ECLI:NL:RBDHA:2026:19607

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
16 juli 2026
Publicatiedatum
16 juli 2026
Zaaknummer
NL26.14919
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • L.J. van der Veen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 28 Vw 2000Art. 6:22 AwbArt. 3 IVRKArt. 3.58 VbArtikel 10, lid 3, sub b, Procedurerichtlijn
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging afwijzing asielaanvraag wegens onvoldoende onderzoek naar adequate opvang en motiveringsgebrek

Eiser, afkomstig uit Deir ez-Zor, Syrië, diende een asielaanvraag in die door de minister werd afgewezen. De rechtbank oordeelt dat de minister ten onrechte de vrees van eiser voor de algehele veiligheidssituatie niet als asielmotief heeft erkend, maar passeert dit gebrek wegens een standpunt over die vrees in het besluit.

De rechtbank stelt dat de minister de verklaringen van eiser over zijn vrees voor rekrutering niet op de juiste wijze heeft beoordeeld, aangezien deze vrees niet onderdeel is van het asielrelaas en daarom plausibiliteitstoetsing vereist. De minister heeft voldoende landeninformatie betrokken, gebaseerd op het Algemeen Ambtsbericht januari 2026, en de rechtbank ziet geen aanleiding voor een ander oordeel.

De minister mocht concluderen dat eiser niet te vrezen heeft gerekruteerd te worden door Qassad, omdat Deir ez-Zor onder controle staat van het regeringsleger. De rechtbank bevestigt dat de minister de humanitaire situatie terecht buiten beschouwing liet bij de beoordeling van het willekeurig geweld.

Wel oordeelt de rechtbank dat de minister onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de adequate opvang van eiser als minderjarige in Syrië. De minister stelde dat de ouders voor eiser zorgden, maar kon dit niet onderbouwen met een traceerbaar adres. Hierdoor is het besluit onzorgvuldig en moet de minister opnieuw besluiten nemen.

De rechtbank verklaart het beroep gegrond, vernietigt het bestreden besluit en veroordeelt de minister in de proceskosten van €1.868,-.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd wegens onvoldoende onderzoek naar adequate opvang en onvolledige motivering.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.14919

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], V-nummer: [v-nummer], eiser,

(gemachtigde: mr. N. Imminga),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

(gemachtigde: mr. M.A. Lippinkhof).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van Pro de Vw 2000 [1] . Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft een aanvraag ingediend om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft deze aanvraag met het bestreden besluit van 12 maart 2026 in de algemene procedure afgewezen als ongegrond. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld.
2.1.
De rechtbank heeft het beroep op 2 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, een tolk en de gemachtigde van de minister. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas
3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag ten grondslag dat hij is gevlucht vanwege de dienstplicht ten tijde van het regime van Assad. Ook heeft eiser verklaard dat hij bij terugkeer vreest om te moeten vechten voor zijn stam en om bij controleposten gedwongen te worden om voor de Qassad te vechten.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
Identiteit, nationaliteit en herkomst;
Problemen door geweld tussen eisers stam en Qassad.
De minister stelt zich hierover op het standpunt dat de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig zijn. De problemen door geweld tussen eisers stam en Qassad zijn volgens de minister niet geloofwaardig.
Zijn de door de minister genoemde asielmotieven te beperkt?
5. Eiser stelt zich op het standpunt dat de door de minister genoemde asielmotieven te beperkt zijn. Volgens eiser had het motief ‘algehele veiligheidssituatie’ ook door de minister beoordeeld moeten worden. Dit valt ook op te maken uit eisers nader gehoor, correcties en aanvullingen en zienswijze. Daarnaast heeft eiser tijdens het nader gehoor ook verscheidene malen aangegeven te vrezen te zullen worden gerekruteerd en te moeten vechten in het gewapende conflict in Syrië.
5.1.
Ter zitting heeft de minister het standpunt ingenomen dat het voornemen en het besluit standpunten omvatten ten aanzien van zowel de algehele veiligheidssituatie in Syrië als de zwaarwegendheid van de vrees van eiser. De rechtbank oordeelt dat de minister eisers vrees voor de algehele veiligheidssituatie in Syrië ten onrechte niet heeft aangemerkt als asielmotief. Eiser heeft in het nader gehoor immers duidelijk genoemd dat het in Deir ez-Zor nog steeds onveilig is. [2] De rechtbank overweegt echter dat eiser hierdoor niet in zijn belangen is geschaad en dat de minister terecht stelt dat de besluitvorming wel een standpunt omvat ten aanzien van eisers vrees voor de algehele veiligheidssituatie. De rechtbank passeert het gebrek daarom met toepassing van artikel 6:22 Awb Pro. [3]
5.2.
De rechtbank heeft ter zitting ambtshalve aan de orde gesteld of de minister de verklaringen van eiser op de juiste wijze heeft beoordeeld. De minister heeft de verklaringen van eiser immers beoordeeld op geloofwaardigheid, terwijl die verklaringen enkel zien op zijn vrees over wat hem bij terugkeer te wachten staat. Anders dan de minister stelt, maakt deze vrees van eiser geen deel uit van de gebeurtenissen die volgens het asielrelaas hebben plaatsgevonden. De minister kan zich daarom niet op het standpunt stellen dat het vermoeden van eiser over wat hem bij terugkeer naar het land van herkomst te wachten staat, ongeloofwaardig is. In plaats daarvan was de minister gehouden de plausibiliteit van dit vermoeden te beoordelen in het kader van de beantwoording van de vraag of de (eventueel) geloofwaardig geachte feiten en omstandigheden als rechtsgrond voor verlening van voormelde verblijfsvergunning kwalificeren. [4]
5.3.
De rechtbank is van oordeel dat de besluitvorming op dit punt afdoende is. Hoewel de beoordeling van de zwaarwegendheid van de vrees van eiser abusievelijk in het kader van een geloofwaardigheidstoets is gemaakt, omvat het besluit wel een standpunt van de minister ten aanzien van die vrees en de vraag of eisers vrees plausibel wordt geacht. Op de vraag of het standpunt van de minister ten aanzien van eisers vrees toereikend zijn, gaat de rechtbank hieronder in.
Heeft de minister voldoende en zorgvuldig landeninformatie bij zijn besluit betrokken?
6. Eiser stelt dat uit de beslissing in het geheel niet blijkt of en in hoeverre de minister landeninformatie in zijn besluit heeft betrokken. De minister lijkt zich enkel te beroepen op het Ambtsbericht maar kan daarmee niet volstaan. Eiser wijst er op dat Deir ez-Zor door de Verenigde Naties als het zwaarst besmette gebied in Syrië beschouwd, met ongeveer een kwart van de niet-ontplofte munitie van het land. [5] UNHCR heeft in haar Protection Considerations van 1 mei 2026 landen afgeraden om asielvergunningen van Syriërs in te trekken, omdat er nog geen sprake is van voldoende ingrijpende en duurzame wijzigingen van omstandigheden [6] en Amnesty International heeft ook zorgen geuit over de algehele veiligheidssituatie in Syrië. Het besluit is daarom onzorgvuldig en in strijd met de Procedurerichtlijn [7] tot stand gekomen.
6.1.
De rechtbank stelt vast dat de minister de besluitvorming heeft gebaseerd op informatie uit het Algemeen Ambtsbericht van januari 2026. Daarmee heeft de minister landeninformatie bij het besluit betrokken. Eiser zet hier enkel tegenover dat de minister onvoldoende landeninformatie heeft betrokken en onderbouwt dit slechts met een generieke verwijzing naar bronnen. De rechtbank acht dit onvoldoende. De zorgelijke situatie die uit de bronnen van eiser volgt komt immers ook terug in het Ambtsbericht en zonder onderbouwing waarom uit de genoemde bronnen een wezenlijk ander beeld volgt, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat de minister onvoldoende landeninformatie bij de besluitvorming heeft betrokken. Ook het enkele wijzen op het tijdsverloop sinds het Ambtsbericht is in dit kader ontoereikend.
Heeft de minister kunnen concluderen dat eiser niet te vrezen heeft meegenomen te worden door Qassad?
7. Eiser heeft tijdens het nader gehoor herhaaldelijk verklaard dat hij vreest te zullen moeten meevechten in het conflict. Als voorbeeld haalt hij aan dat hij denkt bij de controleposten te zullen worden gerekruteerd. Volgens de minister is de Qassad daar niet aan de macht. Echter, eiser heeft herhaaldelijk aangegeven dat er veel wordt gevochten. Dat de Qassad momenteel niet de feitelijke machthebber is in Deir ez-Zor, doet daar niets aan af. Bovendien dient de minister het samenwerkingsbeginsel te hanteren en in samenwerking met eiser de relevante elementen uit het relaas te halen. De uitleg van de minister is in strijd met het samenwerkingsbeginsel.
7.1.
Uit de beoordeling van de minister is daarnaast niet gebleken welke invloed alle naar voren gebrachte feiten en omstandigheden hebben gehad. De geloofwaardigheid is niet in zijn geheel beoordeeld. Volgens een uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank, dient de minister het relaas in zijn geheel op de geloofwaardigheid te beoordelen en aan te geven welke invloed alle naar voren gebrachte feiten hebben gehad. Bovendien is volgens geldend Unierecht het voldoen aan de cumulatieve voorwaarden uit de werkinstructie 2024/6 niet doorslaggevend om tot de geloofwaardigheid van een asielrelaas te kunnen komen. Het besluit is daarom in strijd met geldend Unierecht.
7.2.
De rechtbank oordeelt dat de minister heeft kunnen concluderen dat eiser niet te vrezen heeft meegenomen te worden door Qassad. Hoewel uit het Ambtsbericht volgt dat rekrutering bij controleposten in het verleden plaatsvond, stelt de minister terecht dat Deir ez-Zor inmiddels onder controle staat van het regeringsleger. Bij gebrek aan onderbouwing van de kant van eiser valt niet in te zien waarom eiser onder die omstandigheden alsnog gerekruteerd zou worden bij zo’n controlepost of waarom de minister niet heeft voldaan aan de samenwerkingsplicht. De enkele stelling dat veel gevochten wordt, volstaat niet.
7.3.
In zoverre eiser stelt dat de minister een onvolledige geloofwaardigheidstoets heeft verricht, verwijst de rechtbank naar r.o. 5.2. en de conclusie dat de vrees van eiser geen deel uitmaakt van de gebeurtenissen die volgens het asielrelaas hebben plaatsgevonden. De cumulatieve voorwaarden uit WI 2024/6 missen hier daarom relevantie.
Heeft de minister kunnen concluderen dat eiser geen gevaar loopt als gevolg van de algemene veiligheidssituatie?
8. Eiser stelt zich op het standpunt dat de minister het toetsingskader van artikel 15c Kwalificatierichtlijn, niet juist heeft toegepast en verwijst daarbij naar uitspraken van deze rechtbank. [8] Eiser stelt zich op het standpunt dat de minister ook in zijn zaak onvoldoende heeft gemotiveerd dat er in Syrië sprake is van een lager niveau van willekeurig geweld. De minister is niet ingegaan op de intensiteit van de gewapende confrontaties, het organisatieniveau van de betrokken strijdkrachten en de duur van het conflict, alsook andere elementen zoals de geografische omvang van het gebied waar het willekeurig geweld plaatsvindt, de daadwerkelijke bestemming van een asielzoeker bij terugkeer en het antwoord op de vraag of de strijdende partijen ook opzettelijk geweld gebruiken tegen burgers.
8.1.
Bovendien ligt Deir ez-Zor op de grens van het nieuwe regime en ‘lost regime territory’ en vindt er volgens Country Guidance van het EUAA willekeurig geweld plaats in Deir ez-Zor. [9] In de regio zijn veel spanningen en ISIL cellen blijven actief in Deir ez-Zor. Volgens ACLED vonden er 638 veiligheidsincidenten plaats, 25.8 per week, in Deir ez-Zor begin 2025, in nog geen half jaar tijd. Dit komt overeen met de verklaringen van eiser tijdens het nader gehoor, waarin hij aangeeft dat er nog altijd gevochten wordt in zijn regio, en dat het zeer onveilig is.
8.2.
Onder verwijzing naar een andere uitspraak van deze rechtbank, stelt eiser dat de minister heeft nagelaten de humanitaire situatie in het kader van artikel 15c te beoordelen, waardoor er sprake is van een motiveringsgebrek. [10] Humanitaire omstandigheden die het directe of indirecte gevolg zijn van het handelen en of nalaten van een actor van ernstige schade die partij is bij een gewapend conflict, moeten als relevante omstandigheid in de globale beoordeling worden betrokken. [11] De minister heeft dit onvoldoende gedaan. Eiser verwijst naar informatie van het Britse Rode Kruis [12] , het ministerie van Buitenlandse Zaken [13] en de Verenigde Naties. [14]
8.3.
De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank overweegt daartoe als volgt. Deze rechtbank en zittingsplaats heeft in de uitspraak van 9 december 2025 een oordeel gegeven over de gradatie van willekeurig geweld in Syrië. [15] Hierin heeft de rechtbank aan de hand van hetgeen was aangevoerd geoordeeld dat er geen aanleiding bestond voor het oordeel dat de minister de situatie in Syrië ten onrechte heeft gekwalificeerd als een 15c-situatie in de laagste gradatie. De rechtbank ziet in hetgeen eiser in deze zaak heeft aangevoerd geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen. De minister heeft uit het meest recente ambtsbericht van januari 2026 terecht geconcludeerd dat dat het aantal geweldsincidenten in Syrië flink is gedaald, dat ook het aantal burgerdoden is afgenomen en dat de dalende trend in geweldsincidenten ook in Deir ez-Zor te zien is. Uit het ambtsbericht van januari 2026 blijkt dat het grootste gedeelte van de provincie Deir ez-Zor onder controle staat van de overgangsregering. Verder is het aantal incidenten met ontplofbare oorlogsresten afgenomen en worden er maatregelen genomen met betrekking tot mijnen. In de verslagperiode was sprake van ontheemding in Deir ez-Zor, maar het is niet duidelijk in hoeverre dit verband hield met conflictgerelateerd geweld. In de verslagperiode keerden echter ook meer dan 84.577 binnenlands ontheemden terug naar hun oorspronkelijke woonplaats in Deir ez-Zor. De minister heeft verder op de zitting terecht toegelicht dat het door eiser in beroep overgelegde rapport van Artsen Zonder Grenzen geen ander beeld laat zien dan al is betrokken bij de 15c-beoordeling. De overige genoemde informatie leidt niet tot een ander oordeel.
8.4.
Ten aanzien van het meewegen van humanitaire omstandigheden verwijst de rechtbank naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 19 mei 2026. [16] Hierin heeft de rechtbank overwogen dat humanitaire omstandigheden die in een te ver verwijderd verband staan met het willekeurig geweld of die in hoofdzaak zijn veroorzaakt door een niet-strijdende actor, niet hoeven te worden betrokken bij de globale beoordeling van de gradatie van geweld. De rechtbank volgt de minister in zijn standpunt dat de slechte humanitaire omstandigheden, zoals beschreven in de ambtsberichten over Syrië en de door eiser genoemde rapporten en artikelen, in overwegende mate het gevolg zijn van handelen van het Assad-regime, dat geen actor meer is in het huidige gewapende conflict. Weliswaar kan ook het handelen van de thans nog actieve partijen invloed hebben op de humanitaire situatie, maar uit de landeninformatie volgt niet dat de huidige slechte humanitaire omstandigheden in hoofdzaak worden veroorzaakt of in stand gehouden door die partijen. Integendeel, uit de informatie blijkt dat de slechte humanitaire situatie in belangrijke mate wordt bepaald door een samenloop van factoren, waaronder langdurige economische ontwrichting, bestuurlijke en institutionele verzwakking, economische sancties, gebrekkige wederopbouw en de algemene staat van de infrastructuur na jaren van conflict. De slechte humanitaire omstandigheden zijn dus niet in overwegende mate te herleiden tot het actuele willekeurige geweld. Dat de oorlogsresten die zorgen voor slachtoffers geplaatst zijn door het vorige regime en daarom sprake is van een verband tussen strijdende actor en de humanitaire omstandigheden, volgt de rechtbank niet. Eiser heeft ook niet gesteld dan wel inzichtelijk gemaakt waaruit volgt dat de op dit moment actieve partijen in het gewapend conflict de slechte humanitaire situatie in Syrië, en in het bijzonder in Deir ez-Zor, veroorzaken of in stand houden. Gelet hierop heeft de minister de humanitaire omstandigheden buiten beschouwing mogen laten bij de vaststelling van de gradatie van het willekeurig geweld.
8.5.
De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat de minister, met inachtneming van wat in deze zaak is aangevoerd, voldoende heeft gemotiveerd dat sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld.
Heeft de minister voldoende rekening gehouden met het belang van het kind en is er sprake van adequate opvang?
9. Eiser stelt in de zienswijze te hebben aangehaald dat de minister het belang van het kind onvoldoende heeft betrokken in de besluitvorming. Hier is de minister in de beschikking niet op ingegaan. Uit artikel 3 IVRK Pro [17] volgt echter dat het belang van het kind bij iedere beslissing kenbaar moet worden betrokken. De beschikking is op dit punt onvoldoende gemotiveerd. In de zienswijze is ook uitvoerig uiteengezet dat er volgens het arrest TQ geen terugkeerbesluit kan worden opgelegd aan een minderjarige zonder dat nader onderzoek wordt gedaan naar of er wel adequate opvang is. De minister heeft geen onderzoek gedaan naar adequate opvang voor eiser en heeft derhalve geen terugkeerbesluit kunnen opleggen.
9.1.
De rechtbank stelt vast dat eiser niet heeft onderbouwd op welke punten onvoldoende rekening is gehouden met het belang van het kind. De enkele stellingen dat het belang van het kind onvoldoende is betrokken en dat de humanitaire situatie in Syrië slecht is, zijn onvoldoende. Bij gebrek aan een nadere, individuele onderbouwing ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat de minister op dit punt een onzorgvuldig besluit heeft genomen.
9.2.
Voorts overweegt de rechtbank dat uit artikel 3.58, tweede lid, van het Vb [18] , in samenhang bezien met paragraaf B8/6.2.1. van de Vc [19] , volgt dat een reguliere verblijfsvergunning kan worden verleend aan de alleenstaande minderjarige vreemdeling voor wie adequate opvang, bijvoorbeeld bij familieleden of andere personen, ontbreekt in het land van herkomst. Uit het arrest TQ van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ) en de uitspraken van de Afdeling van 8 juni 2022 [20] volgt dat de minister verplicht is om voorafgaand aan het terugsturen van een minderjarige vreemdeling zich ervan te overtuigen dat die minderjarige vreemdeling wordt teruggestuurd naar een familielid, een aangewezen voogd of adequate opvangfaciliteiten in het land van terugkeer.
9.3.
In onderhavige zaak heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat sprake is van adequate opvang aangezien eisers ouders altijd voor hem gezorgd hebben en zij nog in Syrië wonen. Eiser staat ook nog met hen in contact.
9.4.
De rechtbank acht dit onvoldoende. Uit IB 2025/13 volgt dat voor het aannemen van adequate opvang moet blijken dat de ouder(s) of andere volwassenen die eerder zorg hebben gedragen voor het kind bereid zijn zorg te gaan dragen voor het kind, dan wel op een traceerbaar adres in het land van herkomst of terugkeer aanwezig zijn. Een adres is traceerbaar als de amv [21] een concreet adres noemt (straatnaam, naam van de wijk, huisnummer etc.) of als de amv – bij het ontbreken van adresgegevens omdat de ouders/verzorgers in een dorp verblijven – specifieke informatie kan geven over de locatie in het dorp. Eiser heeft verklaard dat zijn ouders bij zijn opa wonen in Rif Deir ez-Zor, in de plaats Al Hessan Al Kasra. Eiser heeft verklaard dat hij contact heeft met zijn ouders en weet waar zij wonen, maar heeft geen concreet adres of andere specifiek informatie genoemd. Uit de gehoren blijkt ook niet dat de minister eiser heeft gevraagd naar het concrete adres of andere locatiegegevens van de verblijfplaats van zijn ouders zodat geen sprake kan zijn van frustratie van het proces van de kant van eiser. Gelet op de genoemde passage van het IB 2025/13, stelt eiser terecht dat de minister onder deze omstandigheden niet zonder nader onderzoek heeft kunnen vaststellen dat er een traceerbaar adres is. De beroepsgrond slaagt.
9.5.
Dit betekent dat de minister alsnog moet onderzoeken of er ten tijde van de minderjarigheid van eiser adequate opvang voor hem beschikbaar was in Syrië. De minister moet vervolgens toelichten wat dit betekent voor de vraag of de inmiddels meerderjarige eiser achteraf bezien in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op reguliere gronden en of hij een terugkeerbesluit over eiser mag nemen. Dit kan gevolgen hebben voor een beoordeling van de huidige verblijfsstatus van eiseres. [22] Het beroep is gegrond.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit. Het is aan de minister om opnieuw af te wegen en deugdelijk te onderzoeken of alsnog een verblijfsvergunning moet worden verleend. De minister moet daarom een nieuw besluit nemen waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak.
11. Eiser krijgt ook een vergoeding van zijn proceskosten. De rechtbank stelt deze kosten vast op € 1.868,-. [23]

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- bepaalt dat de minister binnen zes weken na dagtekening van deze uitspraak een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.J. van der Veen, rechter, in aanwezigheid van mr. D.G. van den Berg, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Nader gehoor, p. 10.
3.Algemene wet bestuursrecht.
4.Afdeling bestuursrecht van de Raad van State, 10 juli 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BN1161.
5.Medecins sans frontieres, Explosive Remnants of War – Lasting Harm in Deir Ez-Zor, Syria, 25 juni 2026, https://www.msf.org/report-lasting-harm-deir-ez-zor.
6.UNHCR, Syrië, Protection Considerations, 1 mei 2026.
7.Artikel 10, lid 3, sub b, Procedurerichtlijn.
8.Rechtbank Den Haag, 23 februari 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:3611, rechtbank Den Haag, 8 juni 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:15468 en rechtbank Den Haag, 13 mei 2026, NL26.4537.
9.EUAA, Country Guidance Syria, december 2025, p. 75-76.
10.Rechtbank Den Haag, 20 februari 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:3845, r.o. 7.
11.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3153.
12.BritishRedCross, Humanitarian Work in Syria and vital help for Syrian refugees, 5 maart 2026, Vital aid for Syria and Syrian refugees| British Red Cross.
13.Ministerie van Buitenlandse Zaken, Algemeen Ambtsbericht Syrië, januari 2026, p. 147-148.
14.United Nations, Syria: Aleppo fighting leaves civilians dead, displaces thousands, 7 januari 2026, Syria: Aleppo fighting leaves civilians dead, displaces thousands | The United Nations Office at Geneva.
17.Internationaal Verdrag tot bescherming van de Rechten van het Kind.
18.Vreemdelingenbesluit.
19.Vreemdelingencirculaire.
20.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, 8 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1530 en ECLI:NL:RVS:2022:1532.
21.Alleenstaande minderjarige vreemdeling.
22.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, 9 januari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:119.
23.Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht. 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,00 en een wegingsfactor 1.