ECLI:NL:RBDHA:2026:17756

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
2 juli 2026
Publicatiedatum
30 juni 2026
Zaaknummer
K/4502/12003013
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:233 BWArt. 7:237 BWArt. 7:249 BWArt. 7:262 BWArt. 7:264 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling kale huurprijs en woningwaardering bij installaties van derde

ZBI verhuurt sinds februari 2025 een woonruimte aan [partij B] met een kale huurprijs van €1.575,00. Het gehuurde wordt verwarmd en gekoeld via een collectieve WKO-installatie en heeft een PV-systeem, eigendom van Klimaatgarant, een derde partij. [partij B] betwist de huurprijs en stelt dat zij dubbel betaalt voor deze installaties, die volgens haar niet bij het gehuurde horen en niet in de puntentoekenning mogen worden betrokken.

De kantonrechter beoordeelt dat de Nederlandse rechter bevoegd is en Nederlands recht van toepassing is. De beslissing van de Huurcommissie vervalt door tijdige procedure, waardoor de kantonrechter de puntentelling opnieuw moet vaststellen. De WOZ-waarde, het energielabel en de punten voor verwarming en verkoeling mogen worden meegenomen, ook al leidt dit tot een zekere dubbeltelling, wat inherent is aan het woningwaarderingsstelsel.

Met de vastgestelde WOZ-waarde en energielabel komt het gehuurde boven de liberalisatiegrens van 186 punten, waardoor contractsvrijheid geldt en de kale huurprijs van €1.575,00 rechtsgeldig is. De vordering van [partij B] tot correctie van de puntentelling en terugbetaling wordt afgewezen. Ook is het beding dat huurder verplicht een overeenkomst met Klimaatgarant aan te gaan niet nietig, omdat er geen onredelijk voordeel voor Klimaatgarant is bedongen. [partij B] wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: De kale huurprijs wordt vastgesteld op €1.575,00 per maand en de vorderingen van de huurder worden afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANKDEN HAAG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Den Haag
JM/C
Zaaknummer: 12003013 \ RL EXPL 25-22925
Vonnis van 2 juli 2026
in de zaak van
de rechtspersoon naar buitenlands recht
ZBI FONDSMANAGEMENT GMBH,
te Erlangen (Duitsland),
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: ZBI,
gemachtigde: mr. E. de Ruiter,
tegen
[partij B],
te [woonplaats],
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [partij B],
gemachtigde: [gemachtigde].

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 3 december 2025
- de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie van 8 januari 2026
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald
- de conclusie van antwoord in reconventie van 9 april 2026
- de mondelinge behandeling van 21 april 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
ZBI verhuurt sinds 19 februari 2025 een woonruimte in een appartementencomplex aan [partij B] aan de [adres] in [plaats]. De kale huurprijs was bij aanvang € 1.575,00 per maand en de servicekosten waren € 80,00 per maand.
2.2.
Het gehuurde wordt verwarmd en gekoeld door een collectieve warmte- en koudeopslaginstallatie (WKO-installatie). Daarnaast heeft het appartementencomplex een zonnepanelen-installatie (PV-systeem).
2.3.
In artikel 28.1 van de huurovereenkomst tussen ZBI en [partij B] staat onder meer:
“Huurder verplicht zich zowel jegens Verhuurder als jegens Energie Exploitatie Rijswijk Buiten BV een huurovereenkomst (warmtepomp, boiler, bron en PV systeem) te sluiten met Energie Exploitatie Rijswijk Buiten BV (…)”
2.4.
Energie Exploitatie Rijswijk Buiten B.V. handelt onder de naam Klimaatgarant Exploitatie (hierna: Klimaatgarant).
2.5.
[partij B] is met Klimaatgarant een overeenkomst aangegaan. De schriftelijke overeenkomst is getiteld “huurovereenkomst systeem. Warmtepomp, boiler, bron en PV systeem.”. In de schriftelijke overeenkomst staat onder meer:
Huurovereenkomst systeem. Warmtepomp, boiler, bron en PV systeem
(…)
Artikel 1 Samenstelling Pro en eigendom van het Systeem
1.1
Het Systeem bestaat uit de volgende (aan elkaar geschakelde en met elkaar samenwerkende) componenten:
Een individuele bodemwarmtepomp met warm water voorraadvat (boiler)
Onverdeeld aandeel in de Bron onder, naast of achter het Gebouw
(Indien van toepassing) Individueel PV Systeem.”
2.6.
Op 12 juni 2025 heeft [partij B] een verzoek tot toetsing van de aanvangshuurprijs ingediend bij de Huurcommissie. Op 6 augustus 2025 heeft de voorzitter van de Huurcommissie uitspraak gedaan en geoordeeld dat aan het gehuurde 173 punten moeten worden toegekend en de maximaal redelijke huurprijs per 19 februari 2025 € 1.098,74 is. ZBI is in verzet gegaan tegen deze uitspraak. Op 11 september 2025 heeft de Huurcommissie het verzet ongegrond verklaard en op 9 oktober 2025 heeft de Huurcommissie haar definitieve uitspraak aan partijen verzonden.

3.Het geschil

Wat vindt ZBI?
3.1.
ZBI vordert – samengevat – dat de kantonrechter de kale huurprijs voor het gehuurde per 19 februari 2025 vaststelt op € 1.575,00 per maand, met veroordeling van [partij B] in de kosten van deze procedure met rente. Zij legt daaraan ten grondslag dat aan het gehuurde volgens het woningwaarderingssysteem een puntenaantal moet worden toegekend boven de liberalisatiegrens van 186 punten, zodat partijen vrij waren om een huur van € 1.575,00 af te spreken.
Wat vindt [partij B]?
3.2.
[partij B] is het daarmee niet eens. Zij meent dat zij dubbel betaalt voor de WKO-installatie en het PV-systeem. Daarom moet het gehuurde volgens [partij B] gewaardeerd worden op een puntenaantal onder de liberalisatiegrens. Daarnaast stelt [partij B] een tegenvordering (vordering in reconventie) in. Zij vordert in reconventie, samengevat:
I. verklaring voor recht dat de installatie van Klimaatgarant, waaronder de WKO-installatie en het PV-systeem, gelet op het daarop gevestigde opstalrecht althans de eigendomsconstructie met een derde, niet bij het gehuurde horen en daarom niet mogen worden betrokken bij de puntentoekenning en waardering van de woonruimte,
II. als I. wordt toegewezen, vaststelling van een nieuw energielabel met inachtneming dat de installatie van Klimaatgarant niet bij het gehuurde hoort,
III. vaststelling van de puntentelling van het gehuurde met inachtneming van het oordeel onder I.,
IV. vaststelling van de maximale redelijke huurprijs,
V. veroordeling van ZBI om aan [partij B] de te veel betaalde huur terug te betalen, met rente,
VI. subsidiair, als de kantonrechter I. tot en met V. niet zou toewijzen, verklaring voor recht dat artikel 28 van Pro de huurovereenkomst nietig is,
VII. aanhouding van de procedure totdat de gemeente de WOZ-waarde over peildatum 1 januari 2025 heeft vastgesteld, althans totdat er een WOZ-beschikking is die het beste aansluit bij de situatie rond aanvang van de huur,
VIII. veroordeling van ZBI in de proceskosten in reconventie.

4.De beoordeling

in conventie en reconventie
4.1.
Omdat de vorderingen in conventie en in reconventie om dezelfde discussiepunten draaien, zullen deze samen worden beoordeeld.
De kantonrechter is bevoegd en past Nederlands recht toe
4.2.
ZBI is een vennootschap naar Duits recht. De kantonrechter moet daarom ambtshalve beoordelen of zij bevoegd is deze zaak te beoordelen en welk recht moet worden toegepast.
4.3.
Artikel 24 lid 1 van Pro de Brussel I-bis Verordening bepaalt dat bij geschillen over huur van een onroerend goed, exclusief bevoegd is de rechter van de lidstaat waar het gehuurde gelegen is. Deze zaak gaat over een gehuurde woonruimte in Nederland. Dit betekent dat de Nederlandse kantonrechter bevoegd is.
4.4.
Artikel 4 lid 1 onder Pro c van het Rome I-Verdrag bepaalt dat huurovereenkomsten worden beheerst door het recht van het land waar het onroerend goed is gelegen. Het gehuurde ligt in Nederland en dus is in deze zaak Nederlands recht van toepassing.
De kantonrechter moet de puntentelling opnieuw beoordelen
4.5.
Tussen partijen staat vast dat de onderhavige procedure aanhangig is gemaakt binnen acht weken na verzending van de beslissing van de voorzitter van de Huurcommissie. Dit heeft tot gevolg dat de beslissing van de voorzitter van de Huurcommissie van rechtswege is komen te vervallen. De kantonrechter moet dus opnieuw kijken naar de zaak in zijn geheel. Dit volgt uit artikel 7:262 Burgerlijk Pro Wetboek (BW). Daarbij moet een beslissing worden genomen over de punten waarover de Huurcommissie heeft geoordeeld en partijen een geschil hebben, namelijk de toetsing van de overeengekomen huurprijs (artikel 7:249 BW Pro) en de woningwaardering (puntentelling).
4.6.
De discussie tussen partijen gaat ten eerste over de vraag of aan het gehuurde meer dan 186 punten moeten worden toegekend volgens het woningwaarderingssysteem. Als dat het geval is, valt het gehuurde in het hoogsegment en mocht ZBI op grond van artikel 11 lid 4 Uitvoeringswet Pro Huurprijzen Woonruimte met [partij B] een huurprijs van € 1.575,00 afspreken. Volgens partijen moet aan het gehuurde de volgende hoeveelheid punten worden toegekend:
Post
Punten volgens ZBI
Punten volgens [partij B]
WOZ-waarde
55,25
36,25
Energielabel
53
53
Vertrekken en overige ruimtes
55,25
55,5
Verwarming en verkoeling
12
Keuken
14
14
Sanitair
13,25
13
Buitenruimten
9,5
6,25
Videodeurbel
0,25
0,25
Totaal
212,5
178,25
De kantonrechter gaat hierna eerst in op de WOZ-waarde en de punten voor het energielabel en de verwarming/verkoeling.
De WOZ-waarde, het energielabel, en de verwarming en verkoeling mogen samen worden betrokken in de puntentelling
4.7.
[partij B] meent dat de WOZ-waarde en het energielabel niet (geheel) meegenomen mogen worden in de puntentelling voor het gehuurde. Zij voert aan dat bij de vaststelling van de WOZ-waarde en het energielabel geen rekening is gehouden met het gegeven dat de WKO-installatie en PV-installaties via een opstalrecht eigendom zijn van Klimaatgarant en daarvoor aan Klimaatgarant betaald moet worden. [partij B] wil dat de WOZ-waarde en het energielabel opnieuw worden bepaald.
4.8.
Het betoog van [partij B] slaagt niet. In het
Acantus-arrest heeft de Hoge Raad geoordeeld dat het voor de toepassing van de begrippen ‘woonruimte’ en ‘onroerende aanhorigheden’ van art. 7:233 BW Pro niet relevant is of de eigenaar van de woonruimte ook eigenaar is van de onroerende aanhorigheid zoals een WKO-installatie. [1] Evenmin is de vestiging van een opstalrecht relevant: dit doet niets af aan het onzelfstandig karakter van het bestanddeel (dit blijft bijvoorbeeld onroerend), maar bewerkstelligt slechts een eigendomsscheiding. Het lijkt op het op het eerste gezicht wellicht ongerijmd dat een verhuurder genot verschaft van een voorziening waarvan hij geen rechthebbende is, maar een verhuurder hoeft niet goederenrechtelijk beschikkingsbevoegd te zijn om dat genot geldig te kunnen verschaffen. Dat geldt zo voor alle contractueel verleende gebruiksrechten. [2] Omdat voor de wettelijke definitie van woonruimte niet relevant is wiens eigendom de installaties zijn, is volgens de kantonrechter ook niet zonder meer in te zien waarom de eigendomsvraag relevant is bij de waardering van die woonruimte volgens het puntenstelsel. Er is géén wettelijke bepaling die voorschrijft dat het eigendom van installaties moet worden betrokken bij de woningwaardering.
4.9.
Voor zover er een zekere dubbeltelling is tussen WOZ-waarde, energielabel, en de punten voor verwarming/verkoeling, is die naar het oordeel van de kantonrechter inherent aan de systematiek van het woningwaarderingsstelsel. De WOZ-waarde is in het stelsel betrokken náást de punten voor het energielabel (ingevoerd in het stelsel per 1 juli 2011) en de verwarming/verkoeling (ingevoerd in het stelsel per 1 juli 2024). Toen de WOZ-waarde op 1 oktober 2015 werd betrokken in het woningwaarderingsstelsel (Stb. 2015, 290), is in de nota van toelichting beschreven dat deze waarde een indicatie is van de voorkeuren van woonconsumenten voor de verschillende kwaliteitsaspecten van woningen, waaronder de locatie. De kantonrechter verstaat dit zo, dat de WOZ-waarde het totaal van de individuele eigenschappen van een woonruimte en de gewildheid daarvan weerspiegelt. Dat betekent dat er altijd een dubbeltelling zal bestaan tussen eigenschappen als het energielabel, de energieprestatie, het comfort van die installaties bij het gehuurde, en de WOZ-waarde. Dit is geen reden om de WOZ-waarde, het energielabel of de punten voor verwarming/verkoeling te corrigeren.
4.10.
Tussen partijen staat vast dat de WOZ-waarde van het gehuurde op 1 januari 2025 door de [gemeente] inmiddels is vastgesteld op € 405.000,00. De vordering in reconventie onder VII. wordt daarom afgewezen. Of de WOZ-beschikking door de gemeente juist is vastgesteld, is een bestuursrechtelijke kwestie die niet in deze procedure ter toetsing aan de kantonrechter kan worden voorgelegd. De kantonrechter ziet ook geen civiele grondslag om bij de toetsing van de overeengekomen huurprijs de vastgestelde WOZ-waarde op deze manier aan te passen. Voor de verwarming/verkoeling geldt dat die punten worden toegekend voor zover ruimtes in het gehuurde verwarmd kunnen worden. Voor het energielabel geldt dat de Omgevingswet en Omgevingsregels bepalen hoe een energielabel moet worden vastgesteld. ZBI voert onbetwist aan dat het energielabel is vastgesteld door een deskundige die de daarvoor geëigende berekeningsmethode NTA 8800 heeft gebruikt. [partij B] heeft niet betoogd dat het energielabel en de punten voor verwarming/verkoeling geen goede weergave zijn van de energieprestatie en het comfort van het gehuurde. Deze punten mogen daarom worden meegenomen.
4.11.
De WOZ-waarde, het energielabel en de punten voor verwarming en verkoeling mogen dus allen meetellen voor de woningwaardering.
Het gehuurde valt in het hoogsegment
4.12.
De kantonrechter gaat voor de puntentelling uit van de door de gemeente beschikte WOZ-waarde van € 405.000,00, waarbij het door ZBI genoemde puntenaantal van 55,25 punten hoort. Met deze punten en de punten voor het energielabel (53 punten), komt het gehuurde uit boven de liberalisatiegrens van 186 punten, zelfs als [partij B] gevolgd zou worden op de andere geschilpunten en het door haar genoemde aantal punten worden toegekend aan de keuken, de kranen in de badkamer, het sanitair, de buitenruimte en de gemeten oppervlakte. Het gehuurde valt daarmee in het hoogsegment. Dit betekent dat contractsvrijheid geldt en partijen vrij waren om een kale huurprijs van € 1.575,00 af te spreken. [partij B] is aan de afgesproken huurprijs gebonden.
4.13.
Omdat het gehuurde in het hoogsegment valt, bepaalt de puntentelling niet de hoogte van de huur. Het betoog van [partij B] betoogt dat zij dubbel betaalt voor de voorzieningen via de puntentelling en via de betaling aan Klimaatgarant, gaat om die reden niet op.
4.14.
De door ZBI gevorderde vaststelling van de huurprijs recht is dus toewijsbaar. De door [partij B] in reconventie onder I. gevorderde verklaring voor recht is niet toewijsbaar. De vordering over het energielabel onder II. en over het opnieuw vaststellen van de puntentelling onder III., begrijpt de kantonrechter zo dat deze zijn ingesteld onder de voorwaarde dat de vordering onder I. wordt toegewezen. Omdat dat niet het geval is, komt de kantonrechter niet aan de vorderingen onder II. en III. toe. Omdat het gehuurde in het hoogsegment valt, is de onder IV. door [partij B] gevorderde vaststelling van de maximaal redelijke huurprijs niet aan de orde. [partij B] heeft ook niet te veel huur betaald en de door haar onder V. gevorderde terugbetaling is niet toewijsbaar.
Is de bepaling in de huurovereenkomst die [partij B] verplichtte met een derde te contracteren, nietig?
4.15.
[partij B] vordert in reconventie subsidiair en voorwaardelijk een verklaring voor recht dat artikel 28 van Pro de huurovereenkomst nietig is op grond van artikel 7:264 BW Pro. Deze vordering stelt zij in onder de voorwaarde dat de kantonrechter oordeelt dat de WKO en het PV-systeem via de kale huur mogen worden verdisconteerd. In dat geval betaalt [partij B] naar eigen zeggen zowel aan ZBI als aan Klimaatgarant voor de WKO- en PV-installaties, doordat zij enerzijds € 95,54 per maand aan Klimaatgarant moet afdragen voor deze installaties en de installaties anderzijds in de kale huur worden betrokken. Dit levert volgens haar een niet redelijk voordeel op voor Klimaatgarant in de zin van artikel 7:265 BW Pro. ZBI is het hiermee niet eens.
4.16.
De kantonrechter overweegt als volgt. Zoals hierboven is overwogen, staat het verhuurders van woonruimte in het hoogsegment vrij een kale huurprijs af te spreken. Daarbij mogen de kosten voor de WKO en het PV-systeem in de kale huur worden verdisconteerd. Aan de voorwaarde voor behandeling van de voorwaardelijke vordering van [partij B] is dus voldaan.
4.17.
Bij de beoordeling geldt het volgende kader. Artikel 7:264 BW Pro bepaalt dat een beding in een huurovereenkomst, niet de huurprijs betreffende, waarbij een niet redelijk voordeel voor een derde wordt overeengekomen, nietig is. Van zo’n niet redelijk voordeel is in beginsel sprake, als tegenover het voor de derde bedongen voordeel geen tegenprestatie staat of die tegenprestatie verwaarloosbaar is. Het is aan de huurder die zich op de nietigheid van een beding beroept, te stellen en zo nodig te bewijzen dat er een bedongen voordeel is en dat dit voordeel onredelijk is. De huurder moet dus feiten aandragen waaruit blijkt dat de tegenprestatie naar haar aard geen bate aan de huurder oplevert of dat de kosten niet in redelijke verhouding tot de bate staan. De vraag welke prestaties in de huurovereenkomst zijn bedongen, is een kwestie van uitleg. Voor de beantwoording van die vraag is niet alleen van belang wat op papier staat (de grammaticale uitleg), maar ook de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over een weer redelijkerwijs aan de gemaakte afspraken mochten toekennen en op wat zij daarover van elkaar mochten verwachten (de Haviltex-maatstaf). [3]
4.18.
Voor zover [partij B] betoogt dat de kosten van installaties indirect zijn betrokken in de kale huur via de puntentelling, slaagt dat betoog niet omdat het gehuurde in het hoogsegment valt en de puntentelling niet de hoogte van de huur bepaalt (zie randnummers 4.7-4.14 hierboven).
4.19.
Voor zover [partij B] beoogt dat náást de betaling aan Klimaatgarant een hogere kale huur is bedongen door ZBI vanwege de installaties, slaagt dat betoog evenmin. [partij B] heeft namelijk onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld die deze uitleg van de huurovereenkomst staven. Door [partij B] zijn geen feitelijke mededelingen of gedragingen van ZBI aangedragen waaruit volgt dat [partij B] bij het sluiten van de overeenkomsten mocht begrijpen dat voor de installaties zou worden betaald via de kale huurprijs. Een grammaticale uitleg van de tekst van de huurovereenkomst met ZBI leidt evenmin tot een dergelijk gerechtvaardigd vertrouwen. In die overeenkomst staat geen specificatie van de kale huur en staat dus ook niet dat onderhoud- en investeringskosten voor de installaties onderdeel van de kale huur zijn. Evenmin mocht [partij B] aan de wet (artikel 7:233 en Pro 7:237 BW) het gerechtvaardigd vertrouwen ontlenen dat dit het geval was. De wet verplicht de verhuurder niet in alle geval om de vaste kosten voor installaties te dragen. [4] Artikel 7:237 lid 2 BW Pro leidt er alleen toe dat de verhuurder de vaste kosten voor de installaties niet mag doorberekenen als servicekosten en in de kale huurprijs moét verdisconteren, als een situatie als in het
Acantus-arrest aan de orde is. Dat is de situatie waarin de verhuurder zelf leverancier is in de zin van de Warmtewet. Van die situatie is in deze zaak geen sprake: ZBI heeft onbetwist naar voren gebracht dat niet zij, maar Klimaatgarant de warmte/koude levert. Wanneer de verhuurder, zoals in dit geval, geen warmte/koude levert en daarvoor geen kosten in rekening brengt bij de huurder, terwijl de huurder bij aanvang van de huur voor het gehuurde een overeenkomst heeft moeten sluiten met een derde (Klimaatgarant), kan er in de verhouding tussen verhuurder en huurder geen sprake van zijn dat de investerings- en onderhoudskosten van de installaties geacht moeten worden inbegrepen te zijn in de (kale) huurprijs van het gehuurde. [5]
4.20.
Voor het PV-systeem ligt dat niet anders. In deze procedure neemt ZBI weliswaar wisselende standpunten in over het PV-systeem. Enerzijds betoogt zij dat daarvoor apart wordt betaald, [6] anderzijds betoogt zij dat daarvoor niet apart betaald wordt anders dan in de kale huur. [7] Dit werkt de nodige onduidelijkheid in de hand, maar leidt niet tot het oordeel dat een onredelijk voordeel voor Klimaatgarant is bedongen. De stellingen van ZBI bij antwoord in reconventie zijn namelijk geen uitingen van ZBI waaraan [partij B]
bij het sluiten van de overeenkomst de door haar verdedigde uitleg mocht ontlenen.
4.21.
[partij B] stelt niet dat de kosten die Klimaatgarant rekent méér zijn dan wat op grond van de wet mag worden gerekend of dat de betaling van [partij B] aan Klimaatgarant om een andere reden in een onredelijke verhouding staan tot de tegenprestatie die Klimaatgarant aan [partij B] levert.
4.22.
In artikel 28 van Pro de huurovereenkomst heeft ZBI dus géén onredelijk voordeel voor Klimaatgarant bedongen. Dit betekent dat de door [partij B] onder VI. gevorderde verklaring voor recht wordt afgewezen.
Conclusie
4.23.
De conclusie is dat de vordering van ZBI wordt toegewezen en de tegenvordering (reconventie) van [partij B] wordt afgewezen.
Proceskosten
4.24.
[partij B] krijgt ongelijk in conventie en reconventie. Daarom moet zij de proceskosten van ZBI betalen. De proceskosten van ZBI in conventie worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
145,45
- griffierecht
385,00
- salaris gemachtigde
434,00
(2 punten × € 217,00)
- nakosten
21,50
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
985,95
4.25.
De proceskosten van ZBI in reconventie worden begroot op € 108,50 aan salaris gemachtigde (1 punt × factor 0,5 × € 217,00).
4.26.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten in conventie en reconventie wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De kantonrechter
in conventie
5.1.
stelt de kale huurprijs voor de woonruimte aan de [adres] in [plaats] per 19 februari 2025 vast op € 1.575,00 per maand,
in reconventie
5.2.
wijst de vorderingen van [partij B] af,
in conventie en in reconventie
5.3.
veroordeelt [partij B] in de proceskosten van € 1.202,95, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [partij B] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.4.
veroordeelt [partij B] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.5.
verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. F.A.M. Veraart en in het openbaar uitgesproken op 2 juli 2026.

Voetnoten

1.Hoge Raad 21 januari 2022, ECLI:NL:HR:2022:61, r.o. 3.1.2.
2.Vergelijk AG Rank-Berenschot in randnummers 3.55-3.57 van haar conclusie van 9 juli 2021 voor het
3.Hoge Raad 13 maart 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4158.
4.Vergelijk Rechtbank Midden-Nederland 21 februari 2024, ECLI:NL:RBMNE:2024:899, r.o. 3.6.
5.Vergelijk Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 10 september 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:5745, r.o. 3.3-3.4.
6.Antwoord in reconventie, randnummer 14.
7.Antwoord in reconventie, randnummer 26-27.