Eiseres verzocht op 10 februari 2024 om een herbeoordeling van haar WIA-uitkering. Na het uitblijven van een besluit stelde zij op 22 januari 2026 beroep in tegen het niet tijdig beslissen door het UWV. De rechtbank verklaarde het beroep ontvankelijk en gegrond omdat het UWV niet binnen de wettelijke termijn had beslist.
Het UWV kampt met een structureel tekort aan verzekeringsartsen en hanteert sinds 1 januari 2026 een nieuwe prioritering waarbij geen voorrang meer wordt gegeven aan (her)beoordelingen en bezwaarzaken waarover een rechterlijke uitspraak is gedaan. De rechtbank erkent de problematiek maar wijst erop dat het UWV bij het stellen van prioriteiten rekening moet houden met de wetgeving en de rechtsbescherming van belanghebbenden.
De rechtbank stelt een beslistermijn van negen weken vast, conform eerdere uitspraken van 31 maart 2025, waarin zes weken zijn gereserveerd voor de medische beoordeling en drie weken voor het nemen van het besluit. Het UWV moet binnen deze termijn een besluit nemen, ongeacht de nieuwe prioritering. Daarnaast wordt een dwangsom van €100 per dag opgelegd bij overschrijding, met een maximum van €15.000.
De rechtbank veroordeelt het UWV tot vergoeding van het betaalde griffierecht en de proceskosten van eiseres. De uitspraak benadrukt dat het aan de wetgever is om structurele oplossingen te bieden voor de capaciteitsproblemen bij het UWV.