ECLI:NL:RBDHA:2026:16230

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
12 juni 2026
Publicatiedatum
17 juni 2026
Zaaknummer
NL25.2080
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing machtiging voorlopig verblijf gezinshereniging jongvolwassenenbeleid

Eisers hebben een aanvraag ingediend voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) in het kader van gezinshereniging met hun zoon, de referent, die een verblijfsvergunning asiel heeft. De aanvraag werd door verweerder afgewezen omdat niet werd aangenomen dat sprake was van familieleven conform artikel 8 EVRM Pro en vanwege belangenafweging die in het nadeel van de ouders uitviel.

De rechtbank toetst of verweerder alle relevante feiten en omstandigheden heeft betrokken en of de belangenafweging een fair balance vormt tussen het familie- en gezinsleven en het Nederlands algemeen belang. Eisers stelden onder meer dat verweerder onvoldoende rekening hield met samenwoning, emotionele band, afhankelijkheid en het jongvolwassenenbeleid.

De rechtbank oordeelt dat verweerder de samenwoning, emotionele band en afhankelijkheid voldoende heeft betrokken en gemotiveerd waarom deze niet zwaar in het voordeel van eisers wegen. Ook het economisch belang en het restrictief toelatingsbeleid zijn terecht meegenomen in de belangenafweging. De rechtbank volgt verweerder in de beoordeling dat de stappen naar zelfstandigheid van de referent en de lange procedureduur niet in het nadeel van eisers wegen.

Ten aanzien van het broertje van de referent is geoordeeld dat geen sprake is van familieleven en dat de afwijzing terecht is. Het beroep wordt ongegrond verklaard en eisers krijgen geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: De rechtbank bevestigt de afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf en verklaart het beroep ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.2080

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser 1] , V-nummer: [v-nummer 1]

[eiser 2], V-nummer: [v-nummer 2]
[eiser 3], V-nummer: [v-nummer 3]
samen: eisers
(gemachtigde: mr. K. Ross),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. M. Marks).

Samenvatting

1.1.
Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eisers voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv). Eisers zijn het niet eens met de afwijzing daarvan. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.2.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder de aanvraag van eisers om een mvv terecht heeft afgewezen
.Eisers krijgen dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2.1.
Eisers hebben op 19 januari 2022 een aanvraag ingediend voor een mvv, in het kader van gezinshereniging met [referent] (referent). Referent is geboren op
[geboortedag 1] 2002. Aan referent is op 21 oktober 2021 een verblijfsvergunning asiel verleend. [eiser 1] is de vader van referent en is geboren op [geboortedag 2] 1962. [eiser 2] is de moeder van referent en is geboren op [geboortedag 3] 1979. [eiser 3] is het broertje van referent en is geboren op 23 april 2006. Eisers en referent komen uit Syrië.
2.2.
Met het primaire besluit van 24 augustus 2023 heeft verweerder de aanvraag van eisers afgewezen. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat eisers niet aannemelijk hebben gemaakt dat sprake is van familieleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM [1] . Referent valt niet onder het jongvolwassenenbeleid en er is geen sprake van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie tussen referent en zijn ouders. Daarbij is volgens verweerder geen sprake van hechte persoonlijke banden tussen referent en zijn broertje.
2.3.
Met het bestreden besluit van 19 december 2024 heeft verweerder het bezwaar van eisers ongegrond verklaard en is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Verweerder heeft zich nu op het standpunt gesteld dat referent wel valt onder het jongvolwassenenbeleid en heeft familieleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM tussen referent en zijn ouders aangenomen. De belangenafweging valt echter in het nadeel van de ouders uit. Verweerder heeft geen familieleven aangenomen tussen referent en zijn broertje.
2.4.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.5.
De rechtbank heeft het beroep op 11 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben referent, de gemachtigde van eisers, M. Driessen als tolk in de Arabisch-Syrische taal en de gemachtigde van verweerder deelgenomen.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt of verweerder de aanvraag van eisers om een mvv terecht heeft afgewezen.
Heeft verweerder de belangenafweging terecht in het nadeel van de ouders laten vallen?
4.1.
De rechtbank stelt voorop dat niet in geschil is dat tussen referent en zijn ouders sprake is van familieleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM. In geschil is wel of verweerder de belangenafweging in het nadeel van de ouders mocht laten uitvallen. Wanneer een belangenafweging is gemaakt in het kader van artikel 8 van Pro het EVRM, dient de rechtbank eerst te toetsen of verweerder alle relevante feiten en omstandigheden in zijn belangenafweging heeft betrokken. Indien dit het geval is, dient de rechtbank te toetsen of verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat die afweging heeft geresulteerd in een ‘fair balance’ tussen het belang bij de uitoefening van het familie- en gezinsleven van een vreemdeling in Nederland en het Nederlands algemeen belang. De vraag of alle feiten en omstandigheden zijn betrokken, moet de rechtbank zonder terughoudendheid (vol) toetsen. [2] De uitkomst van de gemaakte belangenafweging dient de rechtbank enigszins terughoudend te toetsen. Dat betekent onder meer dat de rechtbank het gewicht dat verweerder aan de verschillende belangen heeft toegekend, enigszins terughoudend moet toetsen. [3]
4.2.
Eisers voeren aan dat verweerder de belangenafweging niet zorgvuldig heeft gemaakt en dat verweerder niet alle feiten en omstandigheden in de belangenafweging heeft betrokken. Eisers voeren daartoe het volgende aan.
Samenwoning
4.3.1.
Eisers voeren aan dat verweerder zwaar in hun voordeel had moeten wegen dat sprake is van familieleven tussen referent en zijn ouders en dat zij altijd hebben samengewoond.
4.3.2.
De rechtbank overweegt hiertoe als volgt. Verweerder heeft in de belangenafweging in het voordeel van de ouders meegewogen dat sprake is van familieleven. Verweerder heeft verder in het kader van de aard en intensiteit van het familieleven de samenwoning meegenomen. Verweerder heeft daartoe gesteld dat de aard en intensiteit van de relatie tussen referent en zijn ouders niet zodanig is dat er een positieve verplichting bestaat voor de Nederlandse overheid om aan de ouders een verblijfsvergunning te verlenen. Dat weegt in het nadeel van de ouders. Volgens verweerder is niet gebleken dat de samenwoning van de ouders en referent noodzakelijk is om inhoud te geven aan het familieleven samen. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in deze weging alle relevante omstandigheden voldoende heeft betrokken en voldoende heeft toegelicht waarom er een bepaald gewicht aan die omstandigheden wordt toegekend. Verweerder heeft er niet het gewicht aan toegekend dat eisers wensen, maar de rechtbank ziet ook niet dat verweerder zwaarder gewicht had moeten toekennen aan de samenwoning. Deze beroepsgrond slaagt dus niet.
Zelfstandig functioneren onjuist criterium
4.4.1.
Eisers voeren aan dat verweerder een onjuist criterium toepast door na te gaan of de ouders nog functioneren zonder referent, nadat ze niet meer samenwonen. Verweerder had moeten kijken of ze altijd hebben samengewoond. Subsidiair voeren eisers aan dat de ouders niet meer goed functioneren zonder referent.
4.4.2.
De rechtbank volgt eisers niet in dit standpunt. Verweerder heeft in het voordeel van de ouders meegewogen dat sprake is van familieleven. De rechtbank begrijpt het bestreden besluit zo, dat verweerder naar de vraag of de ouders functioneren zonder referent heeft gekeken om te bepalen hoe zwaar de samenwoning en daarmee de aard en intensiteit van het familieleven moet wegen in de belangenafweging. De rechtbank kan dit volgen en ziet niet in dat verweerder hier een onjuist criterium heeft toegepast. Voor zover de ouders aanvoeren dat zij niet meer goed functioneren zonder referent, volgt de rechtbank hen ook niet. Dit hebben de ouders namelijk niet onderbouwd. Daarbij is gebleken dat de ouders nog een zoon hebben die bij hen woont. Eisers hebben niet onderbouwd waarom deze zoon zijn ouders niet kan ondersteunen.
Emotionele band
4.5.1.
Eisers voeren aan dat verweerder onvoldoende waarde heeft gehecht aan de emotionele band tussen referent en zijn ouders.
4.5.2.
De rechtbank stelt vast dat verweerder in de belangenafweging in het kader van de aard en intensiteit van het familieleven de emotionele binding tussen referent en zijn ouders betrokken heeft. Verweerder heeft hiertoe echter overwogen dat het niet logisch is dat de ouders de aangewezen personen zijn om referent te helpen bij de problemen waarvoor hij ze stelt nodig te hebben, omdat zij niet op de hoogte zijn van het Nederlandse zorgsysteem en de Nederlandse taal. Verweerder heeft verder gesteld dat referent niet heeft onderbouwd in welke mate en op welke wijze hij afhankelijk is van zijn ouders vanwege zijn klachten. De rechtbank kan deze motivering van verweerder volgen. Eisers hebben niet toegelicht of onderbouwd waarom de emotionele binding tussen referent en zijn ouders zodanig is dat deze zwaarder moet wegen dan dat nu het geval is.
Stappen naar zelfstandigheid
4.6.1.
Eisers voeren aan dat niet in hun nadeel mag worden gewogen dat referent stappen naar zelfstandigheid heeft gezet. Dat is namelijk aan verweerder te wijten door de te lange beslisduur.
4.6.2.
De rechtbank overweegt als volgt. In een uitspraak van de Afdeling van
14 juni 2024 [4] heeft de Afdeling hierover het volgende overwogen:
‘3.4. Weliswaar impliceert de toepasselijkheid van het jongvolwassenenbeleid dat een vreemdeling of referent in enige mate afhankelijk is van zijn ouders, maar dat betekent niet dat aan die afhankelijkheid in de belangenafweging zonder meer een zodanig zwaar gewicht moet worden toegekend, dat alleen al daarom de belangenafweging, of op grond van artikel 8 van Pro het EVRM in Nederland verblijf moet worden toegestaan om familie- en gezinsleven uit te kunnen oefenen, in het voordeel van betrokkenen zou moeten uitvallen. Er is sprake van twee beoordelingskaders waarbij de weging van de feiten kan verschillen. Dit brengt met zich dat de staatssecretaris in de belangenafweging ook rekening mag houden met bijvoorbeeld de tijd die is verstreken sinds betrokkenen niet meer met elkaar in gezinsverband samenleven en met de mate waarin de jongvolwassen vreemdeling of referent inmiddels zelfstandig functioneert.’
De Afdeling heeft deze uitspraak recent bevestigd in haar drie uitspraken over het jongvolwassenenbeleid van 27 mei 2026. [5] Daarin heeft de Afdeling overwogen dat verweerder in het nadeel van betrokkenen mocht meewegen hoelang zij en de referent ten tijde van het besluit op bezwaar al gescheiden van elkaar leven. Gelet op deze rechtspraak, is de rechtbank van oordeel dat verweerder in dit geval terecht heeft meegenomen dat referent 22 jaar is, hij sinds een jaar in een zelfstandige woonruimte woont, studeert en een studiefinanciering ontvangt.
Binding met Syrië
4.7.1.
Eisers voeren aan dat de binding van eisers met Syrië niet licht in hun nadeel had mogen worden gewogen. Er is namelijk een mindere band met Syrië door de oorlog.
4.7.2.
De rechtbank overweegt hiertoe als volgt. Verweerder heeft gesteld dat de ouders hechte banden hebben met Syrië, maar heeft dit licht in hun nadeel gewogen, omdat er een objectieve belemmering is. Hieruit volgt dus dat verweerder al minder zwaar gewicht heeft toegekend aan de band van de ouders met Syrië. De rechtbank kan de motivering van verweerder in dit geval volgen. Dat verweerder een ander gewicht heeft toegekend aan de binding met Syrië dan eisers voor ogen hebben, betekent nog niet dat dit niet juist is.
Omstandigheden van het jongvolwassenenbeleid
4.8.1.
Eisers voeren aan dat verweerder ten onrechte niet in hun voordeel heeft gewogen dat referent valt onder de toepassing van het jongvolwassenenbeleid.
4.8.2.
De rechtbank overweegt hiertoe als volgt. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling [6] volgt dat verweerder in de belangenafweging in ieder geval de omstandigheden moet betrekken die hij ten grondslag heeft gelegd aan zijn conclusie dat er bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan. In dit geval is dat dus dat sprake is van familieleven omdat aan het jongvolwassenenbeleid wordt voldaan. Dat verweerder in de belangenafweging dezelfde feiten en omstandigheden moet betrekken als in de beoordeling of familieleven bestaat, staat los van de vraag welk gewicht hij aan de belangen moet toekennen. De context en inhoudelijke beoordeling verschillen immers. [7] Weliswaar impliceert de toepasselijkheid van het jongvolwassenenbeleid dat de jongvolwassene in enige mate afhankelijk is van zijn ouders, maar dat betekent niet dat aan die afhankelijkheid in de belangenafweging zonder meer een zodanig zwaar gewicht moet worden toegekend, dat alleen al daarom de belangenafweging, of op grond van artikel 8 van Pro het EVRM in Nederland verblijf moet worden toegestaan om familieleven uit te kunnen oefenen, in het voordeel van betrokkenen zou moeten uitvallen. [8] Er is sprake van twee beoordelingskaders waarbij de weging van de feiten kan verschillen. Dit brengt met zich dat verweerder in de belangenafweging ook rekening mag houden met bijvoorbeeld de tijd die is verstreken sinds betrokkenen niet meer met elkaar in gezinsverband samenleven en met de mate waarin de jongvolwassen vreemdeling of referent ten tijde van het bestreden besluit zelfstandig functioneert. [9]
4.8.3.
Uit het bestreden besluit volgt dat verweerder in de belangenafweging allereerst in het voordeel van de ouders heeft gewogen dat sprake is van familieleven. Verweerder heeft verder betrokken dat referent met zijn ouders samenwoonde, maar heeft dit niet expliciet in het voordeel van eisers gewogen, omdat de samenwoning volgens verweerder niet noodzakelijk is om invulling te geven aan het familieleven samen. Ten aanzien van het voorzien in eigen levensonderhoud heeft verweerder in de belangenafweging betrokken dat referent nu studeert en een studiefinanciering ontvangt. Verweerder heeft dit gezien als gemaakte stappen naar zelfstandigheid en heeft dat als onderdeel van de aard en de intensiteit van het gezinsleven in het nadeel van de ouders gewogen. Bij het economisch belang is echter de omstandigheid dat referent onvoldoende middelen van bestaan minder zwaar gewogen, omdat referent inspanningen heeft gedaan om een eigen inkomen te genereren. Verweerder heeft in de belangenafweging niet expliciet betrokken dat referent geen eigen gezin heeft gevormd, maar nu dit een negatief feit is, verweerder de overige omstandigheden wel heeft betrokken en nu verweerder in het voordeel van de ouders heeft gewogen dat sprake is van familieleven, maakt dit naar het oordeel van de rechtbank niet dat sprake is van een motiveringsgebrek.
4.8.4.
De rechtbank is van oordeel dat de omstandigheden op grond waarvan tot de conclusie is gekomen dat referent voldoet aan het jongvolwassenenbeleid voldoende zijn betrokken in de belangenafweging. Het feit dat verweerder de samenwoning en het niet in eigen levensonderhoud voorzien niet expliciet in het voordeel van de ouders heeft gewogen, maakt naar het oordeel van de rechtbank nog niet dat de belangenafweging niet kan worden gevolgd. Zoals in overweging 4.8.2 al is vastgesteld, staat de omstandigheid dat verweerder in de belangenafweging dezelfde feiten en omstandigheden moet betrekken als in de beoordeling of familie- en gezinsleven bestaat, los van de vraag welk gewicht hij aan de belangen moet toekennen, omdat de context en de inhoudelijke beoordeling verschillen. De rechtbank kan – enigszins terughoudend toetsend – begrijpen dat verweerder in het kader van de belangenafweging deze waarde heeft gehecht aan de omstandigheden van het jongvolwassenenbeleid.
Restrictief toelatingsbeleid
4.9.1.
Eisers voeren aan dat verweerder het restrictief toelatingsbeleid niet in hun nadeel heeft kunnen laten wegen. Dit is slechts een uitgangspunt en kan nooit een belang op zichzelf zijn. Eisers verwijzen naar een uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem van 25 juni 2024 [10] , waarin de rechtbank heeft geoordeeld dat verweerder ten onrechte het restrictieve toelatingsbeleid als belang heeft betrokken in de belangenafweging. De rechtbank heeft in die zaak verder geoordeeld dat bij een belangenafweging in het kader van artikel 8 van Pro het EVRM een ‘fair balance’ worden gevonden tussen het belang van de vreemdeling enerzijds, en het Nederlands algemeen belang dat is gediend bij het voeren van een restrictief toelatingsbeleid anderzijds. In die uitspraak heeft de rechtbank geconcludeerd dat het restrictieve toelatingsbeleid het uitgangspunt van verweerder is in de belangenafweging, en niet dat dit een belang is van verweerder dat vervolgens ook nog zwaar in het nadeel van de vreemdeling kan worden betrokken in het kader van de belangenafweging.
4.9.2.
Verweerder heeft verwezen naar vaste rechtspraak van de Afdeling [11] , waaruit volgt dat het belang van het voeren van een restrictief toelatingsbeleid onderdeel is van het algemeen belang van de Nederlandse samenleving, in de zin van het economisch welzijn in bredere zin, en ziet dus op meer dan alleen het belang van de Nederlandse economie in de vorm van uitkeringen vanuit de openbare kas.
4.9.3.
In het bestreden besluit heeft verweerder het voeren van een restrictief toelatingsbeleid onder het kopje ‘belangen van de Nederlandse staat’ betrokken in de belangenafweging en vervolgens in het nadeel van de ouders gewogen. De rechtbank is van oordeel dat deze benadering niet in strijd is met de rechtspraak van de Afdeling. Verweerder mag het belang van de Nederlandse staat bij een restrictief toelatingsbeleid betrekken in de belangenafweging. De rechtbank kan – enigszins terughoudend toetsend – volgen hoe verweerder het restrictief toelatingsbeleid heeft meegenomen in de belangenafweging en volgt eisers niet in hun standpunt dat verweerder dit niet in hun nadeel had mogen wegen.
Economisch belang
4.10.1.
Eisers voeren aan dat verweerder het economisch belang niet zo zwaar in hun nadeel had kunnen wegen. Referent levert namelijk zelf inspanningen om zijn eigen inkomen te genereren en hij studeert. Verweerder mag van betrokkenen niet het onmogelijke verwachten om in aanmerking te komen voor gezinshereniging. Eisers verwijzen naar een uitspraak van de Afdeling van 4 december 2024. [12]
4.10.2.
De rechtbank overweegt hiertoe als volgt. In de eerder genoemde drie recente uitspraken van de Afdeling van 27 mei 2026 heeft de Afdeling uitgelegd hoe het economisch belang gewogen moet worden in de belangenafweging. Daaruit volgt dat verweerder bij de belangenafweging een bepaalde beoordelingsruimte heeft. Verweerder mag die ruimte echter niet categorisch zo beperken dat aan het economisch belang in elk afzonderlijk geval steeds evenveel gewicht toekomt in die zin dat het altijd van doorslaggevend gewicht is, zodat er - uitzonderingen in sociaal-medisch dringende situaties daargelaten - geen andere belangen tegenover kunnen worden gesteld als gevolg waarvan de belangenafweging wel in het voordeel van een vreemdeling uitvalt. Verweerder moet in zijn beslispraktijk rekening houden met de omstandigheden van het geval in de belangenafweging en een vreemdeling kan omstandigheden in zijn voordeel aanvoeren, ook bij de weging van het economisch belang als zodanig. De Afdeling heeft overwogen dat het voor zich spreekt dat dergelijke omstandigheden dan ook in de weging moeten worden betrokken en dus ook kunnen afdoen aan het gewicht dat aan het economisch belang van Nederland in de belangenafweging in een concreet geval toekomt.
4.10.3.
In dit geval heeft verweerder in het bestreden besluit het economisch belang in het nadeel van de ouders gewogen. Verweerder heeft in dit kader wel minder zwaar meegewogen dat referent onvoldoende middelen van bestaan heeft, omdat hij inspanningen levert om een eigen inkomen te genereren,. Daaruit volgt dat verweerder dus rekening heeft gehouden met de specifieke omstandigheden van referent. Maar verweerder heeft ook andere omstandigheden in de belangenafweging betrokken. Het is volgens verweerder aannemelijk dat de ouders gebruik zullen gaan maken van de openbare kas omdat ze nog moeten integreren en onderwijs volgen en dat ze een beroep zullen doen op de gezondheidszorg. Verweerder weegt in het nadeel mee dat de ouders bij toelating tot Nederland voor een groot deel ten laste zullen komen van de Nederlandse samenleving. Ter zitting heeft de gemachtigde van eisers gesteld dat de moeder van referent, gelet op haar leeftijd en arbeidsverleden, nog economisch actief kan zij als haar suikerziekte goed is ingesteld. Dat doet echter niet af aan de tegenwerpingen van verweerder. Verweerder heeft uiteindelijk geen doorslaggevend gewicht toegekend aan de inspanningen van referent, zoals eisers wel zouden wensen. Dit betekent naar het oordeel van de rechtbank echter niet dat de motivering van verweerder waarom het economisch belang in het nadeel van eisers weegt niet gevolgd kan worden.
Niet betrokken belangen
4.11.1.
Eisers wijzen erop dat een aantal belangen niet zijn meegenomen door verweerder. Het gaat dan om de lange duur van de procedure (de aanvragen zijn van 19 januari 2022) en de afhankelijkheid van referent van zijn ouders. Ten aanzien van dit laatste punt verwijzen eisers naar een uitspraak van de rechtbank van 8 september 2025 [13] , waarin is geoordeeld dat de afhankelijkheid van een referent vaststaat als verweerder het jongvolwassenenbeleid van toepassing acht en dat deze afhankelijkheid kenbaar in het voordeel van de betrokkenen moet worden betrokken in die belangenafweging.
4.11.2.
Hoewel de rechtbank begrijpt dat het voor eisers vervelend is dat de procedure al zo lang duurt, ziet de rechtbank niet dat de lange duur van de procedure hier als belang betrokken had moeten worden. Het is de rechtbank in ieder geval niet gebleken dat de trage besluitvorming in het nadeel van de ouders is geweest.
4.11.3.
De rechtbank volgt eisers ook niet in standpunt dat de afhankelijkheid van referent van zijn ouders niet is meegenomen door verweerder. Verweerder heeft hierover in het bestreden besluit gesteld dat niet is gebleken op welke wijze referent afhankelijk is van zijn ouders, behalve dan de verklaring van referent dat zijn ouders hem wakker moeten maken. Dat vindt verweerder niet voldoende. De rechtbank stelt vast dat hieruit volgt dat verweerder wel heeft gekeken naar de afhankelijkheid van referent van zijn ouders, maar dat verweerder deze onvoldoende (onderbouwd) heeft gevonden om in het voordeel van de ouders te wegen.
4.11.4.
De rechtbank volgt eisers verder niet in hun verwijzing naar de uitspraak van de rechtbank van 8 september 2025 en dat bij de toepassing van het jongvolwassenenbeleid afhankelijkheid kenbaar in het voordeel van de betrokkenen moet worden betrokken in die belangenafweging. Zoals de rechtbank eerder in 4.8.2 heeft overwogen, is bij de vaststelling van de toepassing van het jongvolwassenenbeleid en de belangenafweging sprake van twee verschillende beoordelingskaders, waarbij de weging van de feiten kan verschillen. Verweerder heeft in de belangenafweging wel expliciet in het voordeel van de ouders gewogen dat sprake is van familieleven tussen hen en referent. Maar in het kader van de aard en intensiteit van het familieleven heeft verweerder geen gewicht toegekend aan de afhankelijkheid van referent van zijn ouders, omdat niet gebleken is op welke wijze referent afhankelijk is van zijn ouders. De rechtbank kan begrijpen dat verweerder in dat kader geen gewicht heeft toegekend aan de afhankelijkheid, omdat eisers inderdaad niet concreet hebben onderbouwd op welke wijze referent afhankelijk is van zijn ouders.
Tussenconclusie
4.12.
De rechtbank concludeert dat verweerder alle feiten en omstandigheden heeft betrokken in de belangenafweging en dat hij de belangen op navolgbare wijze in de belangenafweging heeft betrokken.
Heeft verweerder terecht geen familieleven aangenomen tussen referent en broertje?
5.1.
Eisers voeren aan dat, indien de aanvraag van de ouders wordt ingewilligd, de aanvraag van het broertje ook moet worden ingewilligd. In het primaire besluit is namelijk aangenomen dat sprake is van familieleven tussen de ouders en het broertje.
5.2.
Nu de rechtbank tot het oordeel is gekomen dat verweerder de belangenafweging terecht in het nadeel van de ouders heeft laten uitvallen en daarmee dat verweerder de aanvraag van de ouders terecht niet heeft ingewilligd, heeft verweerder ook terecht de aanvraag van het broertje van referent niet ingewilligd. Eisers hebben verder geen aanvullende feiten en omstandigheden aangevoerd waaruit volgt dat tussen referent en zijn broertje sprake is van familieleven.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat verweerder de aanvraag van eisers voor een mvv terecht heeft afgewezen. Eisers krijgen geen gelijk. Zij krijgen daarom geen vergoeding van hun proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.E.J.M. Gielen, rechter, in aanwezigheid van
mr.I.G.A. Karregat, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 26 januari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:340.
3.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1187, onder 6 – 6.2.
4.Zie de uitspraak van de Afdeling van 14 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2449.
6.Zie de uitspraken van de Afdeling van 28 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1188 en ECLI:NL:RVS:2024:1187.
7.Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 14 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2449, r.o. 3.3.
8.Dit heeft de Afdeling zeer recent nog bevestigd in de in noot 5 aangehaalde uitspraken.
9.Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 14 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2449, r.o. 3.4.
11.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 4 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:876, r.o. 2.