op neer dat hij juist weloverwogen te werk ging, hetgeen verweerder gelet op de daarmee gepaard gaande risico’s niet ten onrechte ongerijmd vindt. Verder heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eisers verklaringen over [persoon A] oppervlakkig zijn (bijvoorbeeld over zijn herkomst en werk) en geen inzicht geven in zijn gedachten over en gevoelens voor [persoon A] (p. 17 NG). Voorts heeft verweerder zich in dit verband niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiser summier en oppervlakkig heeft verklaard over hoe hij anderhalf jaar een relatie met [persoon A] heeft kunnen hebben zonder dat anderen, onder wie zijn moeder, erachter kwamen.
6.6.
Verweerder heeft zich verder niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiser summier en oppervlakkig heeft verklaard over hoe hij zijn biseksuele geaardheid in de toekomst zou willen uiten. Hiernaar gevraagd heeft eiser tijdens het nader gehoor slechts in algemene zin verklaard dat hij zich trots zou voelen en het openbaar zou maken en aan iedereen zou laten weten (p. 23 NG). Verweerder stelt niet ten onrechte dat eiser hierover concreter moet kunnen verklaren, nu hij al acht jaar weet dat hij biseksueel is, meerdere homoseksuele relaties heeft gehad, en hij juist uit Ghana is gevlucht vanwege het feit dat hij zijn seksuele geaardheid daar niet vrij kon uiten.
6.7.
Tot slot heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiser vaag en ongerijmd heeft verklaard ten aanzien van het incident dat de aanleiding vormde voor zijn vertrek. Eiser heeft verklaard dat uit Ghana is vertrokken, nadat hij in oktober 2023 met [persoon A] in een hotel is betrapt en vervolgens door vier mannen is mishandeld. Verweerder stelt in dit verband niet ten onrechte dat het ongerijmd is dat eiser de deur van de hotelkamer midden in de nacht opendoet voor vier onbekende mannen, terwijl hij wist dat hij niet met [persoon A] samen op een hotelkamer mocht zijn (p. 21 NG). Verder werpt verweerder eiser niet ten onrechte tegen dat hij slechts in algemene termen heeft verklaard over de verwondingen die hij aan dit incident zou hebben overgehouden (p. 21-22). Voorts heeft verweerder niet ten onrechte gesteld dat het ongerijmd is dat eiser vanuit zijn schuilplaats in Accra nog is teruggekeerd naar zijn woonplaats Kumasi om afscheid te nemen van zijn moeder, terwijl hij heeft verklaard dat iedereen in Kumasi van zijn geaardheid wist en boos op hem was (p. 22 NG). Verweerder stelt niet ten onrechte dat niet goed valt in te zien waarom eiser een dergelijk risico zou nemen.
6.8.
Over de overgelegde verklaringen van het COC heeft verweerder zich in dit verband niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat die onvoldoende ondersteuning bieden aan eisers verklaringen over zijn eigen ervaringen en persoonlijke beleving met betrekking tot zijn seksuele geaardheid, waarbij het zwaartepunt ligt bij de geloofwaardigheidsbeoordeling van een seksuele geaardheid. Uit de verklaringen van het COC blijkt weliswaar dat eiser heeft deelgenomen aan enkele activiteiten van het COC, maar die verklaringen zeggen niets tot weinig over eisers eigen ervaringen en persoonlijke beleving van zijn geaardheid. In zoverre bieden ze dan ook geen ondersteuning aan en compensatie voor eisers eigen verklaringen hierover, die, zoals hiervoor is overwogen, op diverse punten tekortschieten.
6.9.
Gelet op het vorenstaande, in samenhang bezien, heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eisers verklaringen over zijn biseksuele geaardheid en de daaruit voortvloeiende problemen, ook in samenhang bezien met de overgelegde verklaringen van het COC, geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen en dat dus niet wordt voldaan aan de voorwaarde van artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c, van de Vw. Nu niet aan deze voorwaarde is voldaan, heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eisers biseksuele geaardheid en de daaruit voortvloeiende problemen ongeloofwaardig zijn. Eisers stelling dat verweerder bij zijn beoordeling onvoldoende rekening heeft gehouden met hetgeen is bepaald in artikel 4, tweede en derde lid, van de Kwalificatierichtlijn, leidt niet tot een ander oordeel, reeds nu eiser deze stelling onvoldoende heeft geconcretiseerd. De rechtbank verwijst in dit kader ook naar hetgeen hiervoor is overwogen over WI 2024/6. De onder 6. weergegeven beroepsgrond slaagt niet.
Slotsom asielbesluit
7. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat hetgeen eiser in beroep heeft aangevoerd niet leidt tot het oordeel dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat er zich geen asielgrond als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vw voordoet. Er bestaat dan ook geen grond voor het oordeel dat verweerder ten onrechte heeft gesteld dat eiser niet in aanmerking komt voor een asielvergunning.
Terugkeerbesluit
8. Eiser heeft verder aangevoerd dat het terugkeerbesluit en het daarmee gepaard gaande inreisverbod zich niet verhouden tot het bepaalde in artikel 5 van Pro de Terugkeerrichtlijn, nu er sprake is van een reëel risico op refoulement, omdat homoseksualiteit in Ghana strafbaar is. Deze beroepsgrond slaagt niet. Hiervoor is al geoordeeld dat verweerder terecht heeft gesteld dat er zich geen asielgrond als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vw voldoet. Dit betekent dat terugkeer naar Ghana geen reëel risico op refoulement met zich brengt. Het terugkeerbesluit is dan ook niet in strijd met artikel 5 van Pro de Terugkeerrichtlijn.
Ingebrekestelling
9. Hetgeen eiser heeft aangevoerd over de ingediende ingebrekestelling, blijft in deze uitspraak inhoudelijk onbesproken, nu dit thuis hoort in de ‘ntb-procedure’. Ten overvloede wijst de rechtbank erop dat eiser zijn beroep tegen het niet tijdig beslissen op de asielaanvraag op 4 juni 2025 heeft ingetrokken, met gelijktijdig verzoek om een proceskostenveroordeling, en dat deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht, bij uitspraak 26 juni 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:11695, een proceskostenveroordeling heeft uitgesproken.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is gezien het voorgaande ongegrond.
11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F.A. Groeneveld, rechter, in aanwezigheid van P. Deinum, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.