12.6.De rechtbank concludeert dat het Uwv er welbewust voor heeft gekozen om de belanghebbenden bij zaken als de onderhavige gedurende lange tijd in onzekerheid te laten, en dat het zich neerlegt bij de (financiële) gevolgen hiervan. De rechtbank ziet hierin geen basis om een langere beslistermijn te bepalen. Als het Uwv de gevolgen van zijn eigen werkwijze in dit soort gevallen onwenselijk acht, is het niet aan de rechter maar aan de wetgever om een structurele oplossing te bieden. Dat het Uwv zich dat realiseert, blijkt ook uit meergenoemde Kamerbrief, waarin staat dat het ministerie van SZW met het Uwv voorbereidingen treft om de procedure rondom bestuurlijke dwangsommen tijdelijk buiten werking te stellen voor de WIA. De rechterlijke dwangsommen blijven dan voorlopig in stand, aldus nog steeds de Kamerbrief.
Toepassing op deze beroepszaak
13. De rechtbank zal de onder 5 uiteengezette termijnen ook in deze zaak bepalen. In dit beroep is het de rechtbank niet gebleken dat bekend is wanneer de medische beoordeling zal plaatsvinden. Dit betekent dat het Uwv binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak de medische beoordeling door een verzekeringsarts moet laten verrichten en dat het binnen drie weken na die medische beoordeling een besluit bekend moet maken, maar in ieder geval binnen negen weken na de dag van verzending van de uitspraak.
14. Eiser heeft de rechtbank verzocht om een dwangsom op te leggen. De rechtbank ziet op basis van hetgeen partijen naar voren hebben gebracht, en de prioritering door het Uwv, geen aanleiding om af te wijken van het landelijke beleid van de rechtbanken hierover.De rechtbank zal dus bepalen dat het Uwv een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden. Daarbij geldt een maximum van € 15.000,-.
15. Omdat het beroep gegrond is, moet het Uwv het door eiser betaalde griffierecht vergoeden.
16. De rechtbank zal het Uwv veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 467,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 934,- en wegingsfactor 0,5).
Beslissing
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
- draagt het Uwv op om uiterlijk binnen negen weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit bekend te maken;
- bepaalt dat het Uwv aan eiser een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee het de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,- ;
- bepaalt dat het Uwv het betaalde griffierecht van € 54,- aan eiser moet vergoeden;
- veroordeelt het Uwv tot betaling van € 467,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.R. van der Meer, rechter, in aanwezigheid van
mr.M.J. Bronsveld, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 13 mei 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: