ECLI:NL:RBDHA:2026:20112

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
7 juli 2026
Publicatiedatum
20 juli 2026
Zaaknummer
24/3724
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 110 VWEUArt. 267 VWEUArt. 47 Handvest van de grondrechten van de Europese UnieArt. 20 AWRArt. 7 Wet bpm
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering naheffingsaanslag bpm wegens onjuiste CO2-uitstoot en correcte toepassing Unierecht

Eiser heeft beroep ingesteld tegen een naheffingsaanslag bpm opgelegd door de Belastingdienst voor de registratie van een gebruikte auto uit Zwitserland. De naheffingsaanslag bedroeg oorspronkelijk € 9.229 inclusief belastingrente. De rechtbank heeft het beroep behandeld en onderzocht of de naheffingsaanslag terecht en correct was opgelegd.

De rechtbank oordeelt dat de door verweerder gehanteerde CO2-uitstoot van 202 gram per kilometer onjuist was en dat de juiste uitstoot 174 gram per kilometer bedraagt. Op basis hiervan moet de naheffingsaanslag worden verminderd tot € 4.889. Verder is vastgesteld dat verweerder de naheffingsaanslag terecht heeft opgelegd en dat de belastingplichtige voldoende gelegenheid heeft gehad om gehoord te worden, ondanks dat de gemachtigde niet op de uitnodigingen is ingegaan.

De rechtbank wijst de stellingen van eiser af dat de naheffing in strijd is met het Unierecht, dat prejudiciële vragen aan het HvJ EU gesteld hadden moeten worden, en dat de Scandinavische rekenmethode toegepast had moeten worden. Ook wordt het beroep op schending van het verdedigingsbeginsel en discriminatie van soortgelijke voertuigen verworpen. De naheffingsaanslag wordt verminderd en het betaalde griffierecht wordt aan eiser vergoed. De immateriële schadevergoeding en proceskostenvergoeding worden behandeld in een samenhangende zaak.

Uitkomst: De naheffingsaanslag bpm wordt verminderd tot € 4.889 en het betaalde griffierecht wordt aan eiser vergoed.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Team belastingrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/3724

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 juli 2026 in de zaak tussen

[eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: A.F.M.J. Verhoeven),
en

de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiser ter zake van de registratie van een motorvoertuig met dagtekening 4 augustus 2023 een naheffingsaanslag belasting van personenauto's en motorrijwielen (bpm) opgelegd ter hoogte van € 9.229. Er is daarbij een bedrag van
€ 101 aan belastingrente in rekening gebracht.
Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 23 februari 2024 het bezwaar ongegrond verklaard en geen proceskosten vergoed.
Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 23 februari 2024 de naheffingsaanslag gehandhaafd. Verweerder heeft daarbij geen proceskosten aan eiser vergoed of ambtshalve teruggaaf verleend.
Eiser heeft daartegen beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Indien en voor zover partijen vóór de zitting nadere stukken hebben ingediend zijn deze stukken telkens in afschrift verstrekt aan de wederpartij.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 februari 2026. Op verzoek van partijen heeft de zitting digitaal plaatsgevonden via een MS Teams-verbinding (te weten een geluidsverbinding met beeld). Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde A.F.M.J. Verhoeven. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door
[naam 1] , [naam 2] en [naam 3] .

Overwegingen

Feiten
1. Eiser heeft een aangifte bpm ingediend met dagtekening 9 maart 2023, voor de registratie van een gebruikte Opel Corsa uit Zwitserland, waarvan het voertuigidentificatienummer eindigt op [nummer] (hierna: de auto), in het kentekenregister. De registratie is op 17 juni 2024 voltooid door tenaamstelling van het Nederlandse kenteken
[kenteken] . De auto is op 1 april 2024 gekeurd door de Dienst Wegverkeer (RDW).
2. In de aangifte bpm zijn onder meer de volgende gegevens betreffende de auto vermeld.
Datum eerste toelating
22-03-2018
CO2-uitstoot
174 gr/km NEDC
Netto catalogusprijs inclusief accessoires en opties
€ 18.786
Bruto bpm
€ 18.089
Historische nieuwprijs cf. taxatierapport
€ 39.046
Handelsinkoopwaarde cf. taxatierapport
€ 2.000
Verschuldigde bpm
€ 926
3. Bij de aangifte bpm is een taxatierapport gevoegd van Leitex Auto Taxaties en ondertekend door [naam 4] . Daarin is vermeld dat de auto fysiek is opgenomen op 8 maart 2022 tussen 14:01 en 14:21 uur te Leiden. Verder is daarin vermeld dat de auto in onbeschadigde staat een handelsinkoopwaarde heeft van € 12.708 waarvan een deel van de reparatiekosten is afgetrokken, vastgesteld op € 2.537,79 inclusief btw. Bij het taxatierapport is de inkoopfactuur of de inkoopverklaring van de auto niet gevoegd.
4. Verweerder verwerpt het taxatierapport van eiser, met de reden dat het rapport niet voldoet aan artikel 10 Wet Pro bpm jo. artikel 8, vierde lid, onderdeel b, Uitvoeringsregeling bpm. Bij het rapport is namelijk geen inkoopfactuur of inkoopverklaring bijgevoegd. Daarnaast heeft de taxateur niet onderbouwd hoe tot de handelsinkoopwaarde is gekomen en is er op de foto’s van de auto geen schade te zien, aldus verweerder. Verweerder heft na met behulp van de forfaitaire afschrijvingstabel.
5. De aangifte van de auto is door verweerder geselecteerd voor een nadere controle. De auto is op 6 april 2022 bekeken door Domeinen Roerende Zaken (DRZ). In het verslag van DRZ zijn onder meer de volgende gegevens vermeld die afwijken van de gegevens in de aangifte.
Datum eerste toelating
22-03-2018
CO2-uitstoot
202 gr/km NEDC
Netto catalogusprijs inclusief accessoires en opties
€ 18.786
Consumentenprijs (historische nieuwprijs)
€ 39.046
Laagste handelsinkoopwaarde zonder schade
€ 13.126 (
koerslijst Autotelex Pro)
Bruto schadecalculatie
€ 0
Vastgestelde waardevermindering door schade
€ 0
Handelsinkoopwaarde
€ 13.126
6. Bij brief van 2 juni 2023 heeft verweerder aan eiser het voornemen kenbaar gemaakt om bpm na te heffen. Uitgaande van de gegevens van DRZ heeft verweerder de verschuldigde bpm bepaald op € 10.124. Na aftrek van de voldane bpm (€ 926), resteert een te betalen bedrag van € 9.198. Eiser heeft geen gebruik gemaakt van de geboden gelegenheid om binnen drie weken te reageren op het voornemen. Verweerder heeft eiser op 11 juli 2023 medegedeeld de naheffingsaanslag op te leggen. Daarop heeft verweerder de naheffingsaanslag conform zijn voornemen opgelegd.
Geschil
7. In geschil is of de naheffingsaanslag terecht en tot op de juiste hoogte is opgelegd.
8. Eiser heeft in beroep de volgende grieven naar voren gebracht:
Verweerder heeft onvoldoende onderkend dat aanslagen als de onderhavige worden beheerst door het recht van de Europese Unie. Eiser acht de opgelegde naheffingsaanslag daarmee in strijd. In dit licht heeft eiser ook benadrukt dat de rechtbank met betrekking tot deze geschilpunten gehouden is prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie;
Uitlegging van de Hoge Raad over diverse door eiser in eerdere procedures ingenomen standpunten, zoals de mogelijkheid na te heffen na het belastbaar feit, de schending van het verdedigingsbeginsel en de bewijslastverdeling acht eiser onverbindend en rechtsongeldig, omdat de rechtmatigheid van artikel 81 lid 1 RO Pro in geschil is door de ABRvS (13 december 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4632);
Alle nationale bepalingen inzake de bpm zijn volgens eiser in kennelijke strijd met het recht van de Unie;
Het hoorrecht in de bezwaarfase is geschonden;
De rechten van eiser, die kunnen worden ontleend aan het verdedigingsbeginsel, zijn geschonden;
Het opleggen van een naheffingsaanslag nadat het belastbare feit zich heeft voorgedaan is – gegeven het bepaalde in artikel 110 het Pro Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna: VWEU) – niet toegestaan;
Eiser is niet degene op wiens naam het kenteken wordt gesteld. Hierdoor is de naheffingsaanslag aan de verkeerde belastingplichtige opgelegd waardoor de naheffingsaanslag vernietigd moet worden. Daarvoor verwijst eiser naar de uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 10 januari 2017;
Het forfaitaire afschrijvingspercentage waarmee verweerder rekent is te laag en verweerder heeft gerekend met een te hoge CO2-uitstoot;
Verweerder had gebruik moeten maken van de Scandinavische rekenmethode. Eiser verwijst daarvoor naar de uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 15 maart 2022 (ECLI:NL:GHARL:2022:1963);
De naheffingsaanslag dient te worden verminderd wegens discriminatie van soortgelijke voertuigen;
Verweerder heeft onterecht een belastingcontrole uitgevoerd;
Eiser heeft recht op vergoeding van de werkelijke proceskosten in bezwaar.
Eiser concludeert daarom tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en herroeping van de naheffingsaanslag. Subsidiair concludeert eiser tot vermindering van de naheffingsaanslag. Eiser verzoekt om vergoeding van de werkelijk gemaakte proceskosten en om vergoeding van het griffierecht alsmede van wettelijke rente over de proceskosten en het betaalde griffierecht. Tevens verzoekt eiser om vergoeding van de immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn van berechting.
9. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.
10. Voor het overige verwijst de rechtbank naar de gedingstukken.
Beoordeling van het geschil
De toepasselijkheid van het Europees recht en de gevolgen daarvan (grief a)
11. Eiser heeft ter onderbouwing van de grieven veelvuldig een beroep gedaan op het Europees recht, met name op artikel 110 van Pro het VWEU. Eiser heeft daarbij het standpunt ingenomen dat het de nationale rechter niet vrijstaat een uitleg te geven aan het Unierecht zonder daaromtrent prejudiciële vragen voor te leggen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ EU). Dit geldt in de optiek van eiser evenzeer indien sprake is van een zogenaamde ‘acte claire’. De rechtbank onderschrijft dit standpunt van eiser niet. Een verplichting tot het stellen van prejudiciële vragen geldt ingevolge artikel 267 van Pro het VWEU slechts voor het gerecht dat in hoogste instantie rechtspreekt, zoals ook blijkt uit het door eiser genoemde arrest Cilfit (283/81). Een dergelijke verplichting geldt in beginsel niet voor de gerechtelijke instanties op lagere niveaus. De daarop geldende uitzondering, neergelegd in het arrest Foto-Frost (314/85) ziet op de situatie waarin de verwijzende rechter van oordeel is dat een handeling van een Europese instelling nietig is. Die situatie doet zich hier niet voor.
12. Het vorenstaande betekent dat de rechtbank in het hierna volgende per grief zal beoordelen of er aanleiding bestaat prejudiciële vragen te stellen aan het HvJ EU. De rechtbank zal daarbij ook meewegen of sprake is van een ‘acte claire’, dit wil zeggen een situatie waarin de betreffende Europeesrechtelijke bepaling dusdanig helder is geformuleerd dat redelijkerwijs geen twijfel kan bestaan over de uitleg of het toepassingsbereik van die bepaling. Voor de visie van eiser dat ook in geval van een ‘acte claire’ het stellen van prejudiciële vragen geïndiceerd kan zijn ziet de rechtbank geen aanknopingspunten. Evenmin volgt de rechtbank eiser in diens betoog dat reeds de vraag of sprake is van een rechtsvraag die zich leent voor het stellen van prejudiciële vragen aan het HvJ EU er toe dient te leiden dat deze vragen moeten worden gesteld.
De stelling dat de arresten van de Hoge Raad niet kunnen worden gevolgd (grief b)
13. Het betoog van eiser, dat de Hoge Raad niet bevoegd is Unierechtelijke regelgeving te beoordelen en dat deze jurisprudentie daarom ‘onverbindend en rechtsongeldig’ is, onderschrijft de rechtbank niet. Daarbij wijst de rechtbank er op, onder verwijzing naar de conclusie van advocaat-generaal Szpunar in de zaak Minea (ECLI:EU:C:2015:74), dat in zijn algemeenheid het Hof van Justitie in het kader van een prejudiciële procedure niet beoordeelt of concrete bepalingen van het nationale recht van de lidstaten in overeenstemming zijn met het Unierecht, maar zich beperkt tot een uitlegging van het Unierecht op basis waarvan de nationale rechterlijke instanties zich vervolgens over die verenigbaarheid kunnen uitspreken. Dat de Hoge Raad in onderhavig geval buiten zijn bevoegdheden is getreden is door eiser niet of althans onvoldoende aannemelijk gemaakt.
De gestelde onverenigbaarheid van de heffing van bpm met het Unierecht (grief c)
14. In dit kader heeft eiser betoogd dat sprake is van een relevant verschil in heffingsmodaliteiten, nu de verschuldigde belasting reeds bij het doen van de aangifte bpm voldaan dient te worden, terwijl voor binnenlandse auto’s een eventuele restantbelasting, die nog drukt op binnenlandse gebruikte auto’s die voorheen op grond van de Wet bpm van de heffing waren vrijgesteld, eerst wordt voldaan bij de voltooiing van de registratie in het kentekenregister (de tenaamstelling). Volgens eiser volgt onder meer uit Grundig Italiana Spa, C-68/96 (HvJ EU 17 juni 1998, ECLI:NL:EU:C:1998:299), reeds dat een belastingstelsel een discriminerend karakter heeft, wanneer sprake is van een verschil in heffingsmodaliteiten. Verweerder betwist dat er een verschil in heffingsmodaliteiten bestaat.
15. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 26 maart 2021 (ECLI:NL:HR:2021:415) geoordeeld dat het systeem van de Wet bpm, namelijk dat de belasting moet worden betaald voordat het belastbare feit (de tenaamstelling) zich voordoet, niet in strijd is met artikel 110 van Pro het VWEU. De rechtbank heeft, na bestudering van de door eiser aangehaalde jurisprudentie van het HvJ, geen aanknopingspunten kunnen vinden dat hierin anders moet worden geoordeeld dan door de Hoge Raad op 26 maart 2021 is gedaan.
16. De rechtbank acht bovenstaand oordeel in lijn met de Unierechtelijke jurisprudentie, zodat het voor het doen van uitspraak niet noodzakelijk is op dit punt het HvJ te verzoeken prejudiciële vragen te beantwoorden met betrekking tot de door eiser opgeworpen rechtsvraag. De rechtbank ziet geen redenen om te twijfelen aan de juistheid van de toepassing door de Hoge Raad van artikel 110 van Pro het VWEU, gegeven de uitleg die het HvJ daaraan heeft gegeven in zijn jurisprudentie.
17. Anders dan eiser betoogt doet zich, bij de inschrijving in het kentekenregister van gebruikte uit andere lidstaten afkomstige voertuigen en de daarmee verbonden heffing van bpm, niet de situatie voor dat de bij de vaststelling van de grondslag van de berekende belasting waarderingsfactoren in aanmerking worden genomen die een waardeverschil ten opzichte van het overeenkomstige nationale product creëert of vergroot. Het heffingsmoment, de registratie in het kentekenregister, is immers bij dat overeenkomstige nationale product over het algemeen de datum van eerste toelating in Nederland. Op dat moment zijn er eenvoudigweg nog geen waarde verminderende factoren die tot een lagere heffing kunnen leiden. Dat in de spaarzame gevallen waarin een binnenlands product wel op een later moment aan de heffing wordt onderworpen – zoals bijvoorbeeld bij voormalige taxi’s - een waarderingsmethode wordt gehanteerd die afwijkt van de methode die wordt gebruikt bij geïmporteerde voertuigen is gesteld noch gebleken.
18. Ook het betoog van eiser dat sprake is van een ‘exclusieve bevoegdheid van de Gemeenschap’, waardoor elk optreden van een lidstaat op hetzelfde domein a priori in strijd is met het Verdrag, snijdt geen hout. De heffing van belastingen betreft immers geen exclusieve bevoegdheid van enig Unierechtelijk orgaan.
De verplichting eiser te horen naar aanleiding van het bezwaarschift (grief d)
19. Eiser stelt dat verweerder in bezwaar de hoorplicht heeft geschonden. De rechtbank leidt uit de stukken in het dossier af dat eiser voorafgaand aan het doen van uitspraak op bezwaar twee keer is uitgenodigd voor een hoorgesprek op 17 oktober 2023, namelijk bij brieven van 19 september 2023 en 25 september 2023. Deze brieven zijn per aangetekende post aan de gemachtigde van eiser gezonden. Deze aangetekende poststukken zijn door gemachtigde geweigerd en vervolgens retour ontvangen door verweerder. De brieven zijn ook per gewone post aan gemachtigde gezonden. Verweerder heeft de dossiers ook digitaal aan gemachtigde aangeboden. Verweerder heeft ook per e-mail een uitnodiging gestuurd voor het hoorgesprek via WebEx. Gemachtigde van eiser heeft niet ingelogd via WebEx om deel te nemen aan het hoorgesprek.
20. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder eiser voldoende gelegenheid geboden om te worden gehoord. Gemachtigde heeft hier geen gehoor aan gegeven. Dat gedurende de bezwaarfase geen hoorgesprek heeft plaatsgevonden komt dan ook voor rekening en risico van eiser. Van schending van de hoorplicht is daarom geen sprake.
De gestelde schendingen van het verdedigingsbeginsel (grief e)
21. Eiser stelt dat verweerder de naheffingsaanslagen in strijd met artikel 47 Handvest Pro van de grondrechten van de Europese Unie (HGEU) heeft opgelegd, nu eiser daaraan voorafgaand niet in de gelegenheid is gesteld mondeling te reageren. Het door eiser bedoelde recht om te worden ‘gehoord’ voordat een voor eiser nadelig besluit wordt genomen houdt in dat de betrokkene de gelegenheid wordt geboden het standpunt over een voorgenomen bezwarend besluit naar behoren kenbaar te maken. Uit het Unierecht vloeit niet voort dat het bij een bestuursorgaan naar voren brengen van een zienswijze over een voorgenomen bezwarend besluit, alleen naar behoren kan plaatsvinden indien dit mondeling geschiedt. Het Unierecht schrijft immers niet voor in welke vorm (mondeling of schriftelijk) de belanghebbende deze zienswijze aan het bestuursorgaan kenbaar moet kunnen maken mits de vorm waarvoor het bestuursorgaan kiest geen hindernis vormt van het recht gebruik te maken. Dit betekent dat indien eiser is uitgenodigd om schriftelijk een standpunt kenbaar te maken en eiser in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van die mogelijkheid aan de eisen van het Unierecht is voldaan.
22. In het onderhavige geval heeft eiser, met dagtekening 17 mei 2022 en respectievelijk 14 juni 2022, een zogenaamde ‘Kennisgeving naheffingsaanslag bpm’ en ‘Mededeling naheffingsaanslag bpm’ gekregen. Daarbij is eiser in de gelegenheid gesteld om daarop te reageren. Eiser heeft naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid gebruik kunnen maken van die mogelijkheid. Dat eiser kennelijk ervoor heeft gekozen om dit niet te doen, blijft voor eisers rekening. De conclusie dat sprake is van een schending van het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel (artikel 47 HGEU Pro) kan nier niet aan worden ontleend. De verwijzing van eiser naar artikel 47 HGEU Pro maakt vorenstaande niet anders. Deze bepaling waarborgt het recht op een eerlijk proces en een onpartijdig gerecht en niet het recht op een mondelinge toelichting voorafgaand aan het opleggen van een naheffingsaanslag. De verwijzing van eiser naar artikel 7:2 van Pro de Awb biedt voor een dergelijke verplichting ook geen grondslag. Deze nationaal rechtelijke bepaling heeft betrekking op de bezwaarfase en niet op de periode voorafgaande aan de besluitvorming. In laatstgenoemde fase gaat het erom dat een bestuursorgaan de nodige zorgvuldigheid in acht neemt bij de voorbereiding van zijn besluit. Deze verplichting is neergelegd in artikel 3:2 van Pro de Awb. Vormvereisten zijn daarin – anders dan voor de bezwaarfase – niet gegeven. Een tweemaal gegeven mogelijkheid om schriftelijk te reageren acht de rechtbank niet in strijd met dat zorgvuldigheidvereiste. Voor het stellen van prejudiciële vragen op dit punt bestaat, gegeven de hierboven weergegeven gang van zaken, geen aanleiding.
De bevoegdheid van verweerder een naheffingsaanslag op te leggen (grief f)23. De stelling van eiser dat te weinig geheven bpm niet kan worden nageheven nadat voor een gebruikt (vanuit een andere lidstaat naar Nederland overgebracht) motorvoertuig het belastbare feit (registratie in het Nederlandse kentekenregister) zich heeft voorgedaan, faalt op de gronden vermeld in overweging 2.2 van het arrest van de Hoge Raad van 22 maart 2019 (ECLI:NL:HR:2019:393. Het is evenmin in strijd met het Unierecht om belastingplichtigen te verplichten het juiste bedrag aan registratiebelasting te voldoen voordat de registratie plaatsvindt. Het hierboven weergegeven antwoord op deze rechtsvraag ziet de rechtbank als een zogenaamde ‘acte claire’, zodat er geen aanleiding bestaat prejudiciële vragen te stellen met betrekking tot dit onderdeel van het beroep. De rechtbank merkt in dit verband ook op dat de vergaande interpretatie van eiser van artikel 110 VWEU Pro ook tot gevolg zou hebben dat een belastingheffend orgaan dat een onjuiste aangifte ontvangt geen gebruik zou kunnen maken van de wettelijke mogelijkheid dat middels een corrigerende (naheffings-)aanslag recht te trekken. Het heffingssysteem van aangifte en voldoening - dat ook bij bijvoorbeeld de veelvuldig aan het Unierecht getoetste omzetbelasting wordt gebruikt - brengt immers met zich mee dat het belastbare feit, gevolgd door het in de aangifte neer te leggen standpunt van de belastingplichtige daaromtrent, het startpunt van de heffing is.
De tenaamstelling van de aanslag (grief g)
24. De rechtbank stelt vast dat de aanslag is opgelegd aan eiser, zijnde degene die de inschrijving in het kentekenregister heeft aangevraagd. Dit is in overeenstemming met artikel 20, tweede lid, van de AWR in samenhang met artikel 7 van Pro de Wet bpm.
Het door verweerder gehanteerde afschrijvingspercentage en CO2-uitstoot (grief h)
25. Eiser heeft betoogd dat het forfaitaire afschrijvingspercentage waarmee verweerder rekent te laag is en dat de forfaitaire afschrijvingstabel die verweerder hanteert in strijd is met het Unierecht.
26. Verweerder heeft het afschrijvingspercentage van 67,25% in het onderhavige geval ontleend aan de forfaitaire afschrijvingstabel. Eiser verdedigt een afschrijvingspercentage van 67,85% en baseert zich daartoe op de aanname dat verweerder de verkeerde historische nieuwprijs heeft gehanteerd in zijn berekeningen. Verweerder past in zijn berekeningen een historische nieuwprijs van € 39.046 toe. Dit had het bedrag van € 40.821 moeten zijn. Het afschrijvingspercentage zou dus hoger moeten komen te liggen, aldus eiser.
27. Verweerder heeft de naheffingsaanslag gebaseerd op een CO2-uitstoot van de auto van 202 gram per kilometer, volgens de NEDC-methode. Eiser stelt dat verweerder uit had moeten gaan van een CO2-uitstoot van 174 gram per kilometer (NEDC). Daartoe verwijst eiser naar het bij het beroepschrift gevoegde Certificaat van Overeenstemming (CVO). Daaruit volgt een uitstoot van 174 gram. Eiser stelt dat de te betalen bpm verminderd dient te worden. Gezien het feit dat er € 926 op aangifte betaald is, moet de naheffingsaanslag verminderd worden tot een bedrag van € 4.890, aldus eiser.
28. Ter zitting verklaart verweerder uit te zijn gegaan van een uitstoot van 202 gram, aangezien die uitstoot ten tijde van het opleggen van de naheffingsaanslag bij de RDW bekend was. Verweerder stelt dat de berekening van eiser juist is, maar benadrukt dat eiser de correcte gegevens eerder bij de RDW had moeten indienen.
29. De rechtbank overweegt als volgt. De rechtbank stelt vast dat de correcte CO2-uitstoot van de auto in openbare bronnen inmiddels is bijgesteld van 202 gram naar 174 gram. Verweerder stelt in zijn nadere stuk van 5 februari 2026 dat de naheffingsaanslag verminderd dient te worden tot een bedrag van € 4.889, met verwijzing naar zijn berekening in de bijlage. De rechtbank acht deze berekening juist en neemt deze over. De grief van eiser slaagt. De rechtbank concludeert dat de naheffingsaanslag verminderd moet worden en dat de in rekening gebrachte belastingrente overeenkomstig verminderd dient te worden.
De Scandinavische rekenmethode (grief i)
30. Eiser heeft betoogd dat verweerder bij de vaststelling van de omvang van de CO²-uitstoot van de auto gebruik had moeten maken van de zogenaamde ‘Scandinavische berekeningsmethode’. De rechtbank volgt eiser hierin niet. Uitgangspunt bij de bepaling van de CO²-uitstoot vormt artikel 6a van de Uitvoeringsregeling bpm. Het eerste en tweede lid van dit artikel luiden als volgt (tekst 2025).
1Voor de toepassing van
artikel 9, dertiende en veertiende lid, van de wet (https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0005806&artikel=9&g=2025-07-15&z=2025-07-15)blijkt de CO2-uitstoot van een personenauto of een bestelauto in gram per kilometer uit het kentekenregister.
2Indien de CO2-uitstoot van een personenauto of een bestelauto in gram per kilometer niet blijkt uit het kentekenregister blijkt de CO2-uitstoot in gram per kilometer uit:
a. de voor de auto verleende typegoedkeuring, bedoeld in
artikel 22 van Pro de Wegenverkeerswet 1994 (https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=22&g=2025-07-15&z=2025-07-15), dan wel het door de fabrikant ter zake afgegeven certificaat van overeenstemming;
b. indien voor de auto geen typegoedkeuring is verleend, en ter zake evenmin een certificaat van overeenstemming is afgegeven: de voor de auto verleende individuele goedkeuring, bedoeld in
artikel 26 van Pro de Wegenverkeerswet 1994 (https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0006622&artikel=26&g=2025-07-15&z=2025-07-15);
c. indien voor de auto geen typegoedkeuring is verleend, geen certificaat van overeenstemming is afgegeven en ook geen individuele goedkeuring is verleend: een testrapport van een individuele keuring van de auto, waarbij de CO2-uitstoot is gemeten overeenkomstig de ter zake in het kader van de Europese Unie tot stand gekomen geldende voorschriften;
d. in andere gevallen dan bedoeld in de onderdelen a, b en c: een goedkeuring van de auto waaruit de CO2-uitstoot van de auto blijkt, gemeten overeenkomstig de voorschriften van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties, dan wel een gelijkwaardig internationaal reglement.
31.
Uit de redactie van deze bepaling blijkt dat voor de vaststelling van de uitstoot sprake is van een rangorde, waarbij aan een methode eerst wordt toegekomen indien de eerdergenoemdemethodes niet tot een vaststelling hebben kunnen leiden.
32.
In het onderhavige geval dient daarom met toepassing van het eerste lid het kentekenregister in het land van de eerste toelating als leidend te worden beschouwd. Bij gebreke aan de gegevens uit het kentekenregister dient in eerste instantie te worden teruggevallen aan een typegoedkeuring te ontlenen gegevens en daarna indien nodig op het zogenaamde ‘Certificaat van overeenstemming’. Voorts dient te worden bezien of een testrapport van de betreffende auto soelaas biedt. Indien dat allemaal niet het geval is, zijn de onder d genoemde metingen aan de orde. Niet valt uit te sluiten dat de door eiser verdedigde Scandinavische rekenmethode voldoet aan de onder d vermelde voorwaarden, maar dat is eerst aan de orde indien toetsing aan de bronnen, genoemd onder a, b en c, geen resultaat heeft opgeleverd. Daarnaast bestaat natuurlijk de mogelijkheid dat de uitstootwaardes die in de eerste drie bronnen zijn weergegeven zijn gebaseerd op deze berekeningsmethode. Ook dan kan de Scandinavische rekenmethode leiden tot de voor de vaststelling van de Bpm te hanteren CO²-uitstoot van de auto. Voor de door eiser gewenste toepassing van de methode in alle gevallen wanneer dit tot een voor de belastingplichtige gunstiger is, biedt de wet echter geen ruimte. Voor de conclusie dat deze bewijsregels kunnen leiden tot een uitkomst die onverenigbaar is met artikel 110 VWEU Pro ziet de rechtbank geen aanknopingspunten.
Discriminatie van soortgelijke voertuigen (grief j)
33. Het door eiser bestreden en door verweerder gehanteerde percentage berust op de (Bijlage bij de) Uitvoeringsregeling bpm (tekst 2020). Deze regeling is volgens vaste jurisprudentie aanvaardbaar. Verwezen is bijvoorbeeld naar de uitspraak van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 14 juli 2016 (ECLI:NL:GHSHE:2016:2998). Van doorslaggevende betekenis is daarbij geacht dat de regeling een tegenbewijsregeling kent, zodat onder omstandigheden, ook de volledige schade in aanmerking kan worden genomen. In verband met deze tegenbewijsmogelijkheid is volgens deze jurisprudentie ook geen sprake van strijd met artikel 110 VWEU Pro. De rechtbank sluit zich bij dit oordeel aan. In het onderhavige geval is van de mogelijkheid van tegenbewijs geen gebruik gemaakt. Het taxatierapport moet in ieder geval één maand voorafgaand aan de aangifte worden opgemaakt. Daarnaast ontbreken de aankoopnota, de nota van herstel en de reparatienota’s, waardoor de rechtbank geen ruimte ziet om het taxatierapport van eiser te volgen. Bijgevolg sluit de rechtbank aan bij het standpunt van verweerder.
34. Eiser heeft ook aangevoerd dat er een beroep wordt gedaan op de zogeheten herleidingsmethode. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 11 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1134 gezegd dat de herleidingsmethode niet behoort tot de wettelijk toegestane methoden om de vermindering van de bpm te berekenen. De rechtbank sluit zich aan bij dit oordeel.
De belastingcontrole door verweerder (grief k)
35. Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat verweerder een belastingcontrole heeft uitgevoerd, waarvan binnenlandse voertuigen a priori zijn uitgezonderd. Dat is in flagrante strijd met het recht van de Unie, zoals uitgelegd door het Hof van Justitie in zijn arrest van 10 oktober 1978, Hansen en Balle, EU:C:1978:173, r.o. 17 en 18. De aanslag moet vernietigd worden. De rechtbank is, aldus eiser, kennelijk niet bevoegd uitlegging te geven over de draagwijdte en de betekenis van het recht van de Unie en dus van de uitlegging in het arrest Hansen en Balle.
36. De stelling van eiser dat te weinig geheven bpm niet kan worden nageheven nadat voor een gebruikt, vanuit een andere lidstaat naar Nederland overgebracht, motorvoertuig het belastbare feit (registratie in het Nederlandse kentekenregister, na 1 januari 2022 goedkeuring door de RDW) zich heeft voorgedaan, faalt op de gronden vermeld in overweging 2.2 van het arrest van de Hoge Raad van 22 maart 2019 (ECLI:NL:HR:2019:393). Voor zover het standpunt van eisers aldus moet worden verstaan dat bij voldoening op aangifte er voor in Nederland reeds aanwezig voertuigen geen controles plaatsvinden overweegt de rechtbank aanvullend als volgt. Indien belasting die op aangifte moet worden voldaan geheel of gedeeltelijk niet is betaald, kan de inspecteur op grond van artikel 20 van Pro de AWR de te weinig geheven belasting naheffen. Daartoe mag de inspecteur een concrete aangifte aan een controle onderwerpen. Dat geldt zowel voor de registratie van zogenoemde binnenlandse voertuigen als voor de registratie van voertuigen afkomstig uit een andere lidstaat. Van schending van artikel 110 VWEU Pro is dan ook geen sprake. Het is niet in strijd met het Unierecht om belastingplichtigen te verplichten het juiste bedrag aan registratiebelasting te voldoen voordat de registratie plaatsvindt. De rechtbank merkt in dit verband ook op dat de vergaande interpretatie van eiser van artikel 110 VWEU Pro ook tot gevolg zou hebben dat een belastingheffend orgaan dat een onjuiste aangifte ontvangt geen gebruik zou kunnen maken van de wettelijke mogelijkheid dat door middel van een corrigerende (naheffings)aanslag recht te trekken. Het heffingssysteem van aangifte en voldoening dat ook bij bijvoorbeeld de – veelvuldig aan het Unierecht getoetste - omzetbelasting wordt gebruikt, brengt immers met zich dat het belastbare feit, gevolgd door het in de aangifte neer te leggen standpunt van de belastingplichtige daaromtrent, het startpunt van de heffing is.
37. Het hierboven weergegeven antwoord op deze rechtsvraag ziet de rechtbank als een zogenaamde ‘acte claire’, zodat er geen aanleiding bestaat prejudiciële vragen te stellen met betrekking tot dit onderdeel van het beroep. Het beroep dat eiser in dit verband heeft gedaan op het arrest Hansen en Balle gaat naar het oordeel van de rechtbank over een juridisch en feitelijk andere situatie. Voor de algemene conclusie van eiser dat de controle na het doen van aangifte in strijd is met het Unierecht kan in dat arrest geen steun worden gevonden.
De proceskostenvergoeding voor de bezwaarfase (grief l)38. Eiser heeft betoogd dat verweerder in gevallen als deze, indien een aangevochten aanslag niet volledig in stand blijft omdat deze niet in overeenstemming met het Unierecht is opgelegd, gehouden is de ‘werkelijke’ proceskosten van de bezwaarmaker te vergoeden. Daargelaten de vraag of die situatie zich hier voordoet, hetgeen verweerder betwist, brengt de omstandigheid dat de gemachtigde van eiser voor hem optreedt op basis van een zogenaamde ‘no-cure-no-pay-overeenkomst’ met zich dat dergelijke ‘werkelijke’ proceskosten bij gebrek aan facturen en/of betaalbewijzen niet kunnen worden vastgesteld. De grief slaagt dan ook niet.
Conclusie
39. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep gegrond te worden verklaard.
Vergoeding van immateriële schade en griffierecht
40. Bij deze beoordeling gaat de rechtbank uit van samenhang met het beroep van eiser geregistreerd onder nummer SGR 24/23 dat een vrijwel identiek geschil betreft aansluitend en dat op dezelfde zitting is behandeld. De vastgestelde samenhang brengt met zich dat in de voormelde uitspraak de immateriële schadevergoeding en proceskostenvergoeding zijn vervat.
41. Omdat het beroep gegrond is, moet verweerder het door eiser voldane griffierecht van € 187 aan eiser vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt de uitspraak op bezwaar;
  • vermindert de naheffingsaanslag tot € 4.889;
  • draagt verweerder op de in rekening gebrachte belastingrente overeenkomstig te verminderen;
  • draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 187 aan eiser te vergoeden, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf vier weken na openbaarmaking van deze uitspraak tot aan de dag van algehele voldoening;
  • verwijst voor de vergoeding van de immateriële schade en de vergoeding van de proceskosten naar de samenhangende zaak met zaaknummer SGR 24/23.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Walderveen, rechter, in aanwezigheid van
mr. S.W. van de Griend, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op
7 juli 2026.
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift per post verzonden op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Den Haag (belastingkamer) waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
U kunt digitaal beroep instellen via
www.rechtspraak.nl. Daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag.
Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
Bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.
Het hogerberoepschrift moet, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend zijn. Verder moet het ten minste het volgende vermelden.
a. De naam en het adres van de indiener;
b. De datum van verzending;
c. Een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. De redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).