Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:3845

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
20 februari 2026
Publicatiedatum
26 februari 2026
Zaaknummer
NL25.63044
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 15 KwalificatierichtlijnArt. 28 Vreemdelingenwet 2000Art. 31 lid 1 Vreemdelingenwet 2000Art. 3:46 AwbArt. 8:72 lid 4 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging afwijzing asielaanvraag wegens ondeugdelijke motivering over willekeurig geweld in Syrië

Eiser, een Syrische asielzoeker, diende op 17 oktober 2023 een asielaanvraag in die door verweerder op 17 december 2025 werd afgewezen. De rechtbank beoordeelde het beroep van eiser op 12 februari 2026. Verweerder motiveerde onvoldoende waarom de laagste gradatie van willekeurig geweld in Syrië van toepassing zou zijn, met name door het nalaten van een beoordeling van de humanitaire omstandigheden zoals vereist in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn.

De rechtbank verwijst naar een eerdere uitspraak van 11 december 2025 waarin werd vastgesteld dat ook humanitaire omstandigheden die voortvloeien uit een gewapend conflict moeten worden betrokken bij de beoordeling. Verweerder baseerde zich op een EUAA-rapport van december 2025 en andere bronnen, maar deze motieven zijn onvoldoende om af te wijken van de eerdere uitspraak. De humanitaire situatie in Aleppo is niet minder ernstig dan in andere delen van Syrië.

Daarom is sprake van een motiveringsgebrek en wordt het bestreden besluit vernietigd. Verweerder wordt opgedragen binnen zes weken een nieuw besluit te nemen, rekening houdend met deze uitspraak. Eiser krijgt tevens een proceskostenvergoeding van €1.868,- toegekend.

Uitkomst: De rechtbank vernietigt de afwijzing van de asielaanvraag wegens ondeugdelijke motivering en draagt op tot een nieuw besluit binnen zes weken.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.63044 (beroep)

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser,

V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. M. Spapens),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. A.H. Noordeloos).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan blijven. Verweerder heeft ondeugdelijk gemotiveerd waarom de laagste gradatie van willekeurig geweld als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn in Syrië van toepassing is. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats van 11 december 2025. De verwijzing van verweerder naar de Country Guidance Syrië van de EUAA van december 2025 vormt geen aanleiding om af te wijken van de uitspraak van 11 december 2025. Uit dit rapport blijkt niet dat de humanitaire omstandigheden in Aleppo minder ernstig zijn dan in andere delen van Syrië. Nu verweerder heeft nagelaten de humanitaire omstandigheden in het kader van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn te beoordelen, is sprake van een motiveringsgebrek. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 17 oktober 2023 een asielaanvraag ingediend. Hij heeft de Syrische nationaliteit en is geboren op [datum] 2000. Verweerder heeft deze aanvraag met het betreden besluit van 17 december 2025 afgewezen als ongegrond.
2.1.
Eiser heeft op 23 december 2025 beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 12 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser, de gemachtigde van eiser, S. Gurgy als tolk en de gemachtigde van verweerder deelgenomen.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas
3. Eiser heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij uit Syrië is gevlucht vanwege de oorlog en om een goede toekomst op te bouwen. Bij terugkeer naar Syrië vreest hij voor een onveilige situatie omdat de hele bevolking wapens draagt. Ook vreest hij voor de dienstplicht. Onder geen enkele omstandigheid wil hij in het leger dienen.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende relevante elementen:
  • Eisers identiteit, nationaliteit en herkomst;
  • Eisers problemen vanwege de militaire dienstplicht.
4.1.
Verweerder acht het eerste asielmotief geloofwaardig. Het tweede asielmotief acht verweerder om de volgende, hierna kort samengevatte, redenen niet geloofwaardig.
4.2.
Eiser heeft wat betreft zijn problemen vanwege de militaire dienstplicht geen objectieve documenten overgelegd die dit motief volledig kunnen onderbouwen en heeft hiervoor geen goede verklaring. Hem wordt tegengeworpen dat zijn verklaringen over dit asielmotief geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Verweerder betrekt daarbij dat eisers verklaringen niet overeenkomen met de landeninformatie en dat eiser onvoldoende heeft onderbouwd te zullen worden opgeroepen voor de militaire dienstplicht.
4.3.
Het geloofwaardig bevonden asielmotief wordt door verweerder niet zwaarwegend genoeg bevonden. Verweerder stelt zich hierbij op het standpunt dat eiser bij terugkeer naar Syrië geen gegronde vrees voor vervolging heeft en geen reëel risico op ernstige schade loopt. Daarbij betrekt verweerder dat in Syrië sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld. Aan de hand van eisers verklaringen is niet gebleken dat hij vanwege zijn individuele omstandigheden een reëel risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld.
4.4.
Verweerder wijst de asielaanvraag daarom af als ongegrond als bedoeld in artikel 31, eerste lid, van de Vw en draagt eiser daarbij op Nederland binnen vier weken te verlaten.
Heeft verweerder deugdelijk gemotiveerd dat eiser bij terugkeer naar Syrië geen reëel risico loopt op ernstige schade?
5. Op 11 december 2025 [1] heeft de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats geoordeeld dat verweerder niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat in Syrië op dit moment de laagste gradatie van willekeurig geweld van toepassing is. De rechtbank heeft in die uitspraak geoordeeld dat ook humanitaire omstandigheden die direct of indirect het gevolg zijn van het handelen of nalaten van een actor die partij is geweest bij een gewapend conflict, moeten worden betrokken in de beoordeling.
6. Eiser heeft aangegeven dat deze uitspraak van 11 december 2025 op hem van toepassing is en dat het bestreden besluit daarom niet in stand kan blijven. Hij stelt zich op het standpunt dat verweerder in de beoordeling van de gradatie van het willekeurig geweld als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn [2] , ten onrechte de humanitaire omstandigheden niet heeft meegenomen. Het bestreden besluit is op dit punt dan ook onvoldoende voorbereid en onvoldoende gemotiveerd.
7. Verweerder stelt zich op het standpunt dat in de regio Aleppo, waar eiser stelt vandaan te komen, sprake is van de laagste gradatie van willekeurig geweld. Daarbij verwijst hij naar de brief van de Tweede Kamer van 10 juni 2025 [3] waarin dit nader is toegelicht. Ook verwijst verweerder in aanvulling op het bestreden besluit naar het rapport van de EUAA van 2 december 2025 (hierna: EUAA-rapport) [4] . Uit dat rapport blijkt dat het aantal veiligheids- en geweldsincidenten en burgerslachtoffers in Aleppo sinds december 2024 significant is gedaald, evenals het aantal slachtoffers door ontplofbare oorlogsresten. Ook keert een hoog aantal Syriërs terug naar hun gebied van herkomst, met name ook naar Aleppo. Daarnaast betreft het geweld in Aleppo met name gericht geweld tussen de Koerdische Syrian Democratic Forces en de door Turkije gesteunde Syrian National Army. Verder verwijst verweerder naar gegevens van de UNHCR [5] over vrijwillige terugkeer van ontheemden naar Syrië vanuit buurlanden. Een groot deel daarvan keert terug Aleppo. Dit is een belangrijke indicatie dat het relatief veilig is in dit gebied (of wordt bevonden).
7.1.
Voorts stelt verweerder zich wat betreft de humanitaire situatie in Syrië op het standpunt dat deze niet of nauwelijks te wijten is aan een (actor die partij is bij een) lopend gewapend conflict. Verweerder verwijst naar twee uitspraken van andere zittingsplaatsen van deze rechtbank [6] . Daarbij merkt verweerder op dat hij hoger beroep heeft ingesteld tegen de uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats van 11 december 2025. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij vanwege zijn persoonlijke omstandigheden een verhoogd risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld.
7.2.
Ter zitting heeft verweerder zich ten aanzien van de uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats van 11 december 2025 ook op het standpunt gesteld dat die niet van toepassing is, omdat die alleen ziet op de situatie in Homs.
8. De rechtbank stelt in de eerste plaats vast dat uit de uitspraak van 11 december 2025 niet volgt dat die uitspraak alleen van toepassing is op Syrische asielzoekers uit Homs. In enkele overwegingen in die uitspraak gaat de rechtbank specifiek in op de veiligheidssituatie in Homs, maar de rechtbank betrekt ook bronnen die zien op de algemene veiligheidssituatie in Syrië. De rechtbank komt in die uitspraak tot de conclusie dat verweerder niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat in Syrië de laagste gradatie van willekeurig geweld van toepassing is, dat de verslagperiode van het algemeen ambtsbericht Syrië van mei 2025 daarvoor een te korte periode beslaat en uit meerdere andere bronnen blijkt dat de veiligheidssituatie fragiel, slecht en onduidelijk is. [7] De rechtbank is dan ook van oordeel dat de uitspraak van 11 december 2025 ook van toepassing is op de zaak van eiser.
8.1.
Ten aanzien van de verwijzing van verweerder naar het EUAA-rapport, overweegt de rechtbank als volgt. In dat rapport concludeert de EUAA dat er in Aleppo thans geen sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. De rechtbank vindt de verwijzing naar dit rapport echter onvoldoende om af te wijken van de uitspraak van 11 december 2025. In die uitspraak is ook landeninformatie betrokken die ziet op de humanitaire situatie in Syrië. Eiser heeft er terecht op gewezen dat verweerder in het bestreden besluit de humanitaire situatie in Syrië ten onrechte niet heeft betrokken bij de beoordeling van de vraag of sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Zoals deze rechtbank en zittingsplaats in haar uitspraak van 11 december 2025 heeft overwogen [8] zijn ook de humanitaire omstandigheden relevant welke direct of indirect het gevolg zijn van het handelen of nalaten van een actor die partij is geweest bij een gewapend conflict. Daar komt bij dat uit het EUAA-rapport niet blijkt dat de humanitaire situatie in Aleppo minder ernstig is dan in andere delen van Syrië. Ook in het bericht van UNHCR van 11 december 2025 wordt benadrukt dat van gedwongen terugkeer van vluchtelingen moet worden afgezien gelet op de slechte humanitaire omstandigheden en omdat de situatie in Syrië nog steeds fluïde is. De rechtbank is dan ook van oordeel dat – ondanks de aanvullende motivering ten opzichte van het besluit waarop de uitspraak van 11 december 2025 betrekking had – sprake is van een motiveringsgebrek.
8.2.
Nu verweerder ook in het bestreden besluit heeft nagelaten de humanitaire situatie in het kader van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn te beoordelen, is reeds sprake van een motiveringsgebrek en dient het besluit te worden vernietigd.
8.3.
De rechtbank kan zonder een goed gemotiveerd standpunt over de veiligheidssituatie in Syrië ook niet beoordelen wat voor individuele omstandigheden nodig zijn om tot een reëel risico op ernstige schade te komen. De rechtbank ziet daarin dus geen aanleiding om nu een oordeel te geven over het al dan niet aanwezig zijn van individuele omstandigheden. Aan een beoordeling van de overige beroepsgronden komt de rechtbank dan ook niet meer toe.
Wat is de conclusie?
9. Verweerder heeft niet deugdelijk gemotiveerd waarom de asielaanvraag is afgewezen als ongegrond. Het beroep van eiser is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met artikel 3:46 van Pro de Awb [9] . Dit betekent dat eiser gelijk krijgt. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit en bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat verweerder een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. De rechtbank geeft verweerder hiervoor zes weken.
9.1.
Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 17 december 2025;
- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.B. Klaus, rechter, in aanwezigheid van mr. J.F.P. van Brunschot, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

2.Richtlijn 2011/95/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011.
3.Kamerstukken II 2024/25, 19637, nr. 3435.
4.EUAA: Country Guidance Syria, Comprehensive update, 2 december 2025.
5.UNHCR, Syria Governorates of Return Overview (As of 11 Dec 2025).
6.Rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, 9 december 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:23466, r.o. 11.1 en rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, 1 december 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:22984, r.o. 13.
7.Zie uitspraak van 11 december 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:23822, r.o. 8.5.
8.Zie uitspraak van 11 december 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:23822, r.o. 8.4.3.3.
9.Algemene wet bestuursrecht.