ECLI:NL:RBDHA:2026:19102

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
29 juni 2026
Publicatiedatum
10 juli 2026
Zaaknummer
SGR 26/4138
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55d AwbArt. 3 Besluit proceskosten bestuursrechtArt. 6:12 Awb
Verwijzingen
12 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtbank beveelt UWV tot tijdige beslissing in medische bezwaarzaak met dwangsom

Eiseres, Stichting Hoger Onderwijs Nederland, heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen van het UWV op een bezwaar tegen de omzetting van een loongerelateerde uitkering in een loonaanvullingsuitkering per 11 september 2025.

De rechtbank stelt vast dat het UWV de beslistermijn van negen weken, zoals voorgeschreven in artikel 8:55d Awb, heeft overschreden. Dit is mede veroorzaakt door een structureel tekort aan verzekeringsartsen, waardoor medische beoordelingen vertraging oplopen. De rechtbank bevestigt het landelijke beleid dat in dergelijke medische zaken het UWV een termijn van zes weken krijgt voor de medische beoordeling en drie weken voor het besluit, totaal negen weken.

Omdat het UWV nog geen besluit heeft genomen, beveelt de rechtbank dat het UWV binnen negen weken na verzending van deze uitspraak alsnog een besluit neemt. Tevens legt de rechtbank een dwangsom van € 100,- per dag op bij overschrijding, met een maximum van € 15.000,-. Het betaalde griffierecht en proceskosten worden aan eiseres vergoed.

De uitspraak is gedaan zonder zitting en is gebaseerd op eerdere jurisprudentie van de rechtbank Den Haag en het landelijke beleid omtrent beslistermijnen bij medische beoordelingen door het UWV.

Uitkomst: Het UWV wordt opgedragen binnen negen weken alsnog een besluit te nemen en een dwangsom opgelegd bij overschrijding.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 26/4138

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 juni 2026 in de zaak tussen

Stichting Hoger Onderwijs Nederland, uit Den Haag, eiseres

(gemachtigde: drs. [gemachtigde 1]),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het Uwv
(gemachtigde: [gemachtigde 2]).

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de rechtbank op het beroep van eiseres tegen het niet op tijd beslissen van het Uwv op het bezwaar tegen het besluit van 1 juli 2025 waarin het Uwv heeft bepaald dat de loongerelateerde uitkering van [naam], (ex-)werkneemster van eiseres, per 11 september 2025 wordt omgezet in een loonaanvullingsuitkering.
1.1.
De rechtbank heeft het beroepschrift wegens het uitblijven van een besluit op bezwaar op 20 mei 2026 ontvangen.
1.2.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
1.3.
Omdat het beroep kennelijk gegrond is doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de rechtbank

Het beroep is ontvankelijk en gegrond
2. Als een bestuursorgaan, zoals hier het Uwv, niet op tijd beslist op een aanvraag, een verzoek om herbeoordeling of een bezwaarschrift, kan een belanghebbende daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de belanghebbende schriftelijk aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog beslist moet worden op zijn aanvraag of bezwaar (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na die twee weken nog steeds geen besluit is, dan kan de belanghebbende beroep instellen. [1]
3. Tussen partijen is niet in geschil dat de termijn om te beslissen op het bezwaar is overschreden. Eiseres heeft het Uwv in gebreke gesteld en tussen de ontvangst daarvan door het Uwv op 3 februari 2026 en het moment waarop beroep is ingesteld zijn meer dan twee weken verstreken. Niet is gebleken dat het Uwv alsnog heeft beslist op het bezwaar. Het beroep is daarom ontvankelijk en gegrond.
De nadere beslistermijn
4. Omdat het Uwv nog geen besluit heeft genomen, zal de rechtbank bepalen dat het Uwv dit alsnog moet doen.
5. Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet een bestuursorgaan dit in beginsel doen binnen twee weken na het verzenden van de uitspraak. In bijzondere gevallen kan de rechtbank op grond van het derde lid een andere termijn geven of een andere voorziening treffen.
5.1.
Eiseres heeft de rechtbank verzocht om het Uwv op te dragen binnen twee weken na deze uitspraak alsnog een besluit op de aanvraag bekend te maken.
5.2.
Het Uwv heeft in het verweerschrift toegelicht dat de beslistermijn is overschreden wegens een groot tekort aan verzekeringsartsen.
6. Bij het Uwv is al geruime tijd sprake van tekorten aan verzekeringsartsen, waardoor beslistermijnen structureel niet kunnen worden gehaald. In haar uitspraken van 31 maart 2025 heeft deze rechtbank daarom bepaald dat in dit soort zaken, waarin het gaat om het uitblijven van een besluit waarbij een medisch advies van een verzekeringsarts nodig is, sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 8:55d, derde lid, van de Awb. [2] De rechtbank heeft in die uitspraken bepaald dat in dergelijke beroepen het Uwv in beginsel een termijn van zes weken na de datum van verzending van de uitspraak wordt gegeven om een medische beoordeling te verrichten. Dat kan bijvoorbeeld in de vorm van een spreekuurcontact (al dan niet telefonisch), een hoorzitting in aanwezigheid van een verzekeringsarts, of dossieronderzoek door een verzekeringsarts zonder spreekuurcontact. Vervolgens wordt het Uwv een termijn van drie weken na het moment van de medische beoordeling gegeven om een besluit te nemen. In totaal heeft het Uwv dan dus een termijn van negen weken na de datum waarop de uitspraak wordt verzonden om een besluit bekend te maken.
6.1.
Indien het Uwv ten tijde van de uitspraak van de rechtbank de medische beoordeling al heeft gepland op een bepaalde datum of deze al is uitgevoerd, wordt daarmee rekening gehouden. Het Uwv krijgt dan in ieder geval de wettelijke termijn van twee weken na de dag van verzending van de uitspraak om het besluit bekend te maken. Bijzondere feiten en omstandigheden in het individuele geval kunnen aanleiding zijn om van deze termijnen af te wijken. Het is dan aan de partijen om dit aan te voeren. [3]
6.2.
In vier uitspraken van 13 mei 2026 heeft de rechtbank de bovengenoemde termijnen bevestigd. [4]
De nadere beslistermijn in deze zaak
7. In dit beroep stelt het Uwv dat nog niet kan worden aangegeven op welke termijn een besluit op bezwaar zal kunnen worden genomen. Het is de rechtbank dan ook niet gebleken dat bekend is wanneer de medische beoordeling zal plaatsvinden. Dit betekent dat het Uwv binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak de medische beoordeling door een verzekeringsarts moet laten verrichten en dat het binnen drie weken na die medische beoordeling een besluit bekend moet maken, maar in ieder geval binnen negen weken na de dag van verzending van deze uitspraak.
Rechterlijke dwangsom
8. De rechtbank zal, in overeenstemming met het landelijke beleid van de rechtbanken, bepalen dat het Uwv een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden. [5] Daarbij geldt een maximum van € 15.000,-.
Conclusie en gevolgen
9. Het beroep is gegrond. Omdat het beroep gegrond is, moet het Uwv het door eiseres betaalde griffierecht vergoeden.
9.1.
De rechtbank veroordeelt het Uwv in de door eiseres gemaakte proceskosten. De rechtbank doet vandaag uitspraak in dit beroep en het beroep met zaaknummer SGR 26/4135. De rechtbank beschouwt deze beroepen als samenhangend in de zin van artikel 3, tweede lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). De beroepen in die zaken zijn door de bestuursrechter namelijk gelijktijdig behandeld, en in die zaken is rechtsbijstand verleend door dezelfde persoon dan wel door een of meer personen die deel uitmaken van hetzelfde samenwerkingsverband en van wie de werkzaamheden in elk van de zaken nagenoeg identiek konden zijn. De rechtbank is daarnaast van oordeel dat dit beroep van licht gewicht is, omdat het beroepschrift is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit en het beroep van eenvoudige aard is. [6] De proceskostenvergoeding stelt de rechtbank op grond van het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand dus vast op € 467,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 0,5 (licht)). In verband met de samenhang wordt aan elke zaak de helft toegekend. Daarmee bedraagt de kostenvergoeding in de onderhavige zaak € 233,50 (1/2 x € 467,-).

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit;
  • draagt het Uwv op om binnen negen weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit op bezwaar bekend te maken;
- bepaalt dat het Uwv aan eiseres een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee het de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;
  • bepaalt dat het Uwv het betaalde griffierecht van € 397,- aan eiseres moet vergoeden;
  • veroordeelt het Uwv tot betaling van € 233,50 aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Meessen, rechter, in aanwezigheid van
S.C.M. Lodder, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 29 juni 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Dit staat in artikel 6:12 van Pro de Algemene Wet Bestuursrecht (Awb).
2.De uitspraken van de rechtbank Den Haag van 31 maart 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:5451, onder 5.2 en ECLI:NL:RBDHA:2025:5452, onder 5.2. De rechtbank verwijst ook naar haar overwegingen in haar uitspraak van 27 februari 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:2966, onder 4.4 en 4.5.
3.De uitspraken van de rechtbank Den Haag van 31 maart 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:5451, onder 5.3 en 5.4 en ECLI:NL:RBDHA:2025:5452, onder 5.3 en 5.4.
4.De uitspraken van de rechtbank Den Haag van 13 mei 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:11558, ECLI:NL:RBDHA:2026:11559, ECLI:NL:RBDHA:2026:11560 en ECLI:NL:RBDHA:2026:11561.
5.https://www.rechtspraak.nl/onderwerpen/overheidsorganisatie-beslist-niet-op-tijd/extra-dwangsom.
6.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van beroep van 26 juli 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2288.