ECLI:NL:RBDHA:2026:16575
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen voortduren maatregel bewaring vreemdeling met zicht op uitzetting
De minister heeft op 6 maart 2026 een maatregel van bewaring opgelegd aan eiser op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Eiser heeft tegen het voortduren van deze maatregel beroep ingesteld. De rechtbank heeft deze maatregel reeds eerder getoetst en verklaard rechtmatig tot 23 april 2026.
Eiser stelt dat er geen zicht is op uitzetting binnen redelijke termijn naar Algerije, ondanks meerdere rappelleringen door de minister en een vertrekgesprek waarin eiser zich coöperatief opstelde. De rechtbank oordeelt dat zicht op uitzetting niet ontbreekt, aangezien de laissez passer-aanvraag bij de Algerijnse autoriteiten ligt en nog niet is afgewezen. Eiser heeft bovendien geen concrete stappen ondernomen om het traject te bespoedigen.
Verder voert eiser aan dat de detentieomstandigheden sober zijn en dat het voortduren van de bewaring daarom niet gerechtvaardigd is. De rechtbank stelt dat gedurende de eerste zes maanden van bewaring meer gewicht toekomt aan de belangen van de minister en dat eiser geen bijzondere omstandigheden heeft aangevoerd die dit veranderen.
De rechtbank ziet geen aanleiding om de maatregel van bewaring op te heffen of te wijzigen en verklaart het beroep ongegrond. Er is geen proceskostenveroordeling opgelegd en tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard.