Uitspraak
1.De procedure
- de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie van 8 januari 2026
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald
- de mondelinge behandeling van 21 april 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
2.De feiten
3.Het geschil
4.De beoordeling
Acantus-arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat het voor de toepassing van de begrippen ‘woonruimte’ en ‘onroerende aanhorigheden’ van art. 7:233 BW Pro niet relevant is of de eigenaar van de woonruimte ook eigenaar is van de onroerende aanhorigheid zoals een WKO-installatie. [1] Evenmin is de vestiging van een opstalrecht relevant: dit doet niets af aan het onzelfstandig karakter van het bestanddeel (dit blijft bijvoorbeeld onroerend), maar bewerkstelligt slechts een eigendomsscheiding. Het lijkt op het op het eerste gezicht wellicht ongerijmd dat een verhuurder genot verschaft van een voorziening waarvan hij geen rechthebbende is, maar een verhuurder hoeft niet goederenrechtelijk beschikkingsbevoegd te zijn om dat genot geldig te kunnen verschaffen. Dat geldt zo voor alle contractueel verleende gebruiksrechten. [2] Omdat voor de wettelijke definitie van woonruimte niet relevant is wiens eigendom de installaties zijn, is volgens de kantonrechter ook niet zonder meer in te zien waarom de eigendomsvraag relevant is bij de waardering van die woonruimte volgens het puntenstelsel. Er is géén wettelijke bepaling die voorschrijft dat het eigendom van installaties moet worden betrokken bij de woningwaardering.
Acantus-arrest aan de orde is. Dat is de situatie waarin de verhuurder zelf leverancier is in de zin van de Warmtewet. Van die situatie is in deze zaak geen sprake: ZBI heeft onbetwist naar voren gebracht dat niet zij, maar Klimaatgarant de warmte/koude levert. Wanneer de verhuurder, zoals in dit geval, geen warmte/koude levert en daarvoor geen kosten in rekening brengt bij de huurder, terwijl de huurder bij aanvang van de huur voor het gehuurde een overeenkomst heeft moeten sluiten met een derde (Klimaatgarant), kan er in de verhouding tussen verhuurder en huurder geen sprake van zijn dat de investerings- en onderhoudskosten van de installaties geacht moeten worden inbegrepen te zijn in de (kale) huurprijs van het gehuurde. [5]