ECLI:NL:RBDHA:2026:6039

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
20 maart 2026
Publicatiedatum
20 maart 2026
Zaaknummer
NL26.12685
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vw 2000Art. 62 Vw 2000Art. 5.1b Vb 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen terugkeerbesluit, inreisverbod en maatregel van bewaring

De minister heeft aan eiser een terugkeerbesluit en een inreisverbod voor twee jaar opgelegd, alsmede een maatregel van bewaring op grond van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde beroep in tegen deze besluiten en verzocht tevens om schadevergoeding.

De rechtbank oordeelt dat de minister terecht geen vertrektermijn heeft toegekend vanwege het risico dat eiser zich aan toezicht onttrekt. Het gestelde gezinsleven werd onvoldoende concreet onderbouwd, waardoor het inreisverbod niet onrechtmatig is. De zware gronden voor het terugkeerbesluit en de maatregel van bewaring, zoals onrechtmatige binnenkomst en het onttrekken aan toezicht, zijn feitelijk juist en niet betwist.

Er is voldoende zicht op uitzetting naar Algerije binnen een redelijke termijn, mede gelet op de lopende laissez-passer aanvraag. De minister heeft terecht geen lichter middel toegepast vanwege het hoge onttrekkingsrisico. De rechtbank ziet geen aanleiding om de besluiten onrechtmatig te achten en wijst het beroep en het verzoek om schadevergoeding af.

Uitkomst: Het beroep tegen het terugkeerbesluit, inreisverbod en de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummers: NL26.12685 en NL26.13405

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 maart 2020 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. J.M. Walther),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. E. Özel).

Procesverloop

Bij besluit van 6 maart 2026 (bestreden besluit 1) heeft de minister aan eiser een terugkeerbesluit en een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd. De minister heeft op diezelfde dag aan eiser de maatregel van bewaring (bestreden besluit 2) op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.
Eiser heeft tegen de bestreden besluiten afzonderlijk beroep ingesteld. Het beroep tegen het bestreden besluit 2 moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft de beroepen op 17 maart 2026 gevoegd op zitting behandeld. Eiser is verschenen met behulp van een beeldverbinding. Verder zijn verschenen de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.

Overwegingen

Het terugkeerbesluit en inreisverbod (het bestreden besluit 1)
Vertrektermijn
1. Eiser voert aan dat de minister ten onrechte geen vertrektermijn heeft opgelegd aan eiser. Op grond van artikel 62, eerste lid, van de Vw 2000, dient de minister eiser een vertrektermijn van vier weken te gunnen.
1.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De minister kan een vreemdeling in een terugkeerbesluit een vertrektermijn onthouden als het risico bestaat dat deze vreemdeling zich aan het toezicht zal onttrekken. [1] Gelet op wat hieronder zal worden geoordeeld in overweging 4.2 heeft de minister terecht een vertrektermijn van 0 dagen aangehouden.
Gezinsleven
2. Eiser betoogt dat hij in een eerdere bewaringsprocedure heeft verklaard dat hij een vriendin heeft in [plaats]. Hierdoor kan de minister niet uitsluiten dat er sprake is van gezinsleven. Het opleggen van het inreisverbod vormt een belemmering op de uitoefening van dit gezinsleven.
2.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank stelt vast dat eiser tijdens het gehoor voorafgaand aan het opleggen van het terugkeerbesluit en inreisverbod heeft verklaard dat hij hier in Nederland alleen leeft en geen kinderen heeft. Ook heeft hij geen zorgtaken voor anderszins afhankelijke personen. De minister heeft door vragen te stellen voldoende onderzoek gedaan naar een mogelijk beschermwaardig gezinsleven. Dit bleek niet het geval te zijn. Verder heeft eiser niet concreet gemaakt wie deze gestelde vriendin is, waar zij verblijft en in hoeverre sprake zou zijn van in Nederland opgebouwd gezinsleven. De minister had hierin geen belemmeringen hoeven te zien om een inreisverbod op te leggen.
De gronden waarop het terugkeerbesluit is gebaseerd
3. Eiser heeft beroepsgronden ingediend tegen de gronden waarop het terugkeerbesluit is gebaseerd. Omdat deze gronden ook ten grondslag zijn gelegd aan het bestreden besluit 2 zal de rechtbank – om herhaling te voorkomen – deze beroepsgronden hierna onder 4 en verder bespreken.
De maatregel van bewaring (het bestreden besluit 2)
De gronden van bewaring en het terugkeerbesluit
4. In de maatregel van bewaring en in het terugkeerbesluit heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb 2000 heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan;
4e. verdachte is van enig misdrijf dan wel daarvoor is veroordeeld.
4.1.
Op de zitting heeft de minister de lichte grond 4e laten vallen.
4.2.
De rechtbank stelt vast dat eiser de zware gronden 3a en 3b niet heeft betwist. Voor de zware grond 3a en 3b is voldoende dat zij feitelijk juist zijn. [2] De zware grond 3a is feitelijk juist omdat eiser niet vrij kan reizen binnen het Schengengebied, door zijn asielaanvragen in andere lidstaten. Daarom is hij niet op rechtmatige wijze Nederland ingereisd. De zware grond 3b is feitelijk juist omdat eiser op 21 oktober 2025 en 12 november 2025 met onbekende bestemming is vertrokken. Deze gronden kunnen de maatregel van bewaring samen dragen en eiser ook worden tegengeworpen. Wat eiser heeft aangevoerd tegen de overige gronden geeft geen aanleiding de gronden van de maatregel van bewaring onvoldoende te achten. Ook is er geen aanleiding om de motivering van het terugkeerbesluit onvoldoende te achten. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Zicht op uitzetting
5. Eiser voert aan dat het zicht op uitzetting ontbreekt. Eiser geeft aan dat er een nieuwe consul is en daarom niet alle personen meer worden gepresenteerd. [3]
5.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank stelt daarbij voorop dat uit de uitspraak van 6 mei 2024 [4] van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) volgt dat er in het algemeen zicht op uitzetting is naar Algerije binnen een redelijke termijn. Op de zitting stelt de minister dat in de periode van 1 februari 2026 tot met 28 februari 2026 er 23 laissez-passer (lp) aanvragen zijn ingediend, 14 presentaties zijn gepland, 3 vreemdelingen zijn gepresenteerd, 1 nationaliteitsbevestiging is ontvangen, 6 lp’s zijn ontvangen en 9 vreemdelingen gedwongen zijn uitgezet naar Algerije. In onderhavig geval is er op 10 maart 2026 een lp-aanvraag ingediend bij de Algerijnse autoriteiten. Niet is gebleken dat de Algerijnse autoriteiten de aanvraag (al) hebben afgewezen of dat zij de aanvraag niet (langer) in behandeling hebben. Aan de Algerijnse autoriteiten mag enige tijd worden gegund om de afgifte van een lp in orde te maken en om te bepalen welke stappen daarvoor nodig zijn. Dat dit traject enige tijd zal gaan duren maakt niet dat hierom moet worden aangenomen dat er geen zicht is op uitzetting naar Algerije. Bovendien kan eiser dit traject bespoedigen door zelf handelingen te verrichten om aan documenten te komen.
Lichter middel
6. Eiser voert aan dat er een lichter middel opgelegd had moeten worden.
6.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De minister stelt zich, gelet op de gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd, terecht op het standpunt dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Het onttrekkingsrisico bij het opleggen van een lichter middel in plaats van een inbewaringstelling is volgens de minister te groot. Ook is niet nader toegelicht waarom een lichter middel opgelegd zou moeten worden. Voor zover eiser hierbij verwijst naar de omstandigheid dat hij een vriendin in [plaats] zou hebben, wijst de rechtbank op wat zij daarover hiervoor bij 2.1 heeft overwogen.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
7. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens verder geen grond om te komen tot het oordeel dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment onrechtmatig is geweest. [5]

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep tegen het terugkeerbesluit en inreisverbod (bestreden besluit 1) ongegrond;
- verklaart het beroep tegen de maatregel van bewaring (bestreden besluit 2) ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M.C. Schuurman-Kleijberg, rechter, in aanwezigheid van mr. N. El-Amrani, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak voor zover die over bestreden besluit 2 gaat, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
Tegen deze uitspraak voor zover die over bestreden besluit 1 gaat, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Dat volgt uit artikel 62, tweede lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000.
2.ABRvS 25 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:829.
3.Eiser verwijst hierbij naar: Rb. Den Haag (zp. Groningen) 15 oktober 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:18945.
4.ABRvS 6 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1892 en de recente uitspraak van 27 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:722.
5.Vergelijk HvJEU 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647 (Adrar) en HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 (C, B en X).