ECLI:NL:RBDHA:2026:17330

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
29 juni 2026
Publicatiedatum
26 juni 2026
Zaaknummer
SGR 24/8470
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.1.3 WlzArt. 2 ZvwArt. 9a ZvwArt. 9b ZvwArt. 5:41 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Boetes wegens ontbreken van verplichte zorgverzekering op grond van de Zorgverzekeringswet

Eiser, een PhD-student met de Turkse nationaliteit die sinds 2007 in Nederland woont, kreeg twee boetes opgelegd door het CAK wegens het niet afsluiten van een zorgverzekering die voldoet aan de Zorgverzekeringswet (Zvw). Verweerder stelde dat eiser verplicht was een zorgverzekering af te sluiten omdat hij op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz) verzekerd is sinds 23 maart 2010. De verzekering die eiser bij AON had afgesloten voldeed niet aan de Zvw omdat deze niet was aangemeld bij de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa).

Eiser voerde aan dat hij als student met een inkomen onder het minimumloon niet verplicht was een basiszorgverzekering af te sluiten en dat zijn studentenverzekering voldoende was. De rechtbank oordeelde dat de vaststelling van de SVB dat eiser verzekerd is op grond van de Wlz rechtsgeldig is en dat eiser daarom verplicht is een zorgverzekering te hebben volgens de Zvw. De verzekering bij AON voldeed niet aan deze verplichting.

De rechtbank verwierp het beroep en stelde dat de boetes terecht zijn opgelegd. Ook het argument van eiser dat zijn lage inkomen een lagere boete rechtvaardigt, werd niet gevolgd. De rechtbank wees erop dat het opleggen van boetes noodzakelijk is om de prikkel tot verzekering tegen ziektekosten te waarborgen. Het beroep werd ongegrond verklaard en eiser kreeg geen vergoeding van proceskosten of griffierecht terug.

Uitkomst: Het beroep tegen de boetes wegens het niet afsluiten van een zorgverzekering conform de Zvw wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/8470

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 juni 2026 in de zaak tussen

[eiser], uit [woonplaats], eiser

en

het CAK, verweerder

(gemachtigde: mr. J.M. Nijman).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de oplegging aan eiser van twee boetes op grond van de Zorgverzekeringswet (Zvw). Eiser is het daarmee niet eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de oplegging van de boetes.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. In het besluit van 6 november 2023 heeft verweerder aan eiser een boete opgelegd van € 472,25. In het besluit van 13 februari 2024 heeft verweerder aan eiser een tweede boete opgelegd, van € 496,74. Met het bestreden besluit van 13 september 2024 op het bezwaar van eiser is verweerder bij deze besluiten gebleven.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 12 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en gemachtigde van verweerder.

De genomen besluiten

3. Eiser heeft de Turkse nationaliteit, woont sinds 2007 in Nederland, en is PhD-student aan de [universiteit].
3.1.
Verweerder heeft eiser bij brief van 28 juli 2023 aangemaand om een zorgverzekering op grond van de Zvw af te sluiten. Daarbij heeft verweerder eiser erop gewezen dat, indien hij niet vóór 28 oktober 2023 gevolg geeft aan de aanmaning, hem een boete wordt opgelegd. Verder is hem meegedeeld dat als hij meent geen Nederlandse zorgverzekering nodig te hebben, hij bij de Sociale Verzekeringsbank (SVB) kan laten onderzoeken of hij verzekerd is voor de Wet langdurige zorg (Wlz), nu dat de basis is voor een verplichte zorgverzekering in Nederland. De brief is voorzien van een vertaling in het Engels.
3.2.
Verweerder heeft geconstateerd dat eiser binnen de gestelde termijn geen zorgverzekering heeft afgesloten in de zin van de Zvw. Dit heeft geleid tot het besluit van 6 november 2023, waarbij een boete is opgelegd van € 472,25. In dat besluit is vermeld dat hij binnen drie maanden, dus vóór 6 februari 2024, een zorgverzekering in de zin van de Zvw moet afsluiten. Doet hij dat niet, dan wordt hem opnieuw een boete opgelegd. Verder is hem opnieuw meegedeeld dat, als hij meent geen Nederlandse zorgverzekering nodig te hebben, hij bij de SVB kan laten onderzoeken of hij verzekerd is voor de Wlz.
3.3.
Verweerder heeft geconstateerd dat eiser opnieuw niet binnen de gestelde termijn een zorgverzekering in de zin van de Zvw heeft afgesloten. Daarom heeft verweerder in het besluit van 13 september 2024 aan eiser een boete van € 496,74 opgelegd.
3.4.
In het bestreden besluit heeft verweerder de opgelegde boetes gehandhaafd. Verweerder stelt zich daarbij op het standpunt dat uit telefonisch contact met de SVB op 11 september 2024 is gebleken dat eiser ingezetene is van Nederland en dat hij daarom verzekeringsplichtig is vanaf 23 maart 2010. Iedereen die verzekerd is voor de Wlz is verplicht een zorgverzekering af te sluiten. Een studentenverzekering bij AON volstaat niet. Daarom zijn volgens verweerder de boetes terecht opgelegd.

Beroepsgronden

4. Eiser voert aan dat hij student is en alleen in Nederland woont om te studeren. Hij heeft sinds augustus 2023 een studentenverzekering bij AON. In de regelgeving is bepaald dat studenten die meer verdienen dan het minimumloon verplicht zijn om een basiszorgverzekering af te sluiten in Nederland. Eiser is dat niet verplicht, omdat zijn inkomen lager dan het minimumloon. Zijn inkomen bedraagt ongeveer € 1.658,-. Eiser is van mening dat de verzekering bij AON volstaat.

Wettelijk kader

5. Op grond van artikel 2.1.3. van de Wlz stelt de SVB vast of een natuurlijke persoon voldoet aan de vastgestelde voorwaarden voor het verzekerd zijn ingevolge deze wet.
5.1.
In artikel 2, eerste lid, van de Zvw is bepaald dat degene die ingevolge de Wlz en de daarop gebaseerde regelgeving van rechtswege verzekerd is, verplicht is zich krachtens een zorgverzekering te verzekeren of te laten verzekeren tegen het in artikel 10 bedoelde Pro risico. Dat is kort gezegd het risico van behoefte aan geneeskundige zorg.
5.2.
In artikel 9a, eerste lid, van de Zvw is bepaald dat het CAK nagaat welke verzekeringsplichtigen in weerwil van hun verzekeringsplicht niet krachtens een zorgverzekering zijn verzekerd.
In het tweede lid van dit artikel is bepaald dat het CAK een verzekeringsplichtige als bedoeld in het eerste lid een schriftelijke aanmaning zendt om zich binnen een termijn van drie maanden, te rekenen vanaf de datum van verzending van de aanmaning, alsnog op grond van zo’n verzekering te verzekeren of te laten verzekeren.
5.3.
Op grond van artikel 9b, eerste en tweede lid, van de Zvw legt het CAK, indien een verzekeringsplichtige aan wie een aanmaning als bedoeld in artikel 9a is verzonden, niet binnen drie maanden na verzending daarvan verzekerd is een bestuurlijke boete op.
5.4.
In artikel 5:41 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat het bestuursorgaan geen bestuurlijke boete oplegt voor zover de overtreding niet aan de overtreder kan worden verweten.
5.5.
In artikel 5:46, derde lid, van de Awb is bepaald dat indien de hoogte van de bestuurlijke boete bij wettelijk voorschrift is vastgesteld, het bestuursorgaan niettemin een lagere bestuurlijke boete oplegt indien de overtreder aannemelijk maakt dat de vastgestelde bestuurlijke boete wegens bijzondere omstandigheden te hoog is.

Beoordeling door de rechtbank

6. Uit de stukken blijkt dat de SVB in het besluit van 22 december 2023 heeft vastgesteld dat eiser vanaf 23 maart 2010 verzekerd is voor de Wlz. Uit de brief van 26 februari 2024 blijkt dat de SVB zich op het standpunt blijft stellen dat eiser op dat moment, omdat hij ingezetene is, op grond daarvan verplicht verzekerd is voor de Wlz.
6.1.
Niet gebleken is dat eiser tegen het besluit van de SVB van 22 december 2023 bezwaar heeft gemaakt. Dat besluit staat dus in rechte vast. De rechtbank is daarom van oordeel dat verweerder in het bestreden besluit terecht is uitgegaan van de vaststelling van de SVB dat eiser vanaf 23 maart 2010 verzekerd is op grond van de Wlz. Verweerder heeft op basis daarvan terecht geconcludeerd dat eiser verplicht was een zorgverzekering in de zin van de Zvw af te sluiten. Dat is immers een verplichting die voortvloeit uit artikel 2, eerste lid, van de Zvw.
6.2.
Verweerder heeft geconstateerd dat eiser niet een zorgverzekering in de zin van de Zvw heeft afgesloten. Eisers verzekering bij AON is niet aan te merken als een zorgverzekering in de zin van de Zvw. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat een zorgverzekering alleen een zorgverzekering in de zin van de Zvw is als deze op grond van artikel 25 van Pro de Zvw is aangemeld bij de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa). [1] De zorgverzekering die eiser bij AON heeft afgesloten is niet aangemeld bij de NZa. Eiser beschikte dan ook niet over een zorgverzekering als bedoeld in de Zvw. De gronden die eiser naar voren heeft gebracht, zoals de stelling dat hij geen ingezetene van Nederland is, dat hij student is en slechts voor de duur van de studie in Nederland woont, slagen dan ook niet. Eiser dient deze gronden aan te kaarten bij de SVB, aangezien de SVB (en niet verweerder) bevoegd is vast te stellen wie verzekerd is op grond van de Wlz.
6.3.
Aangezien eiser niet voldaan heeft aan de aanmaningen van verweerder om – voor zover het de eerste boete betreft – vóór 28 oktober 2023, en – voor zover de tweede boete betreft – niet vóór 6 februari 2024 een zorgverzekering in de zin van de Zvw af te sluiten, was verweerder gehouden hem de boetes op te leggen.
6.4.
Voor zover eiser stelt dat van hem met zijn lage inkomen niet kan worden verwacht een zorgverzekering in de zin van de Zvw af te sluiten, overweegt de rechtbank dat uit vaste rechtspraak [2] volgt dat ook indien sprake is van het vrijwel ontbreken van draagkracht, het toch geboden is een boete op te leggen. Dit vanwege de prikkel tot verzekering tegen ziektekosten die, ook gelet op het belang van de volksgezondheid, van het opleggen van een boete moet uitgaan. Eiser stelt dat zijn inkomen onder het niveau van het minimumloon ligt en dat het ongeveer € 1.658,- bedraagt. De rechtbank ziet in hetgeen eiser over de hoogte van zijn inkomen naar voren heeft gebracht geen grond voor het oordeel dat sprake is van een situatie dat sprake is van zodanig verminderde draagkracht, dat er aanleiding was om op grond van artikel 5:46, derde lid, van de Awb een lagere boete op te leggen.
6.5.
Ten slotte is er geen aanleiding om te bepalen dat moet worden afgezien van het opleggen van een boete op grond van artikel 5:41 van Pro de Awb omdat niet gebleken is dat de overtreding niet aan eiser kan worden verweten.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.A. Oudenaarden, rechter, in aanwezigheid van
mr.I. Geerink, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 29 juni 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de CRVB van 2 november 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:4182, en van 9 augustus 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2467.
2.Zie de uitspraak van de CRVB van 4 maart 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:547. Zie ook de uitspraak van de CRVB van 28 maart 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:943.