ECLI:NL:RBDHA:2026:2072

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
8 januari 2026
Publicatiedatum
9 februari 2026
Zaaknummer
NL24.10078
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:19 AwbArt. 8:85 AwbArt. 3 EVRMArt. 8 EVRMArt. 4 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen terugkeerbesluit na beëindiging tijdelijke bescherming Oekraïne

Eiser, een Marokkaanse derdelander die tijdelijk in Nederland verbleef op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming vanwege de oorlog in Oekraïne, kreeg een terugkeerbesluit opgelegd nadat zijn tijdelijke bescherming was beëindigd. Hij voerde aan dat het terugkeerbesluit prematuur was, dat het vertrouwensbeginsel was geschonden, en dat het besluit in strijd was met Unierechtelijke beginselen zoals non-refoulement en het evenredigheidsbeginsel.

De rechtbank oordeelde dat het terugkeerbesluit van 28 juli 2025 niet prematuur was, omdat de tijdelijke bescherming op 4 maart 2024 was geëindigd. De voorlopige voorziening die eiser had gekregen, gaf slechts procedureel rechtmatig verblijf en stond niet in de weg aan het opleggen van het terugkeerbesluit. Het beroep op het vertrouwensbeginsel werd verworpen, mede gelet op eerdere uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak.

Verder concludeerde de rechtbank dat het terugkeerbesluit niet in strijd is met het non-refoulementbeginsel, omdat de minister voldoende onderzoek had gedaan naar de risico’s bij terugkeer naar Marokko. Ook het evenredigheidsbeginsel bood geen grond om het besluit te vernietigen, aangezien de tijdelijke bescherming was geëindigd en een individuele belangenafweging niet aan de orde was.

De rechtbank bevestigde dat de minister verplicht was het terugkeerbesluit in het Schengen Informatie Systeem (SIS) te registreren en wees het verzoek van eiser om een vrijwillige vertrektermijn af. Het beroep tegen het eerdere terugkeerbesluit van 7 februari 2024 werd niet-ontvankelijk verklaard vanwege intrekking van dat besluit. De minister werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van € 934,- aan eiser.

Uitkomst: Het beroep tegen het terugkeerbesluit wordt ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.10078
Rectificatie (bladzijde 7)
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. E. Ceylan),

en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: R. van Bel).

Procesverloop

1. Deze uitspraak gaat over het terugkeerbesluit dat door de minister aan eiser op 28 juli 2025 is opgelegd. Eiser is het hier niet mee eens en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de oplegging van het terugkeerbesluit.
2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de oplegging van het terugkeerbesluit in stand kan blijven. Het beroep is dus ongegrond. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Inleiding

3. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1994 en heeft de Marokkaanse nationaliteit. In Oekraïne had hij een tijdelijke verblijfsvergunning op het moment dat de Russische strijdkrachten op 24 februari 2022 begonnen met de grootschalige invasie van Oekraïne. Eiser is vanuit Oekraïne naar Nederland gekomen en heeft hier rechtmatig verblijf gehad op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming (RBT)1 en het daarop gebaseerde Uitvoeringsbesluit.2
4. Op 23 augustus 2023 heeft de minister aanvankelijk aan eiser medegedeeld dat zijn verblijfsrecht op grond van de RTB van rechtswege eindigt op 4 september 2023. Met hetzelfde besluit heeft de minister aan eiser een terugkeerbesluit opgelegd. Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen, wat bij de rechtbank is geregistreerd met de zaaknummers NL23.27143 enNL23.27144. Deze rechtbank, zittingsplaats Groningen, heeft op 17 november 2023 het beroep van eiser ongegrond verklaard en de voorlopige voorziening afgewezen.
1. Richtlijn 2001/55/EG van de Raad van 20 juli 2001 betreffende minimumnormen voor het verlenen van tijdelijke bescherming in geval van massale toestroom van ontheemden en maatregelen ter bevordering van een evenwicht tussen de inspanning van de lidstaten voor de opvang en het dragen van de consequenties van de opvang van deze personen.
2 Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/3822.
5. Op 7 februari 2024 heeft de minister aan eiser medegedeeld dat zijn verblijfsrecht op grond van de RTB eindigt per 4 maart 2024 en heeft de minister hem een terugkeerbesluit opgelegd. Eiser heeft ook tegen dit besluit beroep ingesteld en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen, wat bij de rechtbank is geregistreerd met de zaaknummers NL24.10078 enNL24.10081.
6. Bij uitspraak van 4 april 2024 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank, in het zaaknummer NL24.10081, bepaald dat het de minister wordt verboden om eiser uit te zetten.
7. Op 28 juli 2025 heeft de minister aan eiser medegedeeld dat zijn verblijfsrecht op grond van de RTB op 4 maart 2024 is geëindigd en op 4 september 2025 de tijdelijke bevriezingsmaatregel stopt. Daarnaast heeft de minister aan hem een nieuw terugkeerbesluit opgelegd. Het eerdere terugkeerbesluit was volgens de minister prematuur genomen, omdat eiser op dat moment nog rechtmatig verblijf had. De minister heeft het besluit van 7 februari 2024 ingetrokken3 en vervangen met het bestreden besluit van 28 juli 2025 onder verwijzing naar artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
8. De rechtbank heeft het beroep op 27 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister. Als tolk is verschenen: L. Pomper.

Beoordeling door de rechtbank

Ontvankelijkheid
9. Het terugkeerbesluit van 28 juli 2025 vervangt het terugkeerbesluit van 7 februari 2024. Op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb heeft het beroep daarom ook betrekking op het nieuwe terugkeerbesluit.
10. Omdat de minister het besluit van 7 februari 2024 heeft ingetrokken, heeft eiser geen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van het besluit. De rechtbank zal het beroep tegen dat besluit daarom niet-ontvankelijk verklaren. Eiser heeft wel recht op vergoeding van de proceskosten ten aanzien van de intrekking van het besluit van 7 februari 2024.
Het standpunt van eiser
11. Eiser voert primair aan dat het terugkeerbesluit van 28 juli 2025 onrechtmatig is. Het terugkeerbesluit is namelijk prematuur opgelegd, omdat er nog een beroepsprocedure loopt tegen het opgelegde terugkeerbesluit en een voorlopige voorziening is toegewezen. Bovendien had eiser nog rechtmatig verblijf tot en met 4 september 2025 door de bevriezingsmaatregel. Om deze redenen viel eiser ten tijde van het besluit nog niet onder het toepassingsbereik van richtlijn 2008/115/EG (de Terugkeerrichtlijn). Tijdens de zitting heeft eiser toegelicht dat de minister bovendien toezeggingen heeft gedaan om de groep facultatief beschermden gelijk te behandelen aan de groep verplicht beschermden onder de RTB. Eiser stelt ook dat het terugkeerbesluit onrechtmatig is, omdat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) in haar uitspraak van 17 januari 20244 de toelichting van de Europese Commissie bij het nieuwe Uitvoeringsbesluit van 19 oktober 2023 op onjuiste wijze heeft geïnterpreteerd zodat ze niet kon oordelen dat de facultatieve bescherming is geëindigd op 4 maart 2024. Daarnaast voert eiser aan dat het terugkeerbesluit in strijd is met fundamentele Unierechtelijke beginselen, waaronder het beginsel van non-refoulement en de hoorplicht. Eiser heeft namelijk zichtbare tatoeages, waardoor hij bij terugkeer naar Marokko vreest voor religieuze en culturele conflicten. Eiser stelt zich op het standpunt dat de minister nader onderzoek had moeten doen naar de vrees van eiser. Tijdens de zitting heeft eiser toegelicht dat het terugkeerbesluit ook in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. Eiser werkt in een hotel in [plaats] en is sinds zeven jaar niet meer in Marokko geweest. Als eiser moet terugkeren naar Marokko wordt hij onevenredig hard getroffen. Ter onderbouwing heeft eiser een arbeidsovereenkomst en loonstroken overgelegd. In het verlengde van de onrechtmatigheid van het terugkeerbesluit stelt eiser dat hij niet gesignaleerd had mogen worden in het Schengen Informatie Systeem (SIS). Eiser voert subsidiair aan dat hij bereid is om Nederland vrijwillig te verlaten, en verzoekt daarom om een vrijwillige termijn voor vertrek. Tijdens de zitting heeft eiser toegelicht dat dit verzoek verband houdt met het gegeven dat een SIS-signalering dan uitblijft. Ten slotte stelt eiser dat hij aanspraak heeft op een proceskostenvergoeding, omdat hij terecht beroep heeft ingesteld tegen het ingetrokken terugkeerbesluit van 7 februari 2024.
3 Naar aanleiding van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 19 december 2024, ECLI:EU:C:2024:1038 (Kaduna en Abkez) en de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 23 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1827, ECLI:NL:RVS:2025:1829 en ECLI:NL:RVS:2025:1836.
Het oordeel van de rechtbank
Het terugkeerbesluit van 28 juli 2025 en het vertrouwensbeginsel
12. De rechtbank overweegt dat uit het arrest Kaduna en Abkez van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 19 december 2024 volgt dat een lidstaat de door hem verleende facultatieve tijdelijke bescherming op een eerder tijdstip mag intrekken dan het tijdstip waarop de verplichte tijdelijke bescherming eindigt, zolang dit geen afbreuk doet aan de doelstellingen en het nuttig effect van de RTB, en de algemene beginselen van het Unierecht, waaronder het vertrouwensbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel, in acht worden genomen. Uit het arrest volgt verder dat een lidstaat geen terugkeerbesluit kan uitvaardigen tegen een derdelander die legaal op het grondgebied van een lidstaat verblijft en die facultatieve tijdelijke bescherming geniet, voordat deze bescherming is geëindigd, zelfs wanneer blijkt dat die bescherming binnenkort zal eindigen en de gevolgen van dit besluit tot die datum worden opgeschort.
13. De beroepsgrond dat de Afdeling in haar uitspraak van 17 januari 2024 niet kon oordelen dat de facultatieve bescherming per 4 maart 2024 eindigde, treft geen doel. De rechtbank verwijst daarvoor naar de uitspraken van de Afdeling van 23 april 2025 en 26 juni 2025.5
14. Naar het oordeel van de rechtbank is het terugkeerbesluit van 28 juli 2025 niet prematuur opgelegd. De rechtbank volgt de minister in zijn standpunt dat de tijdelijke bescherming is geëindigd op 4 maart 2024. De rechtbank overweegt dat de Afdeling in de uitspraken van 23 april 2025 – in lijn met het arrest Kaduna en Abkez – heeft geoordeeld dat de minister bevoegd was om de facultatieve tijdelijke bescherming te beëindigen op 4 maart 2024.6 Omdat de tijdelijke bescherming van eiser op 4 maart 2024 is geëindigd voldoet eiser niet meer aan de voorwaarden voor verblijf. Zijn verblijf in Nederland is daardoor illegaal in de zin van de Terugkeerrichtlijn. De rechtbank overweegt dat de onderhavige beroepsprocedure niet in de weg staat aan het opleggen van een terugkeerbesluit, omdat eiser door het instellen van beroep alleen procedureel rechtmatig verblijf heeft verkregen om zo de uitkomst van de procedure af te kunnen wachten. Dit doet echter niet af aan de vaststelling van illegaal verblijf en de verplichting en dus bevoegdheid voor de minister om een terugkeerbesluit vast te stellen. De rechtbank verwijst in dit verband naar het arrest Gnandi van 19 juni 2018.7 Daaruit volgt dat het recht om een rechtsmiddel in een verblijfsrechtelijke procedure op het grondgebied af te wachten niet betekent dat de betrokkene niet ‘illegaal’ is in de zin van de Terugkeerrichtlijn. Dat de rechtsregel uit het arrest Gnandi niet van toepassing is op de zaak van eiser, zoals tijdens de zitting door eiser naar voren is gebracht, volgt de rechtbank niet. Het arrest Gnandi ziet immers op de rechtsgevolgen die voortvloeien uit het opleggen van een terugkeerbesluit. In de zaak van eiser is in dit kader verder van belang dat – zoals in het procesverloop is vermeld – de voorzieningenrechter bij uitspraak van 4 april 2024 heeft bepaald dat eiser niet mag worden uitgezet. De rechtbank merkt op dat de getroffen voorlopige voorziening betekent dat eiser weliswaar gedurende de beroepsprocedure rechtmatig verblijf heeft om zo de uitkomst van die procedure af te kunnen wachten, maar dat de getroffen voorlopige voorziening ‘slechts’ betekent dat de rechtsgevolgen van het terugkeerbesluit worden opgeschort in afwachting van de uitspraak op het beroep en niet dat aan de voorwaarden voor verblijf wordt voldaan in de zin van de Terugkeerrichtlijn. Dat het eiser door middel van de bevriezingsmaatregel evenwel was toegestaan om tot 4 september 2025 in Nederland te blijven, betekent evenmin dat sprake was van rechtmatig verblijf in de zin van de Terugkeerrichtlijn. De minister stelt namelijk terecht dat de bevriezingsmaatregel niet betekende dat de tijdelijke bescherming onder de RTB werd verlengd, maar dat eiser feitelijk nog gebruik kon maken van de rechten die hij onder de RTB had. Dit is dus niet meer dan een tijdelijke opschorting. De beroepsgrond slaagt niet.
15. Het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt evenmin. De rechtbank overweegt dat de Afdeling in de eerdergenoemde uitspraken van 23 april 2025, onder verwijzing naar haar eerdere uitspraak van 17 januari 2024, heeft geoordeeld dat de minister geen toezeggingen heeft gedaan waaruit derdelanders mochten afleiden dat hun tijdelijke bescherming pas zou eindigen als de maximale duur daarvan was bereikt.8 De Afdeling heeft overwogen dat geen reden bestaat om op dit punt tot een ander oordeel te komen. In de uitspraak van 17 januari 2024 heeft de Afdeling daarnaast nog geoordeeld dat de minister geen gegronde verwachtingen heeft gewekt dat derdelanders altijd hetzelfde zouden worden behandeld als andere ontheemden uit Oekraïne die tijdelijke bescherming hebben gekregen.9 De rechtbank is het eens met deze uitspraken van de Afdeling en neemt de inhoud daarvan over.
onder 6.
7 Zie het arrest van het Hof van 19 juni 2018, ECLI:EU:C:2018:465, r.o. 44 e.v. en de uitspraak van de Afdeling van 8 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1530, r.o. 8 en 9.
onder 6.
Unierechtelijke beginselen
16. Naar het oordeel van de rechtbank is het terugkeerbesluit niet in strijd met de door eiser gestelde Unierechtelijke beginselen. De rechtbank overweegt ten aanzien van het beginsel van non-refoulement dat het Hof in het arrest Ararat van 17 oktober 2024 heeft geoordeeld dat artikel 5 van Pro de Terugkeerrichtlijn de bevoegde nationale autoriteit verplicht om in alle fasen van de terugkeerprocedure het beginsel van non-refoulement te eerbiedigen. De rechtbank vindt voor dit toetsingskader ook aansluiting bij de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 2 september 2025.10 Hieruit volgt dat de minister op basis van wat een vreemdeling aanvoert en op basis van het dossier en informatie over het land van herkomst een geactualiseerde refoulementbeoordeling moet maken. Dat betekent dat hij er zich van moet vergewissen dat de betrokken vreemdeling bij terugkeer naar zijn land van herkomst geen reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van Pro het EVRM of artikel 4 van Pro het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (het Handvest). Anders dan dat eiser stelt heeft de minister in zijn besluitvorming voldoende onderzoek verricht naar de risico’s die eiser bij terugkeer naar Marokko zou kunnen lopen. Zo heeft de minister in zijn besluitvorming, in overeenstemming met het arrest Ararat van het Hof, een beoordeling gemaakt van de risico’s die eiser bij terugkeer naar zijn land van herkomst zou kunnen lopen. In dit kader heeft de minister gesteld dat eiser niet voldoende heeft onderbouwd waarom hij bij terugkeer naar Marokko een reëel risico op ernstige schade loopt. De enkele stelling van eiser dat hij door zijn tatoeages vreest voor religieuze en culturele conflicten, mocht de minister onvoldoende vinden om die vrees aannemelijk te maken. Hiermee is immers niet gebleken van zwaarwegende en op feiten berustende gronden om aan te nemen dat eiser bij terugkeer naar Marokko een reëel risico loopt te worden onderworpen aan de doodstraf, folteringen of onmenselijke of vernederende behandelingen. Het beginsel van non- refoulement staat dus niet in de weg aan het opleggen van een terugkeerbesluit.
17. Ten aanzien van het evenredigheidbeginsel overweegt de rechtbank dat dit beginsel evenmin in de weg staat aan het opleggen van een terugkeerbesluit. Dat eiser onevenredig hard wordt getroffen door het terugkeerbesluit, omdat hij werk heeft in Nederland en al zeven jaar niet in Marokko is geweest, volgt de rechtbank niet. Voor een individuele belangenafweging is namelijk geen plaats, omdat de tijdelijke bescherming op 4 maart 2024 van rechtswege is afgelopen.11 Gelet hierop heeft de minister terecht gesteld dat de op een betrokkene toegespitste beoordeling niet verder gaat dan de beoordeling of terecht is vastgesteld dat de tot dan toe genoten tijdelijke bescherming was gebaseerd op het gegeven dat de derdelander beschikte over een tijdelijke Oekraïense verblijfsvergunning en daarnaast niet op een andere grond aanspraak kan worden gemaakt op tijdelijke bescherming. Indien eiser meent dat hij door zijn werk privéleven in Nederland heeft opgebouwd en aan dat privéleven verblijfsrecht ontleent, kan eiser een daartoe strekkende aanvraag indienen. Indien eiser meent dat het terugkeerbesluit in strijd is met het recht op eerbiediging van zijn privéleven, overweegt de rechtbank dat het enkele gegeven dat eiser rechtmatig verblijf heeft gehad op grond van de RTB niet betekent dat het privéleven dat hij gedurende deze periode heeft opgebouwd in de weg staat aan het vaststellen van het terugkeerbesluit. De minister is immers bevoegd om het tijdelijke verblijfsrecht te beëindigen. In zoverre betekent dit dat de omstandigheid dat eiser werk heeft in Nederland, zich niet verzet tegen het opleggen van een terugkeerbesluit.
9 ECLI:NL:RVS:2024:32, r.o. 10.2.
10 ECLI:NL:RVS:2025:4178, r.o. 13.3.
11 Zie ook ECLI:NL:RVS:2024:32, r.o. 10 tot en met 10.3.
18. Eiser stelt dat hij ten onrechte niet is gehoord voorafgaand aan het opleggen van het terugkeerbesluit. De rechtbank volgt dit niet. Eiser is met het indienen van de zienswijze immers in de gelegenheid gesteld om zijn standpunt uiteen te zetten. Daarmee is voldaan aan het doel van de hoorplicht. De beroepsgrond slaagt niet.
SIS-registratie en vrijwillig vertrek
19. Op grond van artikel 3, eerste lid, van de Verordening 2018/186012 voeren de lidstaten in het SIS signaleringen in van onderdanen van derde landen aan wie een terugkeerbesluit is opgelegd om te verifiëren of aan de terugkeerverplichting is voldaan en om de tenuitvoerlegging van terugkeerbesluiten te ondersteunen. Wanneer een terugkeerbesluit wordt uitgevaardigd, wordt onverwijld een signalering inzake terugkeer in het SIS ingevoerd.
20. De rechtbank stelt vast dat deze bepaling lidstaten verplicht om iedere vreemdeling met een terugkeerbesluit te signaleren in het SIS. Daarom is de minister verplicht om in het geval van eiser het terugkeerbesluit te registreren. Het verzoek van eiser om een termijn voor vrijwillig vertrek, omdat daardoor een SIS-registratie achterwege blijft, verandert niets aan de vaststelling van zijn illegale verblijf en aan de verplichting en bevoegdheid van de minister om een terugkeerbesluit te nemen, zoals de rechtbank heeft overwogen onder rechtsoverweging 14. In het geval van eiser wordt het terugkeerbesluit dus verplicht in het SIS gesignaleerd. De rechtbank merkt tot slot nog op dat de SIS-registratie verdwijnt nadat eiser heeft voldaan aan zijn terugkeerplicht.

Conclusie en gevolgen

21. Het beroep tegen het besluit van 7 februari 2024 is niet-ontvankelijk. Het beroep tegen het besluit van 28 juli 2025 is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en dat het terugkeerbesluit in stand blijft. Eiser moet daarom binnen de gestelde termijn terugkeren naar Marokko.
22. Omdat de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep gericht tegen het besluit van 7 februari 2024 het gevolg is van de intrekking van dat besluit, ziet de rechtbank aanleiding om de minister te veroordelen in de proceskosten die eiser heeft moeten maken. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 934,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor van 1).
22. Bij uitspraak van 4 april 2024 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank in de zaak NL24.10081 de voorziening getroffen dat het verboden is om eiser uit te zetten. Met deze uitspraak vervalt deze voorziening van rechtswege op grond van artikel 8:85, tweede lid, van de Awb.
12 Verordening (EU) 2018/1860 van het Europees Parlement en de Raad van 28 november 2018 betreffende het gebruik van het Schengeninformatiesysteem voor de terugkeer van illegaal verblijvende onderdanen van derde landen.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep tegen het besluit van 7 februari 2024 niet-ontvankelijk;
  • verklaart het beroep tegen het besluit van 28 juli 2025 ongegrond; en
  • veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Catsburg, rechter, in aanwezigheid van mr. W.J.T.
Twijnstra, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 8 januari 2026.
De griffier De rechter
Afschrift verzonden naar partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.