Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:16575

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
18 juni 2026
Publicatiedatum
19 juni 2026
Zaaknummer
NL26.32104
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vw 2000Art. 96 Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen voortduren maatregel bewaring vreemdeling met zicht op uitzetting

De minister heeft op 6 maart 2026 een maatregel van bewaring opgelegd aan eiser op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Eiser heeft tegen het voortduren van deze maatregel beroep ingesteld. De rechtbank heeft deze maatregel reeds eerder getoetst en verklaard rechtmatig tot 23 april 2026.

Eiser stelt dat er geen zicht is op uitzetting binnen redelijke termijn naar Algerije, ondanks meerdere rappelleringen door de minister en een vertrekgesprek waarin eiser zich coöperatief opstelde. De rechtbank oordeelt dat zicht op uitzetting niet ontbreekt, aangezien de laissez passer-aanvraag bij de Algerijnse autoriteiten ligt en nog niet is afgewezen. Eiser heeft bovendien geen concrete stappen ondernomen om het traject te bespoedigen.

Verder voert eiser aan dat de detentieomstandigheden sober zijn en dat het voortduren van de bewaring daarom niet gerechtvaardigd is. De rechtbank stelt dat gedurende de eerste zes maanden van bewaring meer gewicht toekomt aan de belangen van de minister en dat eiser geen bijzondere omstandigheden heeft aangevoerd die dit veranderen.

De rechtbank ziet geen aanleiding om de maatregel van bewaring op te heffen of te wijzigen en verklaart het beroep ongegrond. Er is geen proceskostenveroordeling opgelegd en tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.32104

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 juni 2026 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. J.M. Walther),
en

de minister van Asiel en Migratie.

Procesverloop

De minister heeft op 6 maart 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld.
Deze rechtbank en zittingsplaats heeft deze maatregel van bewaring eerder getoetst. Op het eerste beroep heeft de rechtbank beslist bij uitspraak van 20 maart 2026 [1] en op het eerste vervolgberoep heeft de rechtbank op 29 april 2026 uitspraak gedaan. [2]
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft het vooronderzoek gesloten op 16 juni 2026 en bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft. [3]

Overwegingen

1. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw 2000 dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw 2000 het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 29 april 2026 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek, op 23 april 2026.
Ontbreekt zicht op uitzetting binnen redelijke termijn?
3. Eiser voert aan dat zicht op uitzetting binnen redelijke termijn ontbreekt. Sinds het sluiten van het vooronderzoek in het eerdere vervolgberoep, heeft de minister namelijk drie keer schriftelijk gerappelleerd op de laissez passer (lp) aanvraag van eiser en heeft een vertrekgesprek gevoerd. Daarin heeft eiser zich coöperatief opgesteld. Hieruit kan niet worden afgeleid dat binnen redelijke termijn een lp zal worden verstrekt.
3.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank stelt daarbij voorop dat zicht op uitzetting naar Algerije in zijn algemeenheid niet ontbreekt. [4] Het is de rechtbank niet gebleken dat dit inmiddels anders zou zijn. Ook in geval van eiser ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat geen sprake is van zicht op uitzetting binnen redelijke termijn. De lp-aanvraag is op 10 maart 2026 naar de Algerijnse autoriteiten verzonden en niet is gebleken dat zij de aanvraag (al) hebben afgewezen en/of niet (meer) in behandeling hebben. Aan de autoriteiten van Algerije mag ook enige tijd gegund worden om op de aanvraag te reageren. Verder is van belang dat eiser, hoewel hij in het vertrekgesprek van 13 mei 2026 heeft verklaard mee te willen werken aan zijn terugkeer, geen concrete handelingen heeft verricht om aan documenten te komen. Met documenten kan eiser echter het lp-traject bespoedigen.
Is het voortduren van de maatregel nog gerechtvaardigd?
4. Eiser voert aan dat het voortduren van de maatregel niet langer gerechtvaardigd is. Eiser zit namelijk al bijna vier maanden in bewaring. Daarbij is relevant dat de omstandigheden in detentie sober zijn. Eiser heeft slechts twee uur per dag recht om buiten zijn cel te verblijven en heeft weinig privacy, omdat hij zijn cel moet delen. Verder zijn er weinig dagbestedingsmogelijkheden in het detentiecentrum.
4.1.
Voor zover eiser hiermee betoogt dat hij niet langer in bewaring kan worden gehouden, omdat zijn belangen zwaarder wegen dan die van de minister, slaagt dit betoog niet. In beginsel komt gedurende de eerste zes maanden van de bewaring namelijk meer gewicht toe aan de belangen van de minister bij voortduring van de bewaring dan aan de belangen van eiser bij zijn invrijheidstelling. De minister dient op dat moment ook een verzwaarde belangenafweging te maken. Eiser zit nog geen zes maanden in bewaring, waardoor deze verzwaarde belangenafweging nog niet gemaakt hoeft te worden. Wel kunnen bijzondere omstandigheden ertoe leiden dat aan de belangen van de vreemdeling, ook al is de zes maandentermijn nog niet verstreken, een groter gewicht toekomt dan aan de belangen van de minister. Eiser heeft echter dergelijke bijzondere omstandigheden niet naar voren gebracht. Dat wat eiser aanvoert over de detentieomstandigheden is daarvoor onvoldoende. Over deze omstandigheden kan eiser namelijk volgens vaste jurisprudentie klagen in het detentiecentrum. [5]
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
5. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens verder geen grond om te komen tot het oordeel dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment onrechtmatig is geweest. [6]

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. van der Straaten, rechter, in aanwezigheid van mr. K.H.M.M. Otten, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Rb. Den Haag, zp. Arnhem, 20 maart 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:6039.
2.Rb. Den Haag, zp. Arnhem, 29 april 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:10301.
3.Dit is mogelijk op grond van artikel 96, eerste lid, van de Vw 2000.
4.ABRvS 6 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1892 en ABRvS 27 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:722
5.ABRvS 10 december 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BO8075.
6.Vergelijk HvJEU 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647 (Adrar), HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 (C, B en X) en ABRvS 12 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:329.