Eiser, een Marokkaanse derdelander die tijdelijk in Nederland verbleef op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming vanwege de oorlog in Oekraïne, kreeg een terugkeerbesluit opgelegd nadat zijn tijdelijke bescherming was beëindigd. Hij voerde aan dat het terugkeerbesluit prematuur was, dat het vertrouwensbeginsel was geschonden, en dat het besluit in strijd was met Unierechtelijke beginselen zoals non-refoulement en het evenredigheidsbeginsel.
De rechtbank oordeelde dat het terugkeerbesluit van 28 juli 2025 niet prematuur was, omdat de tijdelijke bescherming op 4 maart 2024 was geëindigd. De voorlopige voorziening die eiser had gekregen, gaf slechts procedureel rechtmatig verblijf en stond niet in de weg aan het opleggen van het terugkeerbesluit. Het beroep op het vertrouwensbeginsel werd verworpen, mede gelet op eerdere uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak.
Verder concludeerde de rechtbank dat het terugkeerbesluit niet in strijd is met het non-refoulementbeginsel, omdat de minister voldoende onderzoek had gedaan naar de risico’s bij terugkeer naar Marokko. Ook het evenredigheidsbeginsel bood geen grond om het besluit te vernietigen, aangezien de tijdelijke bescherming was geëindigd en een individuele belangenafweging niet aan de orde was.
De rechtbank bevestigde dat de minister verplicht was het terugkeerbesluit in het Schengen Informatie Systeem (SIS) te registreren en wees het verzoek van eiser om een vrijwillige vertrektermijn af. Het beroep tegen het eerdere terugkeerbesluit van 7 februari 2024 werd niet-ontvankelijk verklaard vanwege intrekking van dat besluit. De minister werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van € 934,- aan eiser.