Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:16510

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
10 juni 2026
Publicatiedatum
18 juni 2026
Zaaknummer
NL24.37441
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:46 AwbArt. 28 Vw 2000Art. 4 KwalificatierichtlijnArt. 8:72 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging afwijzing asielaanvraag Gülen-aanhanger wegens onvoldoende motivering vervolgingsrisico

Eiser, een Turkse nationaliteit dragende man geboren in 1972, diende op 31 juli 2023 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel. De minister wees deze aanvraag op 30 augustus 2024 af, stellende dat eiser geen gegronde vrees voor vervolging had, ondanks zijn eerdere veroordeling voor lidmaatschap van de Gülen-beweging. Eiser betwistte dit besluit en voerde aan dat hij bij terugkeer in Turkije opnieuw vervolgd zou worden.

De rechtbank oordeelde dat de minister weliswaar redelijk tot de beleidswijziging over Gülen-aanhangers had kunnen komen, maar onvoldoende had gemotiveerd waarom eiser, ondanks zijn eerdere veroordeling en individuele omstandigheden, geen reëel risico loopt op vervolging. De rechtbank nam daarbij mee dat eiser na zijn vrijlating tien maanden in Turkije verbleef, onder toezicht van de reclassering stond, en zich in Nederland engageert met stichtingen gelieerd aan de Gülen-beweging.

De rechtbank vernietigde het bestreden besluit wegens strijd met het motiveringsvereiste van artikel 3:46 Awb Pro en bepaalde dat de minister binnen acht weken een nieuw besluit moet nemen, waarbij alle relevante omstandigheden en stukken in acht worden genomen. Tevens werd de minister veroordeeld tot betaling van proceskosten aan eiser.

Uitkomst: De rechtbank vernietigt de afwijzing van de asielaanvraag en beveelt de minister tot een nieuw besluit met voldoende motivering binnen acht weken.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.37441

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 juni 2026 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. S.T.C. Rebergen),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. R.A. Mandersloot).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van Pro de Vw 2000 [1] . Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan blijven. Weliswaar heeft de minister redelijkerwijs tot de beleidswijziging over Gülen-aanhangers kunnen komen, maar de minister heeft niet voldoende gemotiveerd dat eiser, ondanks zijn eerdere veroordeling als Gülen-aanhanger, bij terugkeer naar Turkije niet heeft te vrezen voor vervolging. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 31 juli 2023 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 30 augustus 2024 deze aanvraag afgewezen als ongegrond.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 20 november 2025 op zitting behandeld en het onderzoek gesloten. Hieraan hebben eiser, de gemachtigde van eiser en mr. P.A.L.A. Ittersum als gemachtigde van de minister deelgenomen. Op 12 december 2025 heeft de rechtbank het onderzoek heropend in verband met een aanstaande uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank over hetzelfde onderwerp. De rechtbank heeft het beroep vervolgens op 28 april 2026 opnieuw op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister deelgenomen.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas
3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser is geboren op [geboortedag] 1972 en heeft de Turkse nationaliteit. Hij is in Turkije veroordeeld vanwege zijn lidmaatschap van de Gülen-beweging. Eiser heeft daarvoor een gevangenisstraf grotendeels uitgezeten en is vervroegd onder voorwaarden vrijgelaten. Hij heeft vervolgens Turkije verlaten en vreest bij terugkeer opnieuw opgepakt en veroordeeld te worden voor zijn betrokkenheid bij de Gülen-beweging.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
identiteit, nationaliteit en herkomst;
betrokkenheid bij de Gülen-beweging en vervolging in verband hiermee.
4.1.
De minister vindt de asielmotieven geloofwaardig. Maar uit eisers verklaringen blijkt geen gegronde vrees voor vervolging of reëel risico op ernstige schade. Hierbij betrekt de minister dat eiser de vrees dat hij bij terugkeer het resterende gedeelte van zijn gevangenisstraf moet uitzitten niet aannemelijk heeft gemaakt. Ook heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij bij terugkeer naar Turkije te vrezen heeft voor de autoriteiten vanwege zijn betrokkenheid bij de Gülen-beweging. Zo heeft eiser na zijn vrijlating tot aan zijn vertrek lang in Turkije kunnen verblijven, is hem een paspoort verstrekt, heeft hij probleemloos kunnen uitreizen en heeft hij geen uitreisverbod opgelegd gekregen. Daarnaast heeft eiser verklaard geen politieke overtuiging te hebben of activiteiten uit te voeren die erop duiden dat hij Gülen-aanhanger is. De minister concludeert daarom dat de asielaanvraag ongegrond is.
Heeft de minister redelijkerwijs tot de beleidswijziging over Gülen-aanhangers kunnen komen?
5. Eiser betoogt dat het gewijzigde asielbeleid van de minister over Gülen-aanhangers [2] niet in overeenstemming is met de landeninformatie. Uit de landeninformatie volgt namelijk dat de situatie voor Gülen-aanhangers niet is gewijzigd. Om dit standpunt te onderbouwen heeft eiser een aantal stukken overgelegd. [3] Volgens eiser kan uit de Algemeen ambtsberichten Turkije van augustus 2023 en van februari 2025 niet worden afgeleid dat de strafrechtelijke vervolging van Gülen-aanhangers is afgenomen. Verschillende zittingsplaatsen van deze rechtbank hebben geoordeeld dat de minister niet in redelijkheid tot de beleidswijziging voor (toegedichte) Gülenisten heeft kunnen komen. [4] Eiser verwijst naar een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam [5] , waarin de rechtbank oordeelde dat de minister sinds de beleidswijziging van 1 december 2023 selectief de landeninformatie gebruikt en de minister nader dient te motiveren waarom de intensiteit van het vervolgen van Gülen-aanhangers is afgenomen. Verder betoogt eiser dat het onredelijk is dat sinds de beleidswijziging Gülen-aanhangers worden aangemerkt als risicoprofiel en niet meer als risicogroep en is het onredelijk dat een verhoogde bewijslast wordt geëist van Gülen-aanhangers.
5.1.
De beroepsgrond slaagt niet. Uit de uitspraak van de meervoudige kamer van 14 januari 2026 van deze rechtbank en zittingsplaats [6] en de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 25 maart 2026 [7] volgt dat de minister op goede gronden tot de beleidswijziging over Gülen-aanhangers heeft kunnen komen. Uit de ambtsberichten van 2023 en 2025 blijkt namelijk dat de situatie voor Gülenisten in deze verslagperiode verschilt van de situatie in de periode tussen 21 juli 20216 en 19 juli 2018, waarin de noodtoestand van kracht was. De vervolging van Gülenisten in Turkije komt nog steeds voor, maar neemt sinds de mislukte couppoging in 2016 af, waarbij deze afname niet volledig verklaard kan worden door het vertrek van veel Gülenisten of eerdere vervolging van betrokkenen. Hoewel de autoriteiten zich ook richten op een restcategorie, richten zij zich vooral op Gülenisten binnen justitie en veiligheid. Daarnaast toetsen hogere rechterlijke instanties het bewijs strenger, waardoor vervolging van Gülenisten minder makkelijk is. In deze opzichten verschilt het huidige beeld van dat vlak na de coup. Uit het voorgaande volgt dat niet iedere Gülen-aanhanger bij terugkeer naar Turkije te vrezen heeft voor vervolging en dat die vrees daarom per geval aan de hand van individuele omstandigheden moet worden beoordeeld. De rechtbank gaat daar hierna verder op in.
Heeft de minister voldoende gemotiveerd dat eiser, ondanks zijn eerdere veroordeling, bij terugkeer naar Turkije niet heeft te vrezen voor vervolging?
6. Eiser betoogt dat zijn onterechte vervolging en gevangenschap in Turkije voor betrokkenheid bij de Gülen-beweging voldoende is om hem aan te merken als vluchteling. [8] De minister heeft volgens hem onvoldoende gemotiveerd dat eiser niet opnieuw heeft te vrezen voor vervolging door de Turkse autoriteiten. De minister gaat er aan voorbij dat hij een veroordeelde Gülen-aanhanger is en door de Turkse autoriteiten als terrorist wordt beschouwd. Eiser heeft een oproep en een waarschuwing van de Turkse reclassering overgelegd waaruit blijkt dat hij door COVID niet het reclasseringstraject na zijn vrijlating heeft kunnen afronden. Dit onderbouwt nader het standpunt van eiser dat hij bij terugkeer vreest in de gevangenis te belanden en het resterende deel van zijn straf uit moet zitten. Verder wijst eiser op door hem overgelegde stukken waaruit blijkt dat hij en zijn familieleden onder de aandacht zijn van de Turkse autoriteiten. [9] Ook wijst eiser op de klacht die hij heeft ingediend bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM), waardoor hij als landverrader gezien zal worden.
Daarnaast stelt de minister ten onrechte dat eiser geen Gülen-aanhanger is. Eiser kon zich vanwege zijn baan bij de politie niet openlijk uiten, maar hij heeft steeds verklaard dat hij een sympathisant is voor de Gülen-beweging. Eiser verricht in Nederland ook vrijwilligers werkzaamheden bij verschillende stichtingen gelieerd aan de Gülen-beweging. Hij heeft hier verklaringen van de stichtingen van overgelegd.
6.1.
De minister stelt zich op het standpunt dat eiser, ondanks zijn eerdere veroordeling voor betrokkenheid bij de Gülen-beweging, bij terugkeer naar Turkije niet heeft te vrezen voor vervolging dan wel geen reëel risico loopt op ernstige schade. Het enkele feit dat eiser (onterecht) is vervolgd en gevangen heeft gezeten maakt hem geen vluchteling. Uit het Algemeen ambtsbericht 2025 [10] blijkt dat vervolging van vrijgelaten Gülenisten vooral voorkomt bij personen die wederom contact krijgen met Gülenisten of banden opnieuw aanhalen met de Gülen-beweging. Ook blijkt uit dit ambtsbericht dat vrijgelaten Gülenisten mogelijk gecontroleerd kunnen worden. Nog afgezien van het feit dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij zal worden gecontroleerd, leveren dergelijke controles op zichzelf geen gegronde vrees voor vervolging op. [11] De minister erkent dat er sprake is van vervolging van Gülenisten, maar deze vervolging is in zulke mate afgenomen dat een vreemdeling op basis van zijn persoonlijke omstandigheden aannemelijk moet maken dat hij gegronde vrees heeft voor vervolging. Deze vrees heeft eiser niet aannemelijk gemaakt. Eiser heeft zelf verklaard geen Gülenist te zijn. Hij is in Turkije alleen veroordeeld omdat hij gebruik maakte van Bylock, een bankrekening bij de Aysa en associatie met Gülenisten (dit betroffen collega’s bij de afdeling Vreemdelingenzaken van de politie). De bank Aysa is sinds 2016 gesloten. Ook is eiser in 2016 ontslagen bij de politie en niet is gebleken dat hij contact met zijn collega’s heeft onderhouden. Daarom acht de minister het niet aannemelijk dat eiser opnieuw in contact komt met Gülenisten. De minister stelt zich verder op het standpunt dat uit de overgelegde stukken van de Turkse reclassering niet volgt aan welke voorwaarden eiser zich volgens de reclassering niet heeft gehouden. Ook volgt daar niet uit dat eiser bij terugkeer naar Turkije het resterende deel van zijn gevangenisstraf dient uit te zitten. Hier komt nog bij dat eiser na zijn vrijlating uit de gevangenis en voor zijn vertrek lang in Turkije heeft verbleven, dat aan hem een paspoort is verstrekt en dat hij legaal is uitgereisd.
Tot slot stelt de minister zich op het standpunt dat niet duidelijk geworden is wat de omvang van eisers politieke activiteiten in Nederland is. Ook is niet aannemelijk geworden dat de Turkse autoriteiten op de hoogte zijn van eisers activiteiten in Nederland.
6.2.
Deze beroepsgrond slaagt. Uit artikel 4, vierde lid, van de Kwalificatierichtlijn volgt dat een eerdere vervolging een duidelijke aanwijzing is dat de vrees van een vreemdeling voor vervolging gegrond is, tenzij er goede redenen zijn om aan te nemen dat die vervolging zich niet opnieuw zal voordoen. De minister vindt het geloofwaardig dat eiser is veroordeeld, zijn gevangenisstraf gedeeltelijk heeft uitgezeten en onder voorwaarden vervroegd in vrijheid is gesteld. Daarom dient beoordeeld te worden of eiser gelet op zijn individuele omstandigheden te vrezen heeft voor vervolging bij terugkeer naar Turkije. Hierbij acht de rechtbank het van belang dat eiser na zijn vrijlating tien maanden in Turkije heeft verbleven en in deze tijd uit zijn ambt is gezet vanwege zijn veroordeling. Eiser heeft verklaard dat hij hierdoor ook geen legaal werk meer kan verrichten of aanspraak kan maken op sociale voorzieningen. Verder volgt uit landeninformatie dat iemand waartegen een strafrechtelijk onderzoek of rechtszaak loopt legaal Turkije in en uit kan reizen en dat niet bij alle politieke zaken een uitreisverbod is opgelegd. [12] Daarnaast heeft eiser met stukken onderbouwd dat hij onder toezicht van de reclassering stond en dat hij zich aan bepaalde voorwaarden moest houden. Hij heeft zich niet aan de voorwaarden gehouden. Dat geen uitreisverbod is opgelegd aan eiser doet daar niet aan af. Het is verder van belang dat eiser zich in Nederland heeft aangesloten bij vrijwilligersorganisaties die steun bieden aan de Gülen-beweging en dat hij een klacht heeft ingediend bij het EHRM. Gelet op het voorgaande bestaan er volgens de rechtbank in het licht van de eerdere veroordeling voldoende indicaties dat eiser bij terugkeer naar Turkije een gegronde vrees voor vervolging zou kunnen hebben. Door de minister is hieraan onvoldoende gewicht toegekend.
6.2.1.
Dit leidt de rechtbank tot het oordeel dat de minister het bestreden besluit onvoldoende deugdelijk heeft gemotiveerd. De minister dient een nieuw besluit te nemen waarin gemotiveerd wordt waarom eiser bij terugkeer naar Turkije niet heeft te vrezen voor vervolging en waarbij alle onder 6.2 genoemde indicaties worden meegewogen. Hierbij moet de minister ook ingaan op de door eiser overgelegde stukken waaruit blijkt dat eiser en zijn familieleden onder de aandacht zijn van de Turkse autoriteiten.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met het in artikel 3:46 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) neergelegde vereiste dat een besluit dient te berusten op en deugdelijke motivering. Dit betekent dat eiser gelijk krijgt. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten, om zelf in de zaak te voorzien of om een bestuurlijke lus toe te passen. Het is aan de minister om opnieuw op de asielaanvraag van eiser te beslissen en bij een afwijzing deugdelijk te motiveren waarom de onder 6.2 genoemde indicaties er niet toe leiden dat sprake is van een gegronde vrees voor vervolging. De rechtbank bepaalt daarom dat de minister een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. [13] De rechtbank geeft de minister hiervoor een termijn van acht weken.
7.1.
Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- (1 punt voor het indienen van een beroepsschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor van 1). Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit van 30 augustus 2024;
  • draagt de minister op binnen 8 weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
  • veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.P.C.G. Derksen, rechter, in aanwezigheid van mr. T.M.T. Brandsma , griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Zoals bedoeld in het wijzigingsbesluit van 24 november 2023, WBV 2023/24, Stcrt. 2023, nr. 30427.
3.VluchtelingenWerk Nederland (VWN), Turkije - repressie en arrestaties van vermeende Gülenisten, d.d. 11 september 2024, Justice Square, 2024 Update: Developments in Gülen-Related Cases in Türkiye, d.d. februari 2025 en Finnish Immigration Service, Turkey; Individuals associated with the Gülen movement, d.d. juni 2024.
4.Rb. Den Haag (zp. Utrecht) 18 september 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:17248, Rb. Den Haag (zp. Groningen) 13 november 2025, ECLI:NL:RBDHA:2024:18640.
5.Rb. Den Haag (zp. Amsterdam) 15 augustus 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:13599.
6.Rb. Den Haag (zp. Arnhem) 14 januari 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:643.
7.ABRvS 25 maart 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1607.
8.Ter onderbouwing van dit standpunt verwijst eiser naar artikel 4, vierde lid, van de Kwalificatierichtlijn.
9.Screenshots waarin wordt gesproken over telefonische oproepen van de politie, een brief van de politie en een brief van eisers advocaat in Turkije.
10.Algemeen ambtsbericht Turkije, februari 2025, p. 52.
11.In de zin van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de Kwalificatierichtlijn.
12.Algemeen Ambtsbericht Turkije, d.d. augustus 2023.
13.De rechtbank past artikel 8:72, vierde lid, van de Awb toe.