ECLI:NL:RBDHA:2026:18056

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
26 mei 2026
Publicatiedatum
2 juli 2026
Zaaknummer
NL26.26306
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59b Vreemdelingenwet 2000Art. 5.1b Vreemdelingenbesluit 2000Art. 5.3 Vreemdelingenbesluit 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen maatregel van bewaring in vreemdelingenrechtelijke asielprocedure

De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van eiser tegen de maatregel van bewaring opgelegd door verweerder op grond van artikel 59b van de Vreemdelingenwet 2000. Verweerder stelde dat bewaring noodzakelijk was om gegevens te verkrijgen voor de beoordeling van de asielaanvraag, gebaseerd op zware en lichte bewaringsgronden.

Eiser betwistte alle gronden, maar de rechtbank oordeelde dat de zware gronden dat eiser zich aan toezicht onttrok en niet aan vertrekverplichting voldeed, feitelijk juist en voldoende waren gemotiveerd. De rechtbank verwierp het verweer dat een lichter middel had moeten worden toegepast, omdat verweerder dit deugdelijk had gemotiveerd.

Eiser stelde dat de informatieverstrekking onvoldoende was omdat een belangrijke folder niet in het Hongaars was verstrekt. De rechtbank erkende dit gebrek, maar vond dat de belangen van eiser niet onevenredig werden geschaad gezien de overige verstrekte informatie en de mogelijkheid tot beroep.

De rechtbank voerde een ambtshalve toetsing uit en concludeerde dat de maatregel van bewaring rechtmatig was. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.26306

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser

V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. P. Celikkal),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. S. Juriaans).

Procesverloop

Bij besluit van 10 mei 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 20 mei 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen K. Liesting-Bognár. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Bewaringsgronden
1. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de bewaring noodzakelijk is met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor beoordeling van een asielaanvraag. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
2. Eiser betwist alle zware en lichte gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd.
3. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in ieder geval de zware gronden 3b en 3c aan de maatregel van bewaring ten grondslag heeft kunnen leggen. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling), bijvoorbeeld de uitspraak van 25 maart 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:829), volgt dat verweerder bij de zware gronden 3b en 3c kan volstaan met een toelichting dat deze gronden zich feitelijk voordoen. Niet in geschil is dat eiser zich niet heeft gemeld bij de Nederlandse autoriteiten in verband met zijn onrechtmatig verblijf. De zware grond 3b is hiermee feitelijk juist en kon daarom aan eiser worden tegengeworpen. De stellingen van eiser dat hij zich niet doelbewust aan het toezicht heeft onttrokken, dat hij al voor langere tijd bekend is bij de autoriteiten en dat hij bij vrienden verbleef en over een postadres en e-mailadres beschikt, doen aan de feitelijke juistheid van deze grond niet af. Verweerder heeft er daarnaast op gewezen dat eiser geen gevolg heeft gegeven aan de aan hem opgelegde verplichting om Nederland binnen een maand te verlaten, zoals opgelegd in de beschikking van 26 februari 2026, waarin eisers bezwaar tegen de vaststelling dat hij geen rechtmatig verblijf heeft op grond van het Unierecht, ongegrond is verklaard. Deze toelichting is naar het oordeel van de rechtbank feitelijk juist. Dat eiser niet op de hoogte was van de beschikking van 26 februari 2026, volgt de rechtbank niet. Uit het rechtbankdossier blijkt namelijk dat eiser op 17 september 2025 bezwaar heeft gemaakt tegen het (primaire) besluit van 13 augustus 2025. Dat eiser vervolgens geen contact heeft onderhouden met zijn gemachtigde in die procedure over de uitkomst van zijn bezwaar, is een omstandigheid die voor eisers rekening en risico komt. Verweerder heeft de zware grond 3c dan ook terecht aan eiser tegengeworpen.
4. De zware gronden 3b en 3c kunnen, in samenhang bezien en gelet op de gegeven toelichting, de maatregel van bewaring reeds dragen, omdat daaruit een risico voortvloeit dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. De overige bestreden gronden behoeven daarom geen verdere bespreking meer. De beroepsgrond slaagt niet.
Grondslag van de bewaring
5. Eiser betoogt dat hij ten onrechte op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw in bewaring is gesteld. Eiser heeft tijdens het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling verklaard homoseksueel te zijn en vanwege zijn homoseksuele gerichtheid niet terug te kunnen keren naar Hongarije. Eiser heeft diezelfde dag nog asiel aangevraagd. Verweerder heeft gelet hierop onvoldoende gemotiveerd welke concrete informatie er nog ontbreekt en waarom deze informatie uitsluitend vanuit vreemdelingenbewaring van eiser zou kunnen worden verkregen.
6. De Afdeling heeft (onder meer) in de uitspraken van 19 oktober 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2852) en 6 december 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:4011) overwogen dat met een deugdelijke motivering van het bestaan van een risico op onttrekking aan het toezicht – door middel van de in artikel 5.1b, derde en vierde lid, van het Vb opgenomen lichte en zware gronden – ook gegeven is dat een maatregel van bewaring noodzakelijk is met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, omdat anders die gegevens niet zouden kunnen worden verkregen.
7. Nu verweerder, zoals volgt uit de rechtsoverwegingen 3. en 4., het bestaan van een risico op onttrekking aan het toezicht deugdelijk heeft gemotiveerd, is daarmee ook gegeven dat de maatregel van bewaring noodzakelijk is met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van de asielaanvraag, zoals bedoeld in artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw. Verweerder kon de maatregel van bewaring dan ook baseren op artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw. Dat eiser tijdens het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling heeft verklaard over de redenen voor zijn asielaanvraag, is in dit kader niet relevant. De beroepsgrond slaagt niet.
Lichter middel
8. Eiser betoogt dat verweerder onvoldoende heeft onderzocht of met een lichter middel kon worden volstaan. Eiser heeft tijdens het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling namelijk aangegeven contact met zijn vrienden en advocaat te willen opnemen. De in de maatregel vermelde redenen waarom niet met een lichter middel wordt volstaan zijn algemeen en standaardmatig.
9. Bij de beantwoording van de vraag of verweerder met toepassing van een lichter middel had moeten volstaan, beoordeelt de rechtbank of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat geen andere afdoende maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Daarbij past een grondig onderzoek naar de feitelijke elementen van het concrete geval en een specifieke motivering van verweerder; verwijzing naar de bewaringsgronden volstaat daarvoor niet. De rechtbank wijst op de uitspraken van de Afdeling van 23 februari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:674) en 10 april 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:1309) en het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 5 juni 2014 (ECLI:EU:C:2014:1320, Mahdi).
10. Naar het oordeel van de rechtbank stelt verweerder zich terecht en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt dat er in dit geval geen andere afdoende maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend kunnen worden toegepast. Dat de motivering in de maatregel om geen lichter middel op te leggen algemeen en standaardmatig zou zijn, volgt de rechtbank niet. Tijdens het gehoor is aan eiser gevraagd wat hij vindt van de gronden die hem worden tegengeworpen. Daarnaast is hij in de gelegenheid gesteld redenen aan te voeren om een lichter middel toe te passen. Uit de maatregel van bewaring blijkt dat de door eiser gegeven antwoorden op deze vragen zijn betrokken bij verweerders beslissing inzake het lichter middel. Dit geldt ook voor de opmerking van eiser dat hij contact wil opnemen met zijn vrienden en advocaat. Verweerder heeft hierin terecht geen aanleiding gezien een lichter middel op te leggen. Daarbij heeft verweerder kunnen wijzen op het geen gevolg geven door eiser aan de vertrekverplichting die volgt uit het besluit van 26 februari 2026. De beroepsgrond slaagt niet.
Informatieverstrekking
11. Eiser betoogt dat verweerder zijn informatieverplichting niet is nagekomen. Eiser voert in dit verband aan dat verweerder ten onrechte heeft nagelaten een M109b-informatiefolder in de Hongaarse taal aan eiser te verstrekken bij de inbewaringstelling. Verweerder heeft slechts een M109-folder in het Hongaars aan eiser overhandigd en de extra informatie die in de M109b-folder staat mondeling aan hem voorgelezen. Dat er wel een M109b-folder in de Engelse taal is uitgereikt aan eiser, kan het gebrek niet helen. Eiser is de Engelse taal namelijk niet dusdanig machtig dat hij de inhoud van die folder goed heeft kunnen begrijpen. Volgens eiser maakt de gebrekkige informatieverstrekking de maatregel van bewaring onrechtmatig.
12. De Afdeling heeft in de uitspraak van 15 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4180, uiteengezet dat uit artikel 5.3, eerste lid, derde volzin, van het Vb volgt dat de informatie genoemd in die bepaling schriftelijk in een taal die de vreemdeling verstaat moet worden gegeven. Dit omvat onder meer een plicht om de vreemdeling schriftelijk in een taal die hij verstaat op de hoogte te brengen van de redenen van de bewaring. Verweerder heeft bij het uitreiken van de maatregel van bewaring aan eiser een M109-informatiefolder in het Hongaars en een M109b-folder in het Engels uitgereikt. Verder is de extra informatie die een M109b-folder bevat ten opzichte van een M109-folder, met hulp van een Hongaarse tolk mondeling aan eiser verteld. De rechtbank is van oordeel dat dit onvoldoende is om te voldoen aan de hiervoor genoemde informatieplicht. De Hongaarse M109-folder heeft namelijk betrekking op inbewaringstelling op een andere wettelijke grondslag (artikel 59, eerste lid, onder a van de Vw) dan de grondslag waarop eiser in bewaring is gesteld. De extra informatie die met de tolk is verstrekt, maakt dit niet anders omdat het geen schriftelijke informatie betreft. De rechtbank is met eiser eens dat ook het verstrekken van de M109b-folder in de Engelse taal niet voldoende was. Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat hij ervan uitgaat dat eiser de Engelse taal goed beheerst. Hij heeft daartoe verwezen naar de tijdens de ophouding gedane verklaring van eiser dat hij denkt nu toeristen in het Engels in Amsterdam te kunnen begeleiden. De rechtbank deelt het standpunt van eiser dat uit deze verklaring niet kan worden opgemaakt dat eiser de Engelse taal dusdanig beheerst dat hij de informatiefolder in die taal goed kan begrijpen. Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot het oordeel dat verweerder niet heeft voldaan aan zijn uit artikel 5.3, eerste lid, derde volzin, van het Vb voortvloeiende informatieplicht.
13. Het niet voldoen aan de informatieplicht maakt de maatregel van bewaring niet zonder meer onrechtmatig. Dat is pas het geval als de met de bewaring te dienen belangen niet in redelijke verhouding staan tot de ernst van het gebrek en de daardoor geschonden belangen (zie de Afdelingsuitspraak van 15 november 2023). De belangenafweging valt in dit geval in het voordeel van verweerder uit. Daarbij is van belang dat eiser met de uitreiking van de Hongaarse M109-folder (met informatie over onder meer de mogelijkheid om kosteloos beroep in te stellen) en de met hulp van de tolk mondeling verstrekte extra informatie uit de M109b-folder (te weten dat hij asiel heeft aangevraagd, dat de bewaring nodig is om informatie ten behoeve van de asielaanvraag te verkrijgen en dat zonder bewaring het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht gaat onttrekken), alle relevante informatie wel heeft gekregen. Eiser heeft ook met zijn gemachtigde de redenen van de bewaring kunnen bespreken en de gemachtigde heeft vervolgens namens eiser beroep ingesteld tegen de maatregel. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat niet is gebleken dat eiser door het ontbreken van een (volledige) Hongaarse vertaling in zijn belangen is geschaad.
Ambtshalve toetsing
14. De rechtbank overweegt tot slot dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van 8 november 2022 (ECLI:EU:C:2022:858) gehouden is ambtshalve de rechtmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring te toetsen. Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
Conclusie en gevolgen
15. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
16. Ondanks het onder 12. geconstateerde gebrek, ziet de rechtbank geen aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. De rechtbank verwijst hiervoor naar rechtsoverweging 10. van de (eerder genoemde) Afdelingsuitspraak van 15 november 2023.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.E. Bos, rechter, in aanwezigheid van mr. D.M. Abrahams, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.