AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Beoordeling asielaanvraag van Gülenist uit Turkije na beleidswijziging risicogroepen
Betrokkene, een Turkse nationaliteit dragende leraar verbonden aan de Gülenbeweging, diende in januari 2023 een asielaanvraag in na vrijspraak van een aanklacht wegens lidmaatschap van de terroristische organisatie FETÖ. De minister wees de aanvraag af op basis van een beleidswijziging per 1 december 2023, waarbij het risicogroepenbeleid voor Gülenisten werd aangescherpt.
De rechtbank vernietigde dit besluit en oordeelde dat de minister de beleidswijziging onvoldoende had gemotiveerd. De minister stelde hoger beroep in, betrokkene incidenteel. De Afdeling bestuursrechtspraak toetste de beleidswijziging aan de hand van ambtsberichten uit 2023 en 2025 en concludeerde dat de minister redelijkerwijs tot de wijziging kon komen gezien de afname in strafrechtelijke vervolging van Gülenisten sinds de couppoging van 2016.
De Afdeling oordeelde verder dat betrokkene onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij opnieuw vervolging of andere ernstige nadelen in Turkije te vrezen had. Diverse aangevoerde omstandigheden, zoals politiebezoek, spijtoptantenverklaringen en verblijf in Georgië, boden geen geringe indicaties. Het beroep van betrokkene werd ongegrond verklaard, het hoger beroep van de minister gegrond en de uitspraak van de rechtbank vernietigd.
Uitkomst: Het hoger beroep van de minister wordt gegrond verklaard en het beroep van betrokkene ongegrond, waardoor het besluit tot afwijzing van de asielaanvraag wordt bekrachtigd.
Uitspraak
202407037/1/V2.
Datum uitspraak: 25 maart 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op de hoger beroepen van:
1. de minister van Asiel en Migratie,
2. [betrokkene],
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 13 november 2024 in zaak nr. NL24.21247 in het geding tussen:
[betrokkene]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 17 mei 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van betrokkene om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij uitspraak van 13 november 2024 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van de uitspraak.
Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld.
Betrokkene heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven en voorwaardelijk incidenteel hoger beroep ingesteld.
De minister heeft een zienswijze naar voren gebracht.
De minister heeft op verzoek van de Afdeling nadere schriftelijke inlichtingen gegeven.
Betrokkene heeft daarop gereageerd.
Betrokkene heeft een nader stuk ingediend.
De Afdeling heeft de zaak gelijktijdig met zaken nrs. 202404629/1/V2 en 202501574/1/V2 ter zitting behandeld op 13 augustus 2025, waar de minister, vertegenwoordigd door mr. A.A. Wildeboer en mr. R.A. Visser, en betrokkene, bijgestaan door mr. M.P.J.W.M. Govers, advocaat in Tilburg, zijn verschenen.
Overwegingen
Waar gaat deze uitspraak over?
1. Deze uitspraak gaat over de situatie voor Gülenisten in Turkije. Met Gülenisten worden in deze uitspraak bedoeld: personen die op de een of andere manier betrokken zijn of zijn geweest bij de Gülenbeweging of aan wie de Turkse autoriteiten betrokkenheid bij die beweging toedichten. De Turkse autoriteiten houden de Gülenbeweging, die is geïnspireerd door de op [datum] 2024 overleden islamitische prediker [persoon], verantwoordelijk voor de mislukte couppoging van 15 juli 2016. De Turkse autoriteiten hebben die beweging daarom verboden en als terroristische organisatie aangemerkt, die zij aanduiden met de term FETÖ.
1.1. Met ingang van 1 december 2023 heeft de minister naar aanleiding van het Algemeen ambtsbericht Turkije van augustus 2023 het risicogroepenbeleid voor de beoordeling van asielaanvragen van Gülenisten gewijzigd. Zie het wijzigingsbesluit van 24 november 2023, WBV 2023/24, Stcrt. 2023, nr. 30427. Hierdoor geldt niet meer dat bij het ontbreken van geringe indicaties de risico’s bij terugkeer worden beoordeeld in het licht van de "diffuse en slechte situatie die gekenmerkt wordt door willekeur jegens (toegedichte) Gülen-aanhangers van de zijde van de Turkse autoriteiten". De minister heeft de asielaanvraag van betrokkene aan dit gewijzigde beleid getoetst. In deze uitspraak gaat de Afdeling in op de vraag of de minister aan de hand van het ambtsbericht van 2023 redelijkerwijs tot deze beleidswijziging heeft kunnen komen. Ook gaat de Afdeling in op de vraag of betrokkene wegens zijn betrokkenheid bij de Gülenbeweging een gegronde vrees voor vervolging heeft.
1.2. Overigens heeft de minister per 1 juli 2024 de risicogroepen in het landenbeleid vervangen door risicoprofielen. Zie het wijzigingsbesluit van 13 juni 2024, WBV 2024/12, Stcrt. 2024, nr. 19165. De rechtmatigheid van die wijziging ligt in deze uitspraak niet ter toetsing voor.
1.3. De Afdeling komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de mensenrechtensituatie voor Gülenisten in Turkije nog steeds zorgelijk is en dat de minister dit moet betrekken bij de beoordeling van asielaanvragen van Gülenisten, maar dat de door de Afdeling bij dit oordeel betrokken informatie voldoende aanknopingspunten biedt voor de onder 1.1 genoemde beleidswijziging. Daarnaast oordeelt de Afdeling dat de minister deugdelijk heeft gemotiveerd dat betrokkene bij terugkeer naar Turkije geen gegronde vrees voor vervolging heeft.
Inleiding
1.4. Betrokkene heeft de Turkse nationaliteit. Vóór de mislukte couppoging van 15 juli 2016 werkte hij in Turkije als leraar op een school die verbonden was aan de Gülenbeweging en vlak na de couppoging per decreet is gesloten. In 2018 zijn de Turkse autoriteiten een onderzoek naar betrokkene gestart wegens betrokkenheid bij die beweging, nadat een spijtoptant zijn naam in een verklaring had genoemd. De autoriteiten hebben betrokkene daarna langere tijd in de gaten gehouden. In 2021 is hij aangeklaagd wegens lidmaatschap van de terroristische organisatie FETÖ en is tegen hem een uitreisverbod uitgevaardigd. Betrokkene is in januari 2022 vrijgesproken wegens een gebrek aan bewijs. Toen is ook zijn uitreisverbod opgeheven. In september 2022 is betrokkene naar Georgië gereisd, waar hij vier maanden heeft verbleven. Betrokkene heeft in januari 2023 in Nederland een asielaanvraag ingediend. Daaraan heeft hij ten grondslag gelegd dat hij niet naar Turkije kan terugkeren, omdat hij vreest dat de Turkse autoriteiten inmiddels opnieuw een onderzoek naar hem zijn gestart of nog zullen starten wegens zijn betrokkenheid bij de Gülenbeweging.
1.5. De minister heeft de verklaringen van betrokkene dat hij in Turkije problemen heeft ondervonden omdat hij betrokken was bij de Gülenbeweging, geloofwaardig bevonden. De minister gaat er daarom van uit dat betrokkene behoort tot de groep "(toegedichte) Gülen-aanhangers", die in het ten tijde van het besluit geldende landgebonden asielbeleid voor Turkije als risicogroep was aangemerkt. De minister stelt zich echter op het standpunt dat betrokkene niet met geringe indicaties aannemelijk heeft gemaakt dat hij door zijn betrokkenheid bij de Gülenbeweging na terugkeer in Turkije opnieuw zal worden vervolgd.
Uitspraak van de rechtbank
2. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister redelijkerwijs niet tot de onder 1.1 genoemde beleidswijziging van 1 december 2023 kunnen komen, omdat de motivering die de minister hieraan ten grondslag heeft gelegd niet volstaat. De conclusies die de minister uit het ambtsbericht van 2023 heeft getrokken, volgen volgens de rechtbank niet zonder meer uit het ambtsbericht. Daarbij heeft de rechtbank onder meer betrokken dat de in het ambtsbericht van 2023 aangehaalde bronnen de gestelde afname in de intensiteit van de vervolging van Gülenisten niet met concrete gegevens hebben kunnen toelichten en dat drie van de vier bronnen die afname hebben teruggevoerd op andere redenen dan een daadwerkelijk verminderde negatieve aandacht van de Turkse autoriteiten voor Gülenisten. Daarnaast vindt de rechtbank de in het ambtsbericht van 2023 genoemde voorbeelden van uitspraken waarin hogere Turkse rechters strenger toetsen, onvoldoende dragend voor de conclusie dat de strafrechtelijke vervolging van Gülenisten in willekeur is afgenomen, ook omdat uit het ambtsbericht blijkt dat, ondanks deze positieve ontwikkelingen in de rechtspraak, personen relatief makkelijk konden worden verdacht van betrokkenheid bij de Gülenbeweging. Ten slotte heeft de rechtbank bij haar oordeel betrokken dat betrokkene in beroep bronnen heeft overgelegd waaruit blijkt dat de Turkse autoriteiten nog steeds veel Gülenisten arresteren en strafrechtelijk vervolgen.
Hoger beroep van de minister
3. De minister klaagt in zijn enige grief over het onder 2 weergegeven oordeel van de rechtbank. Volgens de minister komt uit het ambtsbericht van 2023 wel degelijk het beeld naar voren dat, in vergelijking met de periode na de mislukte coup in 2016, de intensiteit van de vervolging van Gülenisten en de willekeur waarmee dat gebeurde is afgenomen. De rechtbank heeft daarom ten onrechte geoordeeld dat hij de beleidswijziging van 1 december 2023 en daarmee het besluit niet deugdelijk heeft gemotiveerd, aldus de minister.
Geraadpleegde bronnen en leeswijzer
4. De Afdeling betrekt bij haar toets ook stukken waarop partijen pas na de uitspraak van de rechtbank een beroep hebben gedaan, waaronder het Algemeen ambtsbericht Turkije van februari 2025. Dit doet zij omwille van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling, de rechtsbescherming in algemene zin en de actualiteitswaarde van de uitspraak voor de behandeling van asielzaken van vreemdelingen die vallen onder het beleid van de minister voor de beoordeling van asielaanvragen van Gülenisten. Deze toets beperkt zich, gelet op de artikelen 8:65, eerste lid, en 8:69, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), tot het moment van sluiting van het onderzoek ter zitting bij de Afdeling op 13 augustus 2025.
4.1. Alle bij deze uitspraak betrokken landeninformatie is vermeld in de bijlagen van de uitspraak. Voor zover de Afdeling uit een van deze bronnen parafraseert, staat de vindplaats daarvan vermeld in de eindnoten in bijlage 1. Alle door partijen overgelegde bronnen zijn vermeld in bijlage 2. De bijlagen maken deel uit van deze uitspraak.
4.2. De Afdeling zet onder 5 eerst uiteen hoe de minister bepaalt wie Gülenist is en daardoor onder het beleid voor de beoordeling van asielaanvragen van Gülenisten valt. Daarna zet de Afdeling het beleid van vóór en na 1 december 2023 uiteen. Onder 6 geeft de Afdeling een samenvatting van de informatie die volgt uit de ambtsberichten van 2023 en 2025 en de overige in deze zaak betrokken stukken. Vervolgens beantwoordt de Afdeling onder 7 de vraag of de minister op basis van deze informatie redelijkerwijs tot de in het WBV 2023/24 opgenomen beleidswijziging heeft kunnen komen. Onder 8 gaat zij in op het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep van betrokkene. Tot slot gaat de Afdeling onder 10 in op het beroep van betrokkene.
Wat is de Gülenbeweging en wie is Gülenist?
5. De minister baseert zich voor algemene informatie over de Gülenbeweging onder meer op het ambtsbericht van 2023. Hieruit blijkt dat de beweging, voordat zij werd verboden, een losse verzameling vormde van religieuze, educatieve en maatschappelijke instellingen, en daarna alleen nog als georganiseerde gemeenschap voortleeft in de diaspora. Naar schatting waren rond 2010 tussen de acht en tien miljoen mensen in Turkije op de een of andere manier bij de Gülenbeweging betrokken en had de beweging vóór 2016 tussen de half en twee miljoen getrouwe volgelingen. Formeel lidmaatschap van de Gülenbeweging is niet mogelijk. Aansluiting bij de Gülenbeweging kan dan ook niet worden aangetoond met een lidmaatschapskaart. (noot 1)
5.1. In zijn schriftelijke inlichtingen heeft de minister uiteengezet dat hij aan de hand van de individuele verklaringen van een vreemdeling beoordeelt of die als Gülenist moet worden aangemerkt. De minister heeft toegelicht dat hij het gedachtegoed van de Gülenbeweging beschouwt als een politieke overtuiging en dat hij asielaanvragen van Gülenisten aan de hand van het daarvoor geldende kader beoordeelt. Een vreemdeling die dit gedachtegoed niet aanhangt kan volgens de minister ook onder het beleid voor Gülenisten vallen, wanneer hij aannemelijk maakt dat de Turkse autoriteiten hem deze overtuiging toedichten.
5.2. De minister beoordeelt aan de hand van de in onder meer het Algemeen ambtsbericht Turkije van maart 2021 opgenomen criteria of een vreemdeling Gülenisme kan worden toegedicht. Het gaat om de volgende criteria, die volgens het ambtsbericht van 2025 nog steeds actueel zijn:
- Een bankrekening bij Bank Asya hebben of hebben gehad;
- Een app genaamd ByLock op de mobiele telefoon hebben;
- Een abonnement op het dagblad Zaman hebben;
- Onderwijs hebben genoten aan een Gülenschool;
- Kinderen hebben gestuurd naar een Gülenschool;
- Een dienstverband hebben bij een onderneming,
nieuwsorganisatie of ngo die aan de Gülenbeweging is gelieerd;
- Geld hebben gedoneerd aan een Gülenistische ngo;
- Positief hebben gesproken over Gülen in het openbaar (denk
bijvoorbeeld aan het plaatsen van positieve berichten over Gülen op de
sociale media);
- Vele malen op en neer reizen tussen Turkije en Pennsylvania, waar Gülen verbleef. (noot 2 en 3)
Daarnaast kan volgens de minister de omstandigheid dat iemand in naam van de beweging vrijwilligerswerk heeft gedaan ook leiden tot toegedicht Gülenisme, gelet op het soort instellingen waaruit de Gülenbeweging bestond. De minister neemt verder aan dat ook familieleden van Gülenisten die zelf geen banden hebben met de Gülenbeweging, betrokkenheid bij de beweging kan worden toegedicht en zij daarom onder het beleid voor Gülenisten kunnen vallen.
5.3. Tijdens de zitting heeft de minister toegelicht dat deze lijst niet uitputtend is en dat hij de criteria ziet als aanwijzingen die tot de conclusie kunnen leiden dat een vreemdeling Gülenisme wordt toegedicht. Dat een vreemdeling aan één of twee van de criteria voldoet, betekent op zichzelf nog niet automatisch dat aannemelijk is dat hij als Gülenist wordt gezien. Het gaat telkens om een individuele beoordeling waarbij ook de verklaringen van die vreemdeling worden betrokken, aldus de minister.
Hoe zag het beleid er vóór 1 december 2023 uit?
5.4. Het tot 1 december 2023 geldende beleid voor de beoordeling van asielaanvragen van Gülenisten was, zoals de minister ter zitting heeft toegelicht, mede gebaseerd op de uitspraak van de Afdeling van 13 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:377. In die uitspraak, die gaat over de situatie direct na de couppoging van 15 juli 2016, heeft de Afdeling onder 4.3.2 geoordeeld dat de door partijen overgelegde informatie blijk gaf van een "complexe en diffuse situatie" voor Gülenisten, welk beeld de minister ter zitting niet had kunnen verduidelijken. De minister had volgens de Afdeling dan ook niet deugdelijk gemotiveerd dat Gülenisten in Turkije niet systematisch strafrechtelijk werden vervolgd en alleen al daarom ook niet als groep het risico liepen op een behandeling in strijd met artikel 3 vanPro het EVRM.
5.5. Als gevolg van deze uitspraak had de minister tot 1 december 2023 in het landgebonden asielbeleid voor Turkije bij de aanwijzing van Gülenisten als risicogroep de volgende aanvullende toelichting opgenomen:
"Ten aanzien van (toegedichte) Gülen-aanhangers geldt aanvullend dat indien van geringe indicaties niet is gebleken, de IND de risico’s bij terugkeer beoordeelt in het licht van de diffuse en slechte situatie die gekenmerkt wordt door willekeur jegens (toegedichte) Gülen-aanhangers van de zijde van de Turkse autoriteiten."
5.6. Uit de Kamerbrief van de minister van 28 november 2023, met kenmerk 19637, nr. 3177, blijkt dat dit beleid er in de praktijk toe leidde dat in zaken van geloofwaardige Gülenisten al snel een risico op vervolging werd aangenomen, ook als zij geen geringe indicaties aannemelijk hadden gemaakt. Op de zitting heeft de minister bevestigd dat hij op basis van het tot 1 december 2023 geldende beleid asielaanvragen van Gülenisten in de regel inwilligde, ook bij het ontbreken van geringe indicaties. In dit kader heeft de minister tijdens de zitting verwezen naar IB 2020/62. Daarin stond dat, als een vreemdeling behoort tot een risicogroep, maar er geen geringe indicaties zijn, dit niet per definitie betekent dat er geen sprake is van een gegronde vrees voor vervolging. Dan wordt namelijk teruggevallen op de algemene toets van vrees voor vervolging, en dat is een individuele toets. Maar het gegeven dat de groep waartoe de vreemdeling behoort is aangewezen tot risicogroep, kan daarbij van betekenis zijn omdat hieruit blijkt dat vervolging van leden van de groep in het land van herkomst in zijn algemeenheid voorkomt.
Hoe zag het beleid er vanaf 1 december 2023 uit?
5.7. Uit de Kamerbrief van 28 november 2023 blijkt dat het ambtsbericht van 2023 aanleiding is geweest om het landgebonden asielbeleid voor Turkije voor de beoordeling van asielaanvragen van Gülenisten te herzien. Daardoor is de aanvullende toelichting die in dat beleid was opgenomen over de wijze waarop de minister de risico’s bij terugkeer voor "(toegedichte) Gülen-aanhangers" beoordeelt, zoals weergegeven onder 5.5, met ingang van 1 december 2023 komen te vervallen.
5.8. Volgens de minister volgt uit het ambtsbericht van 2023 dat de strafrechtelijke vervolging van Gülenisten in intensiteit is afgenomen. Daarnaast blijkt uit het ambtsbericht van 2023 dat de rechters van het Constitutioneel Hof en het Hof van Cassatie strenger toetsen of de Turkse overheid de juiste criteria toepast om een persoon als Gülenist aan te merken. Dit betrof onder andere het hebben of hebben gehad van een bankrekening bij Bank Asya en het hebben gedownload van de ByLock-app. Hieruit leidt de minister af dat de willekeur in de strafrechtelijke vervolging van Gülenisten is afgenomen. In het beleid voor de beoordeling van asielaanvragen van Gülenisten kan met ingang van 1 december 2023 dan ook weer worden aangesloten bij het reguliere kader voor risicogroepen, waarbij van een vreemdeling wordt verwacht dat hij op basis van zijn individuele omstandigheden zijn vrees voor vervolging als Gülenist met geringe indicaties aannemelijk maakt, aldus de minister.
Wat staat er in het ambtsbericht van 2023?
6. Het ambtsbericht van 2023 vermeldt dat het lastig was om verifieerbare informatie te vinden over de situatie van Gülenisten in Turkije, omdat de Gülenbeweging in dit land verboden is en personen niet openlijk uitkwamen voor hun verbondenheid met deze beweging. De informatie hierover bleef daarom schaars, verbrokkeld en anekdotisch van aard. Omdat Gülenisten in Turkije gedwongen waren tot een ondergronds bestaan, was er op het moment van schrijven geen zicht op de omvang van de Gülenbeweging in dit land. (noot 1)
6.1. Volgens het ambtsbericht van 2023 werden Gülenisten in de verslagperiode van maart 2022 tot augustus 2023 regelmatig op grotere of kleine schaal door de Turkse autoriteiten gearresteerd, net als in de verslagperiodes van de ambtsberichten van 2021 en 2022. (noot 1)
6.2. Verder meldt het ambtsbericht van 2023 dat de Turkse autoriteiten slechts sporadisch informatie verstrekken over het aantal Gülenisten in voorarrest of gevangenschap. Wel wijst het ambtsbericht van 2023 op een verklaring van de Turkse minister van Binnenlandse Zaken dat het in november 2021 om 22.340 personen ging en dat dit aantal in juli 2022 was gedaald naar 19.252. Desgevraagd gaven bronnen volgens het ambtsbericht van 2023 te kennen dat de strafrechtelijke vervolging van Gülenisten in de verslagperiode in intensiteit was afgenomen in vergelijking met de periode vlak na de mislukte couppoging in juli 2016. Zij konden dit echter niet met concrete gegevens onderbouwen, omdat er weinig verifieerbare informatie beschikbaar was over de situatie voor Gülenisten in Turkije. De geraadpleegde bronnen gaven verschillende verklaringen voor de gestelde afname in intensiteit. Volgens twee bronnen werd deze veroorzaakt doordat de meerderheid van Gülenisten inmiddels strafrechtelijk was veroordeeld of was vertrokken naar het buitenland. Een andere bron gaf als reden dat de Turkse regering haar negatieve aandacht had verlegd van de Gülenbeweging naar de Koerdische beweging en de lhbtiq+-gemeenschap, aldus het ambtsbericht van 2023. (noot 1 en 4)
6.3. Ook meldt het ambtsbericht dat het Constitutioneel Hof en het Hof van Cassatie strengere criteria toepassen voor het bezit van de ByLock-app en/of het hebben van een Bank Asya-bankrekening als bewijs voor activiteiten voor de Gulenbeweging. Maar het ambtsbericht vermeldt ook dat ondanks deze ontwikkeling in de rechtspraak, mensen relatief makkelijk konden worden verdacht van betrokkenheid bij de Gülenbeweging. (noot 5)
Wat staat er in het ambtsbericht van 2025?
6.4. Het ambtsbericht van 2025 vermeldt dat het door de diffuse organisatievorm van de Gülenbeweging moeilijk is om de precieze omvang ervan vast te stellen.
6.5. Volgens het ambtsbericht van 2025 duurde de in het vorige ambtsbericht beschreven situatie, dat de Turkse autoriteiten nog steeds Gülenisten arresteren, maar niet op dezelfde schaal als in de periode vlak na de mislukte couppoging van 15 juli 2016, voort tijdens de verslagperiode van september 2023 tot februari 2025. (noot 6) Het ambtsbericht van 2025 wijst op de conclusie van het Britse Home Office van oktober 2023 dat de meeste arrestaties en detenties hebben plaatsgevonden tijdens de noodtoestand, die gold tussen juli 2016 en juli 2018. (noot 7) Ook wijst het ambtsbericht van 2025 op informatie van de Finse Immigratiedienst dat een EU-delegatie in Turkije rond oktober 2023 tot de conclusie kwam dat het aantal strafrechtelijke vervolgingen van Gülenisten relatief laag was in vergelijking met de situatie vóór 2020. De EU-delegatie voerde deze daling terug op het feit dat de meest zichtbare Gülenisten in de Turkse samenleving reeds waren ontslagen dan wel strafrechtelijk waren onderzocht of vervolgd. (noot 8)
6.6. De daling in het aantal arrestaties en detenties blijkt volgens het ambtsbericht van 2025 ook uit cijfers van de Turkse autoriteiten. Uit die cijfers volgt dat het aantal Gülenisten in voorarrest of gevangenschap was gedaald van 22.340 in november 2021 naar 19.252 in juli 2022, en vervolgens naar 13.521 op 12 juli 2024. Ook het aantal gearresteerde Gülenisten nam af in die periode. Volgens de autoriteiten werden er 22.458 Gülenisten gearresteerd in 2021, terwijl dat er 9.639 waren in 2023. Relevante gegevens over 2024 waren op dat moment nog niet bekend. (noot 9)
6.7. Hoewel een bron erop wees dat vervolgde Gülenisten uit alle geledingen van de maatschappij voortkwamen, meldt het ambtsbericht van 2025 dat, net als in de vorige verslagperiodes, met name Gülenisten in het justitiële en veiligheidsapparaat in de negatieve belangstelling van de Turkse autoriteiten stonden. De overige verdachten behoorden tot een restcategorie van personen, bijvoorbeeld burgers die gedetineerde Gülenisten en/of hun familieleden ondersteunden en hierom door de Turkse autoriteiten werden verdacht van het ‘herstructureren’ van de Gülenbeweging. (noot 10)
6.8. De situatie dat mensen relatief makkelijk konden worden verdacht van betrokkenheid bij de Gülenbeweging, bleef ongewijzigd. Volgens het ambtsbericht van 2025 omschreef Human Rights Watch de vervolging van Gülenisten als "extreem willekeurig en onvoorspelbaar". De willekeurige aard van de vervolging werd ook gemeld door een bron in het ambtsbericht. (noot 3)
6.9. Uit het ambtsbericht van 2025 volgt verder dat de Turkse rechtspraak niet eenduidig omging met Gülenzaken en dat sommige lagere rechtbanken de onder 6.3 bedoelde rechtspraak van het Constitutioneel Hof en het Hof van Cassatie over de ByLock-app of een Bank Asya-bankrekening, naast zich neerlegden. Ook gaven de Turkse autoriteiten volgens het ambtsbericht van 2025 geen gevolg aan een arrest dat het EHRM tijdens de verslagperiode had gewezen over het gebruik van de ByLock-app als criterium om iemand als Gülenist aan te merken. Zie het arrest van 26 september 2023, Yalçınkaya tegen Turkije, ECLI:CE:ECHR:2023:0926JUD001566920. (noot 11)
6.10. Verder was onduidelijk of vrijgelaten Gülenisten het risico liepen op nieuwe problemen met de Turkse autoriteiten. Een bron deelde mee dat de autoriteiten niet geneigd waren om hen opnieuw strafrechtelijk te vervolgen, terwijl een andere bron te kennen gaf dat de autoriteiten hen in de gaten hielden en zij het risico liepen op nieuwe problemen als zij de banden met andere Gülenisten opnieuw aanhaalden. Laatstgenoemde bron kon deze stelling volgens het ambtsbericht van 2025 niet nader specificeren. (noot 12)
Wat staat er in de overgelegde stukken?
6.11. Betrokkene heeft, net als appellanten in de zaken nrs. 202404629/1/V2 en 202501574/1/V2, verschillende stukken overgelegd, waaronder een rapport van hoogleraar Vande Lanotte van 21 januari 2025 en rapporten van ngo’s zoals Justice Square en Stichting IPN. Sommige van die stukken, zoals een rapport van de Finse Immigratiedienst van juni 2024 en een aantal nieuwsartikelen van de website Daily Sabah, zijn bij de totstandkoming van het ambtsbericht van 2025 betrokken.
6.12. De inhoud van de onder 6.11 bedoelde stukken komt in grote lijnen overeen met de hiervoor weergegeven informatie uit de ambtsberichten van 2023 en 2025. Ook daaruit blijkt dat de autoriteiten nog steeds Gülenisten strafrechtelijk vervolgen, maar dat die vervolging in absolute aantallen is gedaald sinds de noodtoestand die in Turkije van juli 2016 tot en met juli 2018 van kracht was. In die stukken wordt echter niet de conclusie getrokken dat hierdoor het risico op vervolging voor Gülenisten is afgenomen. Zo wordt er in het rapport van Vande Lanotte op gewezen dat in Turkije jaarlijks nog steeds enkele duizenden Gülenisten worden vervolgd. Daarnaast noemt het rapport dat sinds enige tijd ook personen die hulp bieden aan gedetineerde Gülenisten, in de negatieve aandacht staan van de autoriteiten en dat zij worden vervolgd op beschuldiging van het ‘herstructureren’ van de Gülenbeweging. Ook kunnen personen die eerder werden verdacht van betrokkenheid bij de Gülenbeweging, opnieuw in de negatieve belangstelling van de autoriteiten komen te staan, aldus Vande Lanotte.
Heeft de minister mogen uitgaan van de juistheid van het ambtsbericht van 2023?
7. De minister mag in beginsel uitgaan van de informatie uit een ambtsbericht, tenzij een vreemdeling concrete aanknopingspunten biedt voor twijfel aan de juistheid of volledigheid ervan. Zie de uitspraak van de Afdeling van 16 september 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3146, onder 6.1.
7.1. Gelet op wat onder 6.12 is overwogen, bieden de stukken die betrokkene in deze zaak en appellanten in de zaken nrs. 202404629/1/V2 en 202501574/1/V2 hebben overgelegd, geen aanleiding tot twijfel aan de juistheid van het ambtsbericht van 2023. Alhoewel het ambtsbericht vermeldt dat het lastig is goed zicht te krijgen op de situatie voor Gülenisten in Turkije, is daaruit wel op te maken dat de strafrechtelijke vervolging van Gülenisten in de verslagperiode getalsmatig is afgenomen in vergelijking met de periode vlak na de mislukte couppoging van juli 2016.
7.2. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, is de omstandigheid dat bronnen in het ambtsbericht van 2023 de afname in de strafrechtelijke vervolging van Gülenisten in Turkije niet aan de hand van cijfers hebben toegelicht, onvoldoende om aan de juistheid van het ambtsbericht te twijfelen. Daarbij overweegt de Afdeling dat de minister er terecht op heeft gewezen dat de daarover in het ambtsbericht opgenomen informatie volgt uit vier verschillende bronnen. Verder staat ook in de stukken die betrokkene in deze zaak en appellanten in de zaken nrs. 202404629/1/V2 en 202501574/1/V2 hebben overgelegd dat in de loop der jaren het aantal strafrechtelijk vervolgde Gülenisten in Turkije is gedaald. Bovendien vermelden het ambtsbericht van 2025 en de conclusies van het Britse Home Office van oktober 2023 en een EU-delegatie rond diezelfde periode, dat het aantal strafrechtelijke vervolgingen van Gülenisten relatief laag was in vergelijking met de periode vóór 2020. Voorts wijst het ambtsbericht van 2025 op cijfers van de Turkse autoriteiten over de jaren 2021 tot en met 2024 die de dalende trend in het aantal arrestaties van Gülenisten en/of het aantal Gülenisten in voorarrest of detentie laten zien. Kortom, de hiervoor genoemde stukken bevestigen dat er een getalsmatige afname te zien is in de strafrechtelijke vervolging van Gülenisten.
7.3. De Afdeling volgt niet het betoog van betrokkene dat het ambtsbericht van 2023 onjuist is, omdat daarin wordt gesteld dat de geconstateerde afname in het aantal gearresteerde of gedetineerde Gülenisten duidt op een daadwerkelijk verminderde belangstelling van de Turkse autoriteiten voor Gülenisten. Betrokkene stelt dat die gevolgtrekking onjuist is, omdat de afname kan worden verklaard doordat inmiddels velen van hen Turkije hebben verlaten of strafrechtelijk zijn vervolgd en dit dus niets zegt over de verminderde belangstelling van de Turkse autoriteiten. Weliswaar schrijven twee van de vier bronnen in het ambtsbericht van 2023 de getalsmatige afname van de strafrechtelijke vervolging van Gülenisten toe aan deze omstandigheden, maar het vertrek naar het buitenland van Gülenisten als reden voor die afname vindt geen steun in de overige beschikbare informatie. Wat betreft het argument dat de meeste Gülenisten inmiddels zijn vervolgd, volgt uit het ambtsbericht van 2025 dat het hier gaat om de ‘meest zichtbare’ Gülenisten. Dit biedt daarom maar een gedeeltelijke verklaring voor de daling in de strafrechtelijke vervolging. Er bestaan daarom geen aanknopingspunten dat het ambtsbericht op dit punt onjuist is.
7.4. Het betoog van betrokkene dat de Turkse autoriteiten nog steeds vervolgingsoperaties uitvoeren waarvan Gülenisten het doelwit zijn en dat zij zich daarbij ook richten op Gülenisten die al eerder zijn veroordeeld of personen die worden beschuldigd van het herstructureren van de Gülenbeweging, leidt niet tot een ander oordeel over de juistheid van het ambtsbericht. Deze informatie komt namelijk in de kern overeen met de informatie uit de ambtsberichten van 2023 en 2025.
7.5. De Afdeling volgt ook niet de op de zitting naar voren gebrachte stelling van betrokkene dat de groep personen die wegens betrokkenheid bij de Gülenbeweging in de negatieve aandacht van de Turkse autoriteiten staat, juist is gegroeid in vergelijking met de periode na de mislukte couppoging van 15 juli 2016, doordat de autoriteiten bijvoorbeeld gebruikmaken van verklaringen van spijtoptanten. De overgelegde landeninformatie en de daarin opgenomen cijfers, bieden daarvoor geen aanknopingspunten.
7.6. Verder heeft de rechtbank niet onderkend dat de minister de in het ambtsbericht van 2023 geschetste ontwikkelingen in de hogere Turkse rechtspraak bij zijn besluitvorming mocht betrekken. Dat het ambtsbericht van 2023 vermeldt dat personen desondanks relatief makkelijk van betrokkenheid bij de Gülenbeweging kunnen worden verdacht, biedt geen twijfel aan de juistheid van de informatie in het ambtsbericht over die ontwikkelingen.
Heeft de minister redelijkerwijs tot de beleidswijziging van 1 december 2023 kunnen komen?
7.7. Omdat uit de hiervoor besproken informatie is op te maken dat de situatie minder diffuus en minder slecht is dan in de periode direct na de mislukte couppoging van 15 juli 2016, heeft de minister het beleid naar het oordeel van de Afdeling redelijkerwijs kunnen aanpassen zoals hij heeft gedaan.
7.8. De Afdeling is van oordeel dat de situatie voor Gülenisten zoals beschreven in de ambtsberichten van 2023 en 2025, op belangrijke punten verschilt van de ‘complexe en diffuse’ situatie in de periode tussen 21 juli 2016 en 19 juli 2018, waarin de noodtoestand van kracht was. De omstandigheden in die periode hebben geleid tot de onder 5.4 genoemde uitspraak van 13 februari 2019 en waren reden voor de minister tot het invoeren van het beleid van vóór 1 december 2023. Ondertussen is er meer informatie bekend geworden. Alhoewel deze informatie nog steeds beperkt en verbrokkeld van aard is, is de informatie wel minder schaars en verbrokkeld dan ten tijde van de uitspraak van 13 februari 2019. Uit deze informatie blijkt dat de vervolging van Gülenisten nog steeds voorkomt en de Turkse autoriteiten de criteria voor strafrechtelijke vervolging van Gülenisten niet eenduidig toepassen. Maar uit alle stukken die de Afdeling bij deze zaak heeft betrokken, is ook af te leiden dat er sinds de situatie van net na de mislukte couppoging van 15 juli 2016 een getalsmatige afname is in de strafrechtelijke vervolging van Gülenisten in Turkije en dat die afname niet geheel verklaard kan worden doordat inmiddels velen van hen Turkije hebben verlaten of al strafrechtelijk zijn vervolgd. Verder acht de Afdeling van belang dat uit de landeninformatie blijkt dat niet elke Gülenist in gelijke mate het risico loopt op strafrechtelijke vervolging. Hoewel de autoriteiten zich ook richten op een restcategorie, richten zij zich in hun vervolging vooral op Gülenisten binnen het justitiële en veiligheidsapparaat. Ook zijn er aanknopingspunten dat de rechterlijke macht, zeker in hogere instanties, strenger toeziet op het benodigde bewijs en de vervolging van Gülenisten in die zin minder makkelijk werd. In deze opzichten is het beeld nu anders dan het beeld van net na de coup.
7.9. Weliswaar vermeldt het ambtsbericht van 2025 dat Human Rights Watch de strafrechtelijke vervolging van Gülenisten omschreef als "extreem willekeurig en onvoorspelbaar", maar de Afdeling volgt niet de conclusie dat die vervolging ongericht is. Het ambtsbericht van 2025 verwijst voor deze informatie van Human Rights Watch naar het rapport van de Finse Immigratiedienst. Dit rapport vermeldt dat het desondanks mogelijk was om categorieën personen aan te wijzen die een groter risico lopen om strafrechtelijk te worden vervolgd. De verwijzing van betrokkene naar deze passage in het ambtsbericht van 2025, leidt daarom niet tot een ander oordeel.
7.10. Dat de door de Afdeling bij dit oordeel betrokken informatie voldoende aanknopingspunten biedt voor de beleidswijziging van 1 december 2023, neemt niet weg dat de minister bij de beoordeling van asielaanvragen van Gülenisten rekening moet houden met de zorgelijke mensenrechtensituatie voor Gülenisten in Turkije, zoals beschreven in de ambtsberichten. Zie hiervoor onder 6-6.10. De minister moet deze betrekken bij zijn oordeel of dat wat een Gülenist naar voren heeft gebracht, voldoende is om tot vluchtelingschap te concluderen. Daarbij wijst de Afdeling er volledigheidshalve op dat de aanwijzing van Gülenisten als risicogroep ten tijde van het besluit ongewijzigd was, zodat geringe indicaties genoeg bleven om een verblijfsvergunning te krijgen, en dat Gülenisten vanaf 1 juli 2024 zijn aangewezen als risicoprofiel.
7.11. De grief slaagt.
Voorwaardelijk incidenteel hoger beroep van betrokkene
8. Betrokkene heeft incidenteel hoger beroep ingesteld onder de voorwaarde dat het door de minister ingestelde hoger beroep gegrond is (artikel 8:112, eerste lid, van de Awb). Omdat dit hoger beroep, gelet op wat de Afdeling hiervoor heeft overwogen, gegrond is, wordt deze voorwaarde vervuld en zal de Afdeling het incidenteel hoger beroep van betrokkene inhoudelijk beoordelen.
8.1. Betrokkene betoogt in de eerste en tweede grief dat de rechtbank niet heeft onderkend dat niet van de betrouwbaarheid van de bronnen in het ambtsbericht van 2023 kan worden uitgegaan en dat zij ten onrechte heeft overwogen dat niet is gebleken dat dit ambtsbericht niet zorgvuldig tot stand is gekomen.
8.2. Op de zitting heeft betrokkene verduidelijkt dat hij geen oordeel vraagt over de vraag of het ambtsbericht van 2023 in zijn geheel deugdelijk tot stand is gekomen. Het betoog in de eerste en tweede grief moet volgens hem zo worden begrepen dat niet kan worden uitgegaan van de stelling dat de strafrechtelijke vervolging van Gülenisten in Turkije in intensiteit is afgenomen sinds de periode na de mislukte couppoging van 15 juli 2016, omdat de bronnen in dit ambtsbericht de juistheid van deze stelling niet met verifieerbare informatie hebben kunnen aantonen.
8.3. Dit betoog slaagt niet. Uit wat de Afdeling onder 7.2 heeft overwogen, volgt immers dat de omstandigheid dat de bronnen in het ambtsbericht van 2023 de getalsmatige afname van strafrechtelijke vervolgingen van Gülenisten niet met cijfers hebben kunnen staven, niet betekent dat de minister niet van de juistheid van de informatie uit dat ambtsbericht mocht uitgaan. De eerste en tweede grief slagen niet.
8.4. Wat betrokkene als derde grief aanvoert, richt zich niet tegen de uitspraak van de rechtbank. Betrokkene legt hierin namelijk niet uit waarom de uitspraak van de rechtbank volgens hem niet juist is. Daarom kan de Afdeling hierover geen inhoudelijk oordeel geven (artikel 85 vanPro de Vw 2000).
Conclusie hoger beroepen
9. Het hoger beroep van de minister is gegrond en het incidenteel hoger beroep van betrokkene is ongegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank. De Afdeling beoordeelt het beroep. Daarbij bespreekt zij alleen beroepsgronden waarop na de overwegingen in hoger beroep nog moet worden beslist.
Beroep van betrokkene
10. De beroepsgronden strekken er in hoofdzaak toe dat betrokkene wel degelijk aannemelijk heeft gemaakt dat hij na zijn vrijspraak in 2022 opnieuw in de negatieve belangstelling van de Turkse autoriteiten staat dan wel zal komen te staan wegens betrokkenheid bij de Gülenbeweging. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de minister zich echter deugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat betrokkene met de door hem aangevoerde omstandigheden, ook als deze in onderlinge samenhang worden bezien, daarin niet is geslaagd. Dit licht zij hierna toe.
Politiebezoek en spijtoptantenverklaringen
11. Betrokkene voert allereerst aan dat de politie in september 2023 een bezoek heeft gebracht aan zijn vrouw en dat [naam A] en [naam B] zijn naam in hun spijtoptantenverklaring hebben genoemd.
11.1. Over het bezoek van de politie heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat het volgens de verklaringen van betrokkene ging om een eenmalig bezoek voor de controle van identiteitskaarten, waarbij de agenten genoegen namen met het antwoord van zijn vrouw dat betrokkene niet thuis was. Dit is volgens de minister onvoldoende om betrokkene te volgen in zijn stelling dat er, na de vrijspraak, nieuw bewijs tegen hem is. Datzelfde geldt voor wat betrokkene naar voren heeft gebracht over de verklaringen van beide spijtoptanten. Dat A zijn naam zou hebben genoemd, heeft betrokkene volgens de minister alleen van horen zeggen en niet met stukken onderbouwd, terwijl uit zijn verklaringen blijkt dat die er wel zijn. Ook weet betrokkene niet wat A heeft gezegd. Over de spijtoptantenverklaring van B heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat betrokkene ondanks die verklaring is vrijgesproken. Dat die eerdere verklaring tegenstrijdig was en B zich vrij kan voelen een nieuwe verklaring af te leggen, omdat hij weet dat betrokkene toch niet meer in Turkije verblijft, is volgens de minister slechts op aannames en speculaties van betrokkene gebaseerd. In de beroepsgronden herhaalt betrokkene wat hij over deze punten in de zienswijze naar voren heeft gebracht en licht hij niet toe waarom de standpunten die de minister hierover in het besluit heeft opgenomen niet juist zijn. De beroepsgrond slaagt niet.
Hulp aan kinderen van gedetineerde Gülenisten
12. Verder is betrokkene het niet eens met het standpunt van de minister dat niet aannemelijk is dat hij alsnog problemen zal krijgen, omdat hij in het verleden kinderen heeft geholpen van gedetineerde Gülenisten. Betrokkene betoogt dat de minister hem ten onrechte heeft tegengeworpen dat hij deze activiteiten heeft ondernomen in de periode dat de autoriteiten hem in de gaten hielden. Volgens betrokkene is het onrealistisch om ervan uit te gaan dat hij stelselmatig in de gaten werd gehouden, omdat hij niet tot de top van de Gülenbeweging behoorde. Het is daarom mogelijk dat deze activiteiten niet zijn opgemerkt.
12.1. Betrokkene heeft verklaard dat de autoriteiten hem van 2018 tot 2021 in de gaten hebben gehouden en dat ze toen uitgebreid onderzoek naar hem hebben gedaan. De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat het daarom in de rede ligt dat toen is geconstateerd dat betrokkene hulp bood aan kinderen van gedetineerde Gülenisten, maar dat dit in de strafrechtelijke procedure die daarna volgde en die tot vrijspraak heeft geleid hem niet is tegengeworpen. Wat betrokkene naar voren heeft gebracht, biedt geen aanknopingspunten voor de conclusie dat dit nu anders is en alsnog tot problemen zal leiden. De beroepsgrond slaagt niet.
Discriminatie
13. Betrokkene wijst er ook op dat Gülenisten in Turkije te maken hebben met serieuze vormen van discriminatie en uitsluiting.
13.1. Hoewel uit de landeninformatie blijkt dat Gülenisten in Turkije in een moeilijke maatschappelijke positie verkeren en hinder kunnen ondervinden op de arbeidsmarkt, heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat dit in het geval van betrokkene geen geringe indicatie oplevert. De minister heeft daarbij terecht van belang geacht dat betrokkene tot aan zijn vertrek uit Turkije werk en een woonruimte had, dat zijn vrouw die woonruimte nog steeds tot haar beschikking heeft en dat niet is gebleken dat hij geen toegang had tot zorg en onderwijs. De beroepsgrond slaagt niet.
Nieuwe ontwikkelingen
14. Betrokkene heeft in de beroepsgronden aangevoerd dat zich sinds het besluit nieuwe ontwikkelingen hebben voorgedaan waaruit geringe indicaties blijken. Betrokkene stelt dat hij inmiddels contact heeft met [naam C], met wie hij van 1995 tot 2000 in Georgië zou hebben gestudeerd. C wordt beschuldigd van betrokkenheid bij de Gülenbeweging, waarvoor hij op 10 oktober 2024 voor de rechter moest verschijnen. Betrokkene heeft uit het strafdossier van C een verklaring van [naam D] overgelegd van 23 november 2021. D, ook een voormalig studiegenoot uit genoemde periode, heeft in die verklaring de naam van betrokkene ten overstaan van de autoriteiten genoemd. Die verklaring zat destijds niet in het strafdossier van betrokkene, maar zal door het strafproces van C alsnog bij de aanklager bekend worden. Verder heeft C betrokkene laten weten dat hij van plan was op de zitting belastend over hem te verklaren. Ook D is volgens betrokkene voor die zitting opgeroepen en was voornemens daar zijn verklaring uit 2021 te herhalen. Verder zullen C en D op de zitting elkaars verklaringen ondersteunen, aldus betrokkene.
14.1. De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de door betrokkene aangevoerde nieuwe ontwikkelingen geen geringe indicaties opleveren, omdat niet aannemelijk is dat de autoriteiten hierin aanleiding zullen zien om hem opnieuw te vervolgen. De minister heeft daarbij terecht betrokken dat, daargelaten dat D in zijn verklaring van 23 november 2021 alleen de voornaam van betrokkene noemt, hij slechts verklaart dat betrokkene deelnam aan gesprekken in het studentenhuis en lezingen gaf en dat hij geen informatie heeft over de banden van betrokkene met de Gülenbeweging. De minister heeft ter zitting bij de rechtbank onbestreden gesteld dat deze verklaring vergelijkbaar is met de hiervoor genoemde spijtoptantenverklaring van B die in het strafproces tegen betrokkene is gebruikt en toen niet tot een veroordeling heeft geleid. Ook heeft de minister terecht bij zijn besluit betrokken dat de autoriteiten betrokkene tussen 2018 en 2021 in de gaten hebben gehouden en dat dit geen bewijs heeft opgeleverd voor een strafrechtelijke veroordeling, terwijl de verklaring van D gaat over een veel eerdere periode. Dat C en D op de zitting van 10 oktober 2024 daadwerkelijk belastende verklaringen over betrokkene hebben afgelegd, heeft betrokkene nadien niet met stukken onderbouwd of anderszins toegelicht. De beroepsgrond slaagt niet.
Verblijf in Georgië
15. Met het in beroep overgelegde nieuwsartikel van Nordic Monitor heeft betrokkene niet aannemelijk gemaakt dat hij in beeld is bij de Turkse autoriteiten vanwege zijn activiteiten in Georgië. Weliswaar blijkt daaruit dat de Turkse autoriteiten Gülenisten en Gülenistische organisaties in Georgië in de gaten houden, maar betrokkene heeft geen individuele omstandigheden aangedragen waaruit blijkt dat hij zelf in Georgië problemen heeft ondervonden. Ook heeft hij niet aannemelijk gemaakt dat hij een van de 52 in het artikel genoemde personen is die in Georgië asiel hebben aangevraagd en door de Turkse autoriteiten worden aangemerkt als leden van een terroristische organisatie. Betrokkene betoogt dan ook tevergeefs dat de minister ten onrechte de rol van de Turkse inlichtingendiensten niet in de besluitvorming heeft betrokken. De beroepsgrond slaagt niet.
Verblijf in Nederland
16. Voor zover betrokkene aanvoert dat bekend is dat de Turkse inlichtingendienst ook in Nederland gegevens van Turkse asielzoekers verzamelt en dat door het zoekraken van een dossier op een COa-locatie mogelijk informatie naar de Turkse autoriteiten is gelekt, heeft hij geen begin van bewijs geleverd dat op welke manier dan ook de Turkse autoriteiten op de hoogte zijn geraakt van zijn asielaanvraag in Nederland en de redenen die hij daaraan ten grondslag heeft gelegd. De beroepsgrond slaagt niet.
Gelijkheidsbeginsel
17. Betrokkene heeft een beroep gedaan op het gelijkheidsbeginsel. Daarvoor wijst hij op twee zaken waarin de Turkse autoriteiten na een eerdere vrijspraak opnieuw tot vervolging zijn overgegaan. De minister heeft toegelicht dat in één zaak de betrokken vreemdeling, anders dan betrokkene, met stukken had onderbouwd dat hij opnieuw werd vervolgd. In de andere zaak was de betrokken vreemdeling, die bekend was door zijn werkzaamheden als journalist en voor de televisie, weer in de negatieve belangstelling van de Turkse autoriteiten komen te staan toen de gouverneur hem had uitgeschreven als onderwijzer. Ook deze zaak verschilt dus van die van betrokkene. De beroepsgrond slaagt niet.
17.1. Het beroep van betrokkene op de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 27 mei 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:9224, treft evenmin doel. In die zaak hadden zich vlak voor het vertrek van de betrokken vreemdeling uit Turkije gebeurtenissen voorgedaan. Volgens de rechtbank had de minister ondeugdelijk gemotiveerd waarom die gebeurtenissen geen geringe indicaties waren waardoor de betrokken vreemdeling bij terugkeer voor vervolging te vrezen had. Anders dan in die zaak, heeft de minister zich in deze zaak, gelet op de hiervoor besproken beroepsgronden, deugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld waarom de door betrokkene aangevoerde omstandigheden geen geringe indicaties opleveren. De beroepsgrond slaagt niet.
Vrees voor aanhouding op het vliegveld bij terugkeer
18. Tot slot vreest betrokkene dat hij door zijn jarenlange verblijf buiten Turkije, in combinatie met zijn studieachtergrond, zijn familiebanden en zijn activiteiten in Georgië, bij terugkeer op het vliegveld zal worden aangehouden. De minister heeft zich in het besluit op het standpunt gesteld dat betrokkene zijn betoog hierover in de zienswijze niet heeft toegelicht en dat hij zijn vrees slechts op een vermoeden baseert. In zijn beroepsgronden maakt betrokkene ook niet concreet waarom hij bij terugkeer op het vliegveld zal worden aangehouden. Gelet hierop en op de hiervoor besproken beroepsgronden, heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat betrokkene zijn vrees voor aanhouding bij terugkeer niet aannemelijk heeft gemaakt. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie beroep
19. Het beroep is ongegrond.
Proceskosten
20. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. verklaart het incidenteel hoger beroep ongegrond;
III. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 13 november 2024 in zaak nr. NL24.21247;
IV. verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. C.M. Wissels, voorzitter, en mr. M. Soffers en mr. J.J.W.P. van Gastel, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.W. Prins, griffier.
w.g. Wissels
voorzitter
w.g. Prins
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 25 maart 2026
363-1143
BIJLAGE 1
Eindnoten
1. Het Algemeen ambtsbericht Turkije van augustus 2023 (AA 2023), p. 43.
2. Het Algemeen ambtsbericht Turkije van maart 2021 (AA 2021), p. 40-41.
3. AA 2025, p. 50.
4. AA 2023, p. 44.
5. Idem, p. 45.
6. AA 2025, p. 46.
7. Het Country Policy and Information Note van het Britse Home Office, Turkey - Gülenists, van oktober 2023, p. 8 en 19.
8. Het rapport van de Finse Immigratiedienst, Turkey - Individuals associated with the Gülen movement, van juni 2024 (rapport Finse Immigratiedienst), p. 7-8.
9. AA 2025, p. 46-47.
10. Idem, p. 49.
11. Idem, p. 50-51.
12. Idem, p. 52.
13. Rapport Finse Immigratiedienst, p. 6.
BIJLAGE 2
Overzicht van in de procedure door de Afdeling betrokken stukken
In de volgorde waarin deze stukken door een van de partijen is ingebracht.
- De kennisgeving van Stichting Justice Square aan de IND over IB 2023/81 Landgebonden asielbeleid Turkije, van 22 februari 2024.
- De brief van Stichting IPN Nederland aan het Directoraat-Generaal Migratie van het ministerie van Justitie en Veiligheid over de wijziging van het landgebonden asielbeleid Turkije ten aanzien van Gülen-aanhangers, van 29 april 2024.
- Nordic Monitor, ‘Turkish diplomats spied on Erdoğan critics in Georgia, secret document reveals’, van 8 mei 2021.
- De brief van Stichting Justice Square aan de IND over recente vervolgingsoperaties die in Turkije hebben plaatsgevonden tussen 6 en 30 mei 2024, van 5 juni 2024.
- Het rapport van de Finse Immigratiedienst, ‘Turkey - Individuals associated with the Gülen movement’, van juni 2024.
- Het rapport van prof. dr. em. Vande Lanotte, ‘Is there a changing trend in the persecution of the (alleged) members of the Gülen movement?’, van 21 januari 2025.
- Het rapport van de Juridische Commissie van Stichting IPN, ‘Gevaar voor burgerlijke genocide in Turkije - Herstructureringsoperaties en rapport over slachtoffers (2023-2024)’, van 17 februari 2025.
- Het rapport van Stichting Justice Square, ‘2024 Update: Developments in Gülen-Related Cases in Türkiye - An Overview for Legal Experts’, van februari 2025.
- De ‘Joint Rule 9(2) Communication’ aan het Directoraat-Generaal Human Rights and Rule of Law van de Raad van Europa van de voorzitter van Stichting Justice Square, namens vijf non-gouvermentele organisaties uit verschillende lidstaten, over de naleving van het arrest van het EHRM van 29 april 2025, Yüksel Yalçınkaya tegen Turkije.