ECLI:NL:RBDHA:2025:23466

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
9 december 2025
Publicatiedatum
9 december 2025
Zaaknummer
NL25.32082
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 28 VwArt. 3 EVRMArt. 15 KwalificatierichtlijnArt. 64 Vw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag Syriër wegens onvoldoende persoonlijk risico op vervolging en willekeurig geweld

Eiser, een Syrische Koerd, vroeg asiel aan wegens de onveilige situatie in Syrië en zijn medische kwetsbaarheid. De minister wees de aanvraag af omdat geen concreet persoonlijk risico op vervolging of willekeurig geweld was aangetoond. De rechtbank oordeelt dat het behoren tot de Koerdische bevolkingsgroep op zichzelf onvoldoende is voor vluchtelingenstatus en dat de medische situatie geen verhoogd risico op ernstige schade oplevert.

De rechtbank erkent een motiveringsgebrek in het bestreden besluit met betrekking tot de beoordeling van humanitaire omstandigheden in het kader van artikel 15c van de Kwalificatierichtlijn. Dit gebrek is echter hersteld in het verweerschrift, waardoor de rechtsgevolgen van het besluit in stand kunnen blijven.

De rechtbank concludeert dat het ambtsbericht van mei 2025 betrouwbaar is en dat de veiligheidssituatie in Syrië, inclusief de regio Afrin, is gestabiliseerd met een relatief laag niveau van willekeurig geweld. Eiser heeft onvoldoende concreet onderbouwd dat hij persoonlijk een verhoogd risico loopt.

Het beroep wordt gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd, maar de rechtsgevolgen blijven gehandhaafd. De minister wordt veroordeeld tot betaling van proceskosten aan eiser. Eiser kan binnen een week hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit vernietigd, maar de rechtsgevolgen blijven in stand; minister betaalt proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.32082

uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser,

geboren op [datum],
van Syrische nationaliteit
V-nummer: [nummer], eiser
(gemachtigde: mr. F.H. Gart),
en

de minister van Asiel en Migratie

(gemachtigde: mr. K. Jansen).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van Pro de Vw. [1] Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 18 juni 2024 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 9 juli 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond.
2.1.
Eiser heeft op 16 juli 2025 hiertegen beroep ingesteld.
2.2.
Het beroep is op 1 oktober 2025 ter behandeling verwezen naar de meervoudige kamer van deze rechtbank.
2.3.
De minister heeft op 16 oktober 2025 een verweerschrift ingediend.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 29 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, een tolk en de gemachtigde van de minister. Het onderzoek is op zitting gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas
3. Eiser heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij de Syrische nationaliteit bezit en behoort tot de Koerdische bevolkingsgroep. Vanwege de algemene slechte en onveilige situatie als gevolg van de oorlog heeft hij Syrië verlaten. Eiser stelt dat hij niet kan terugkeren naar Syrië vanwege de huidige veiligheidssituatie, omdat er nog steeds verschillende gewapende conflicten woeden. Tegen deze achtergrond vreest eiser voor vervolging vanwege zijn etniciteit. Eiser vreest ook voor ernstige schade als gevolg van de algemene situatie in Syrië.
Daarnaast heeft eiser verklaard dat hij regelmatig moet reizen voor zijn medische behandeling en het verkrijgen van noodzakelijke medicijnen, waardoor hij bij terugkeer een groter risico op ernstige schade loopt dan anderen.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister het volgende relevante asielmotief:
- de identiteit, nationaliteit en herkomst.
4.1.
In het bestreden besluit heeft de minister de asielaanvraag van eiser afgewezen. De minister acht de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig, maar acht de herkomst uit Syrië op zichzelf niet voldoende om te concluderen dat eiser vluchteling is in de zin van het Vluchtelingenverdrag, noch dat hij bij terugkeer een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van Pro het EVRM. [2]
4.2.
De minister stelt zich op het standpunt dat niet is gebleken dat eiser bij terugkeer naar Syrië persoonlijk te vrezen heeft vanwege zijn Koerdische afkomst, noch dat hij een reëel risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld gelet op de algemene veiligheidssituatie in Syrië.
4.3.
Onder verwijzing naar het AAB van mei 2025 [3] heeft de minister overwogen dat sprake is van een relatief laag niveau van willekeurig geweld. Volgens de minister heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij, gelet op zijn persoonlijke omstandigheden, een reëel risico loopt op ernstige schade. Hoewel eiser ongeneeslijk ziek is en in verband daarmee regelmatig reisbewegingen moet maken, leidt dit volgens de minister niet tot de conclusie dat sprake is van een verhoogd risico om slachtoffer te worden van willekeurig geweld. Uit het AAB van mei 2025 blijkt namelijk dat de bewegingsvrijheid in Syrië is toegenomen. In de regio Afrin en Aleppo zijn geen aanwijzingen voor een verhoogd niveau van willekeurig geweld of gerichte aanvallen op ziekenhuizen. De minister concludeert daarom dat de asielaanvraag terecht is afgewezen.
4.4.
Eiser kan zich hiermee niet verenigen. De rechtbank zal hierna de beroepsgronden van eiser beoordelen.
Koerdische etniciteit
5. Eiser betoogt dat de minister ten onrechte heeft overwogen dat hij geen concrete en verifieerbare indicaties heeft gegeven voor zijn vrees bij terugkeer naar Syrië. Eiser heeft in het nader gehoor verklaard over de onveilige situatie voor Koerden in Syrië. Dat hij dit niet dusdanig persoonlijk kan maken omdat de situatie is ontstaan na zijn vertrek uit Syrië, maakt dit volgens hem niet anders. Gelet op zijn Koerdische etniciteit stelt eiser dat hij te vrezen heeft voor de onveilige situatie aldaar, in het bijzonder vanwege de aanwezigheid van de SNA [4] in zijn voormalige woonplaats Afrin. Ter onderbouwing verwijst eiser naar landenrapportages van EUAA van juni 2025 [5] en Syrian Observatory for Human Rights. [6] Uit de rapporten volgt dat de SNA nog steeds actief zijn in Afrin en er ook na april 2025 nog arrestaties door pro-Turkse SNA-facties plaatsvinden in Afrin. Deze bronnen over de positie van Koerden in Syrië zijn, gelet op zijn etniciteit, volgens eiser wel degelijk op hem van toepassing.
5.1.
De minister heeft zich naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer naar Syrië gegronde vrees voor vervolging heeft in de zin van het Vluchtelingenverdrag. De enkele omstandigheid dat eiser de Koerdische etniciteit heeft, is daarvoor onvoldoende. Uit het geldende landenbeleid voor Syrië volgt dat het behoren tot de Koerdische bevolkingsgroep niet als risicoprofiel is aangemerkt. Dat betekent dat Koerden in het algemeen niet enkel vanwege hun etniciteit te vrezen hebben voor vervolging. Eiser heeft dit toetsingskader niet betwist. Eiser heeft verder geen feiten of omstandigheden naar voren gebracht waaruit blijkt dat hij persoonlijk een verhoogd risico loopt. Zijn verklaringen dat Koerden in Syrië niet 100% veilig zijn en dat gewapende groeperingen Koerden kunnen verdenken van samenwerking met Koerdische partijen, zijn onvoldoende concreet en niet te herleiden tot eisers eigen situatie. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat uit het EUAA-rapport van juni 2025 volgt dat de veiligheidssituatie in delen van Syrië, waaronder de door het SNA gecontroleerde gebieden, enigszins is gestabiliseerd. De minister wijst er verder terecht op dat volgens de EUAA het risico op willekeurig geweld daar is afgenomen en Koerden niet zonder meer een individueel risico lopen enkel vanwege hun etniciteit. De rechtbank volgt de minister daarom in zijn standpunt dat eiser geen concrete en verifieerbare indicaties heeft gegeven waaruit blijkt dat hij meer te vrezen heeft voor vervolging dan andere burgers in Syrië, en dat zijn vrees niet persoonlijk is onderbouwd.
Medische problematiek en voorzieningen
6. Eiser voert verder aan dat hij, gelet op zijn broze gezondheid als gevolg van een vergevorderd stadium van kanker, bij terugkeer naar Syrië een reëel risico loopt op ernstige schade in de zin van artikel 3 van Pro het EVRM. Volgens eiser zijn de medische voorzieningen in Syrië in alle opzichten gedecimeerd. Hij zal daar geen toegang hebben tot de noodzakelijke medische zorg en niet kunnen voorzien in zijn meest basale levensbehoeften.
6.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank overweegt dat medische problemen op zichzelf geen grond vormen voor verlening van een verblijfsvergunning asiel. Aan eiser is uitstel van vertrek verleend op grond van artikel 64 van Pro de Vw, zodat van daadwerkelijke terugkeer naar Syrië vooralsnog geen sprake is en op dit moment geen reëel risico op schending van artikel 3 van Pro het EVRM aannemelijk is op basis van eisers medische situatie.
6.2.
De minister heeft terecht betrokken dat BMA [7] op het moment van het besluit op de asielaanvraag en het sluiten van het onderzoek ter zitting nog onderzoek doet naar zowel eisers gezondheidstoestand als de beschikbaarheid van passende medische zorg in Syrië. De vraag of terugkeer in de toekomst zal leiden tot een snelle en onomkeerbare achteruitgang van eisers gezondheidstoestand kan eerst worden beoordeeld aan de hand van de uitkomsten van dit onderzoek. De rechtbank acht het daarom niet onzorgvuldig dat de minister deze beoordeling heeft aangehouden in afwachting van het onderzoek van BMA. De minister zal zich in het besluit ten aanzien van artikel 64 van Pro de Vw hierover moeten uitlaten.
Algemene veiligheidssituatie en willekeurig geweld in Syrië
Wat vinden partijen?
7. Eiser voert aan dat de minister ten onrechte uitgaat van een relatief laag niveau van willekeurig geweld in Syrië. Eiser verwijst naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond van 30 juli 2025, [8] waarin is geoordeeld dat het nieuwe landgebonden beleid, gebaseerd op het AAB van mei 2025, onvoldoende is gemotiveerd. Eiser stelt, onder verwijzing naar voornoemde uitspraak, dat de minister niet alle relevante omstandigheden heeft betrokken bij de beoordeling, zoals de humanitaire omstandigheden die (indirect) voortkomen uit het aanhoudende willekeurige geweld. Ook blijkt volgens eiser uit de uitspraak dat het meest recente ambtsbericht slechts een korte verslagperiode bestrijkt, terwijl nadien nieuwe geweldsincidenten hebben plaatsgevonden en de situatie als instabiel wordt aangemerkt.
7.1.
De minister heeft in het verweerschrift verwezen naar de uitspraak van de Afdeling van 16 juli 2025 [9] . Uit deze uitspraak volgt dat humanitaire omstandigheden, die verband houden met willekeurig geweld en die direct of indirect het gevolg zijn van handelen of nalaten van een actor van ernstige schade in het kader van een gewapend conflict als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn, als relevante omstandigheid moeten worden betrokken bij de globale beoordeling. De minister leidt hieruit af dat de humanitaire situatie dus enkel globaal moet worden betrokken bij de beoordeling en alleen wanneer dit een gevolg is van het handelen of nalaten van een strijdende partij in een actief gewapend conflict.
7.2.
De minister erkent dat deze uitspraak aanleiding geeft tot een nadere motivering in het landenbeleid. Voortaan zal daarom duidelijker worden toegelicht of, en zo ja welke humanitaire omstandigheden in de beoordeling op grond van artikel 15, onder c, van de Kwalificatierichtlijn worden meegenomen. De minister kan dit vervolgens betrekken in de individuele beoordeling. Volgens de minister betekent dit echter niet dat het huidige beleid onjuist is, maar dat de motivering in eerdere besluiten — waaronder het onderhavige — nadere aanvulling behoefde. Op de zitting heeft de minister daarmee erkend dat sprake was van een motiveringsgebrek in het bestreden besluit, maar dat dit gebrek door de nadere toelichting in het verweerschrift is hersteld.
7.3.
Ten aanzien van de situatie in Afrin en de regio Aleppo verwijst de minister naar de brief aan de Tweede Kamer van 10 juni 2025, waarin voor heel Syrië de laagste gradatie van willekeurig geweld is aangenomen. Op basis van de beschikbare informatie is volgens de minister terecht geconcludeerd dat sprake is van een relatief laag niveau van willekeurig geweld.
7.4.
De minister betwist dat onvoldoende is gemotiveerd waarom sprake zou zijn van een duurzame verbetering van de veiligheidssituatie. Het besluit berust op het AAB Syrië van mei 2025, dat actueel en betrouwbaar wordt geacht. Dat een nieuw ambtsbericht is gepland voor januari 2026 en dat de situatie in de Kamerbrief van 4 juni 2025 als “fragiel” is omschreven, doet daaraan niet af. Ook andere EU-lidstaten, waaronder Frankrijk en Duitsland, hebben geconcludeerd dat beslissingen in Syrische asielzaken weer mogelijk zijn.
Wat oordeelt de rechtbank?
Relevante omstandigheden
8. De Afdeling heeft op 16 juli 2025 twee uitspraken [10] gedaan die betrekking hebben op de beoordeling van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. In de hier relevante uitspraak [11] heeft de Afdeling de feiten en omstandigheden besproken die relevant zijn voor de beoordeling van de vraag of sprake is van de meest uitzonderlijke situatie als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. De Afdeling heeft bij haar beoordeling onder meer betrokken de algemene veiligheidssituatie, de mate waarin het geweld zich regionaal spreidt en in hoeverre dat geweld gericht is dan wel leidt tot willekeurige burgerslachtoffers. Daarbij is ook gekeken naar de veiligheidsstructuur, de specifieke omstandigheden in het gebied van terugkeer, de positie van ontheemden en de humanitaire situatie in het land.
9. De rechtbank is van oordeel dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat de minister de situatie in Syrië ten onrechte kwalificeert als een 15c-situatie in de laagste gradatie. Daarbij neemt de rechtbank het volgende in aanmerking.
Algehele situatie
10. Eiser heeft ter onderbouwing van zijn betoog over de algehele situatie in de zin van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn uitsluitend verwezen naar de uitspraak van de rechtbank Roermond van 30 juli 2025. Door eiser is niet nader toegelicht welke specifieke overwegingen uit die uitspraak in zijn geval relevant zijn, noch welke concrete elementen van het landgebonden beleid of het ambtsbericht naar zijn mening door de minister onvoldoende zijn meegewogen. Ook op de zitting heeft eiser dit niet nader verduidelijkt.
Humanitaire omstandigheden
11. Uit de uitspraak van de Afdeling van 16 juli 2025 volgt dat bij de beoordeling op grond van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn ook humanitaire omstandigheden moeten worden betrokken die verband houden met willekeurig geweld en die direct of indirect het gevolg zijn van het handelen of nalaten van strijdende partijen. In het verweerschrift en op de zitting heeft de minister erkend dat het bestreden besluit op dit punt een motiveringsgebrek bevat. De rechtbank zal, gelet op dit motiveringsgebrek, het beroep gegrond verklaren. De rechtbank ziet echter aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten. De rechtbank is namelijk van oordeel dat de minister in het verweerschrift van 16 oktober 2025 alsnog voldoende is ingegaan op de door eiser aangevoerde humanitaire omstandigheden.
11.1.
De minister heeft zich daarbij, in lijn met de bovengenoemde uitspraak van de Afdeling, terecht op het standpunt gesteld dat humanitaire omstandigheden slechts relevant zijn voor de beoordeling van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn wanneer deze direct of indirect voortkomen uit handelen of nalaten van een van de strijdende partijen. Uit het AAB Syrië van mei 2025 blijkt dat de humanitaire situatie in Syrië weliswaar zeer slecht is, maar dat deze slechte situatie grotendeels wordt veroorzaakt door de jarenlange oorlog door, economische sancties tegen en de nalatigheid van de voormalige regering-Assad, en niet of slechts in zeer beperkte mate samenhangt met het nog resterende gewapende conflict. Hoewel humanitaire omstandigheden in zijn algemeenheid een rol kunnen spelen bij de beoordeling heeft de minister in lijn met de uitspraak van de Afdeling gesteld dat de omstandigheden veroorzaakt door een niet-actieve actor in beginsel geen rol spelen bij het bepalen van de gradatie van willekeurig geweld in de zin van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Gezien de uitspraak van de Afdeling volgt de rechtbank de motivering van de minister en acht deze voldoende deugdelijk. De rechtbank stelt vast dat de minister met het verweerschrift het eerder geconstateerde gebrek heeft hersteld. Onder deze omstandigheden kunnen de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven.
Ambtsbericht
12. De rechtbank stelt voorop dat een algemeen ambtsbericht van het Ministerie van Buitenlandse Zaken een deskundigenbericht is, waarvan de minister in beginsel mag uitgaan, tenzij er concrete aanknopingspunten bestaan om aan de juistheid of volledigheid daarvan te twijfelen. Eiser heeft dergelijke aanknopingspunten niet gegeven. Zijn enkele verwijzing naar de uitspraak van de rechtbank Roermond van 30 juli 2025 en naar enkele losstaande rapportages vormt, zonder nadere uitleg, onvoldoende onderbouwing om de betrouwbaarheid of de actualiteit van het AAB Syrië van mei 2025 in twijfel te trekken. De minister heeft naar het oordeel van de rechtbank toereikend gemotiveerd waarom het ambtsbericht als actueel en bruikbaar kan worden beschouwd, ondanks het feit dat een nieuw ambtsbericht voor januari 2026 is gepland. Dat in de Kamerbrief van 4 juni 2025 de veiligheidssituatie als “fragiel” wordt aangeduid, maakt dit ook niet anders.
Verhoogd risico bij terugkeer door individuele omstandigheden
13. Eiser voert verder aan dat, zelfs als wordt uitgegaan van een relatief lager niveau van willekeurig geweld, zijn individuele omstandigheden maken dat hij persoonlijk een verhoogd risico loopt om slachtoffer te worden van dat geweld. Hij wijst daarbij op zijn broze gezondheid en het vergevorderde stadium van zijn ziekte. Door zijn fysieke kwetsbaarheid is hij minder in staat zich te beschermen of toegang te krijgen tot medische en humanitaire voorzieningen, waardoor zijn risico om getroffen te worden door het aanhoudende geweld en de slechte humanitaire omstandigheden in Syrië aanzienlijk groter is dan dat van de gemiddelde burger.
14. De rechtbank volgt dit betoog niet. Eiser heeft onvoldoende geconcretiseerd op welke wijze zijn ziekte hem feitelijk zou belemmeren in zijn bewegingsvrijheid of in het zich tijdig kunnen onttrekken aan bombardementen, beschietingen of andere uitingen van willekeurig geweld. Dat eiser stelt vanwege zijn gezondheid minder mobiel is, is daarvoor op zichzelf niet voldoende. Eiser heeft niet met objectieve of verifieerbare gegevens onderbouwd dat zijn medische situatie, hoe verdrietig die ook is, maakt dat hij bij terugkeer een significant verhoogd risico loopt ten opzichte van de gemiddelde burger. De rechtbank volgt de minister daarom in zijn standpunt dat de door eiser gestelde individuele omstandigheden niet leiden tot een verhoogd risico in de zin van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn.

Conclusie en gevolgen

15. Gelet op het motiveringsgebrek als beschreven onder 11 verklaart de rechtbank het beroep gegrond en vernietigt zij het bestreden besluit. Nu de minister in het verweerschrift alsnog een motivering heeft opgenomen, die gelet op de overwegingen onder 11.1. in rechte stand houdt, laat de rechtbank de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand.
16. Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1814,-, omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. [12]

Beslissing

- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 1814,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Tesfai, voorzitter, mr. H. Hanssen - Telman en mr.
M. Munsterman, leden, in aanwezigheid van A. Hoekstra - Verbeek, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Verdrag ter bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden.
3.Het Algemeen Ambtsbericht Syrië van mei 2025,
4.Syrian National Army.
5.European Union Agency for Asylum, juni 2025, https://www.ecoi.net/en/file/local/2126443/2025_Country_Guidance_Syria_interim_guid
6.https://www.syriahr.com/en/date/2025/06/23
7.Bureau Medische Advisering.
8.ECLI:NL:RBDHA:2025:14097, 30 juli 2025.
11.ECLI:NL:RVS:2025:3153, r.o. 5 en volgende.
12.Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door de gemachtigde verleende rechtsbijstand, waarbij 1 punt is gerekend voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1.