ECLI:NL:RBDHA:2026:17991

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
30 juni 2026
Publicatiedatum
2 juli 2026
Zaaknummer
NL26.18862
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • Y. Yeniay - Cenik
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 DublinverordeningArt. 4 EU HandvestArt. 12 DublinverordeningArt. 17 DublinverordeningArt. 30 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening en interstatelijk vertrouwensbeginsel

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel niet in behandeling te nemen, omdat Roemenië verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek op grond van de Dublinverordening.

De rechtbank oordeelt dat het claimakkoord met Roemenië rechtsgeldig tot stand is gekomen, mede omdat eiser met een Roemeens visum is binnengekomen en de Dublinverordening bepaalt dat de lidstaat die het visum afgeeft verantwoordelijk is, ook bij valse documenten.

Eiser stelde dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet kan worden toegepast vanwege risico's op stamgerelateerd geweld en slechte opvang in Roemenië, maar de rechtbank vindt dat deze stellingen onvoldoende zijn onderbouwd. Ook het AIDA-rapport biedt geen aanleiding om het vertrouwensbeginsel te verwerpen.

Verder is het beroep op artikel 17 van Pro de Dublinverordening wegens onevenredige hardheid niet geslaagd, omdat eiser geen bijzondere individuele omstandigheden voldoende heeft aangetoond. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt het besluit van de minister.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit om de asielaanvraag niet in behandeling te nemen blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.18862

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 juni 2026 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. E. Gorsselink),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. E. Özel).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 2 april 2026 niet in behandeling genomen omdat Roemenië verantwoordelijk is voor de aanvraag.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep op 8 juni 2026, samen met het verzoek om een voorlopige voorziening (NL26.18863), op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. [1] In dit geval heeft Nederland bij Roemenië een verzoek om overname gedaan. Roemenië heeft dit verzoek aanvaard.
Is het claimakkoord op een juiste wijze tot stand gekomen?
5. Eiser betoogt dat het claimakkoord van Roemenië van 2 februari 2026 op onjuiste gronden tot stand is gekomen. Het visum waarnaar de Roemeense autoriteiten verwijzen en op grond waarvan eiser verblijfsrecht zou hebben in Roemenië is volgens eiser vals.
5.1.
Het betoog slaagt niet. Het claimakkoord is tot stand gekomen omdat eiser Roemenië is ingereisd met een Roemeens visum. Nog los van de omstandigheid dat behalve uit eisers eigen verklaringen nergens uit blijkt dat het visum vals is, volgt uit artikel 12 van Pro de Dublinverordening dat de lidstaat die het visum heeft afgegeven verantwoordelijk is voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming. Uit het vijfde lid van artikel 12 volgt Pro dat de lidstaat die het visum heeft afgegeven ook verantwoordelijk is als het visum is afgegeven op basis van een valse of fictieve identiteit of op vertoon van valse, vervalste of ongeldige documenten. Het betoog van eiser slaagt hierom reeds niet.
Kan ten aanzien van Roemenië worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?
6. Eiser betoogt dat ten aanzien van Roemenië niet kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Eiser wijst erop dat hij in Roemenië te maken heeft gehad met stamgerelateerd geweld en dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat de Roemeense autoriteiten hem daartegen kunnen beschermen. Volgens eiser loopt hij bij terugkeer naar Roemenië een risico op refoulement.
6.1.
Eiser heeft ter zitting nog gewezen op het AIDA Country Report: Romania 2025-update (het AIDA-rapport). Volgens eiser blijkt uit dit rapport dat de Roemeense autoriteiten structureel weigeren om opvanggaranties af te geven en dat eisers aanvraag hoogstwaarschijnlijk zal worden behandeld in een opvolgende procedure, waar strenge eisen worden gesteld, met daardoor een grotere kans op afwijzing. Eiser heeft verder nog gewezen op de volgens hem gebrekkige detentieomstandigheden die uit het AIDA-rapport voortvloeien. [2]
7. Bij de beoordeling van de vraag welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een door een vreemdeling in een van de lidstaten ingediend asielverzoek, mag de minister uitgaan van het vermoeden dat de behandeling van de vreemdeling in de aangezochte lidstaat in overeenstemming is met de bepalingen van het EU Handvest, het Vluchtelingenverdrag en het EVRM. Dit is het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Uit artikel 3, tweede lid, van de Dublinverordening en de rechtspraak van het Hof van Justitie volgt echter dat de minister een vreemdeling niet mag overdragen aan de verantwoordelijke lidstaat als hij niet onkundig kan zijn van structurele tekortkomingen in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in dat land waardoor eiser een reëel risico zal lopen op onmenselijke of vernederende behandelingen in de zin van artikel 4 van Pro het EU Handvest. De minister moet bij zijn beoordeling alle informatie betrekken die eiser heeft ingebracht, en ook uit eigen beweging rekening houden met relevante en objectieve informatie waarvan hij kennis heeft. [3] Als blijkt van tekortkomingen die structureel of fundamenteel zijn, moeten die tekortkomingen een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken om tot een schending van artikel 4 van Pro het EU Handvest te leiden. [4] Niet iedere schending van een grondrecht door de verantwoordelijke lidstaat heeft onder de Dublinverordening gevolgen voor de verplichtingen van de overige lidstaten. [5]
7.1.
Het betoog van eiser slaagt niet. Allereerst overweegt de rechtbank dat de Afdeling bestuursrechtspaak van de Raad van State (Afdeling) heeft geoordeeld dat de minister ten aanzien van Roemenië kan uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. [6] Eiser heeft weliswaar gesteld, maar niet onderbouwd dat in Roemenië sprake is van stamgerelateerd geweld en heeft weliswaar gesteld, maar niet onderbouwd dat de Roemeense autoriteiten hem niet tegen eventueel stamgerelateerd geweld zouden kunnen beschermen. Anders dan eiser lijkt te betogen is het aan hem om aannemelijk te maken dat door de minister niet langer kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Roemenië. Met de niet nader onderbouwde stelling dat sprake is van stamgerelateerd geweld is eiser daarin niet geslaagd.
7.2.
Ten aanzien van het betoog van eiser dat op basis van het AIDA-rapport niet kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat het rapport geen wezenlijk ander beeld schetst dan het vorige AIDA-rapport en dat eisers betoog daarom niet opgaat. De rechtbank merkt ten aanzien van het betoog van eiser over de opvanggaranties op dat zij in het AIDA-rapport hierover niets heeft kunnen vinden binnen de door eiser aangehaalde pagina’s. Voor zover eiser betoogt dat zijn aanvraag zal worden behandeld als een opvolgende aanvraag, wijst de rechtbank erop dat uit het AIDA-rapport volgt dat vreemdelingen die een aanvraag om internationale bescherming intrekken onder bepaalde omstandigheden een opvolgende aanvraag zullen moeten indienen. Uit het dossier blijkt echter niet dat eiser in Roemenië een asielaanvraag heeft gedaan, zodat deze situatie niet op hem van toepassing is en het betoog van eiser al om die reden niet slaagt. Eiser heeft ook nog geklaagd over gebrekkige detentieomstandigheden, maar dit betoog slaagt reeds niet omdat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in detentie zal worden geplaatst. Eiser heeft zijn betoog aldus onvoldoende geconcretiseerd. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de Roemeense autoriteiten met het accepteren van eisers claimverzoek hebben toegezegd hem te zullen behandelen in overeenstemming met de op Roemenië rustende internationale verplichtingen.
7.3.
Voor zover eiser vreest voor indirect refoulement bij overdracht aan Roemenië, verwijst de rechtbank naar de uitspraken van het Hof van Justitie van 30 november 2023 [7] en de Afdeling van 12 juni 2024. [8] Daaruit volgt dat in een Dublinprocedure niet wordt beoordeeld of bij overdracht een risico bestaat op schending van het beginsel van non-refoulement, tenzij niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan wegens aannemelijke systeemfouten in de asielprocedure of opvang. Gelet op het hiervoor overwogene kan nog steeds van dit beginsel worden uitgegaan. De rechtbank komt daarom niet toe aan een beoordeling van de vraag of eiser bij overdracht aan Roemenië een risico loopt op indirect refoulement.
Heeft de minister eisers aanvraag in behandeling moeten nemen op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening?
8. Eiser betoogt dat de overdracht aan Roemenië zou getuigen van onevenredige hardheid. Daartoe wijst eiser op het feit dat hij in Syrië is getraumatiseerd en dat de aanwezigheid van zijn oom in Nederland noodzakelijk is voor zijn herstel. Volgens eiser moet de minister in het kader van artikel 17 in Pro samenhang betrekken dat eiser mentale problemen ervaart, dat in Roemenië sprake is van stamgerelateerd geweld en dat hij familie in Nederland heeft. Deze omstandigheden dient de minister in samenhang te beoordelen.
8.1.
Het betoog slaagt niet. De minister kan artikel 17 van Pro de Dublinverordening toepassen als in het specifieke geval sprake is van zodanige bijzondere individuele omstandigheden, waardoor een overdracht leidt tot onevenredige hardheid. De minister heeft deugdelijk gemotiveerd waarom hij geen aanleiding heeft hoeven zien om toepassing te geven aan artikel 17 van Pro de Dublinverordening. Als een vreemdeling zich beroept op omstandigheden die van betekenis zijn voor de beoordeling of er aanwijzingen zijn dat Roemenië zijn internationale verplichtingen niet nakomt en de minister die omstandigheden al heeft betrokken bij de beoordeling of de betrokken lidstaat zijn internationale verplichtingen al dan niet nakomt, hoeft de minister die omstandigheden redelijkerwijs niet van betekenis te achten bij de beoordeling of zich bijzondere individuele omstandigheden voordoen in het kader van artikel 17 van Pro de Dublinverordening. Dit volgt uit de uitspraken van de Afdeling van 14 augustus 2014, [9] 25 februari 2025, [10] en 26 maart 2026. [11] De minister heeft in het kader van de beoordeling van de vraag of ten aanzien van Roemenië kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel reeds betroken dat eiser naar eigen zeggen te maken heeft stamgerelateerd geweld. De omstandigheid dat eiser in Nederland familie heeft, had voor de minister geen aanleiding hoeven zijn om de aanvraag van eiser zelf in behandeling te nemen, nu het geen afdoende bijzondere omstandigheid betreft. Ten aanzien van de medische situatie heeft de minister terecht gesteld dat eiser niet nader met (medische) documenten heeft onderbouwd dat is gebleken van medische klachten waardoor eiser in Nederland zou moeten blijven.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het niet in behandeling nemen van eisers aanvraag in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. Y. Yeniay - Cenik, rechter, in aanwezigheid van
mr.R.C. Lubbers, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
2.Eiser wijst ter onderbouwing van zijn betoog op de pagina’s 72, 77 en 162.
3.Dit toetsingskader volgt uit HvJEU 29 februari 2024 (arrest X.), ECLI:EU:C:2024:195, en ABRvS 4 september 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3455.
4.EHRM 21 januari 2011, ECLI:CE:ECHR:2011:0121JUD003069609 (M.S.S. tegen België en Griekenland), overweging 263, en HvJEU 19 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:218 (Jawo), punten 91-93.
5.Arrest van het EHRM van 2 juli 2020, ECLI:CE:ECHR:2020:0702JUD002882013 (N.H.), punt 82.
6.ABRvS 22 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2970.
7.ECLI:EU:C:2023:934.
9.ECLI:NL:RVS:2014:3164, rechtsoverweging (r.o.) 4.