ECLI:NL:RVS:2026:3048
Raad van State
- Hoger beroep
- J.C.A. de Poorter
- J.M. Willems
- J. Schipper-Spanninga
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing machtiging voorlopig verblijf jongvolwassene op grond van artikel 8 EVRM
Appellant, een jongvolwassene geboren in 2003, verzocht via zijn moeder, referent, om een machtiging tot voorlopig verblijf in Nederland. De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees dit verzoek af, waarna bezwaar en beroep werden ingesteld. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bevestigt deze uitspraak in hoger beroep.
De kern van het geschil betreft de toepassing van het jongvolwassenenbeleid en de belangenafweging op grond van artikel 8 van Pro het EVRM, waarbij het economisch belang van Nederland een belangrijke rol speelt. De Afdeling oordeelt dat het jongvolwassenenbeleid bestaat en dat het economisch belang niet in alle gevallen doorslaggevend is, maar dat een geïndividualiseerde belangenafweging moet plaatsvinden.
In deze zaak heeft de minister het gezinsleven tussen appellant en zijn moeder erkend, maar het economisch belang en andere omstandigheden, zoals het restrictieve toelatingsbeleid, het gebruik van voorzieningen en de sterke banden van appellant met Suriname, zwaarder laten wegen. Het verzoek om advies aan het EHRM op grond van Protocol nr. 16 bij het EVRM wordt afgewezen. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf bevestigd.