ECLI:NL:RBDHA:2026:16153

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
15 juni 2026
Publicatiedatum
15 juni 2026
Zaaknummer
NL24.30519
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • A.L.M. Steinebach - de Wit
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRMArt. 3:46 AwbArt. 8:72 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging afwijzing mvv-aanvraag wegens onvoldoende geïndividualiseerde belangenafweging

Eiseres, een Syrische vrouw verblijvend in Libanon, heeft een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) aangevraagd om bij haar zoon in Nederland te verblijven. De minister wees deze aanvraag af op grond van een belangenafweging waarbij het economisch belang van Nederland zwaarder werd gewogen dan het individuele belang van eiseres en haar zoon, mede vanwege het ontbreken van een zelfstandig inkomen van de zoon en het gebruik van de openbare kas door eiseres.

De rechtbank oordeelt dat de minister weliswaar de familie- en gezinsrelatie erkent, maar de belangenafweging onvoldoende heeft gemotiveerd en geïndividualiseerd. Zo is onvoldoende rekening gehouden met de medische situatie van de zoon, de objectieve belemmering om het gezinsleven in Syrië uit te oefenen, en de bijzondere omstandigheden van het jongvolwassenenbeleid. De minister heeft het economisch belang onvoldoende afgezet tegen de individuele omstandigheden.

De rechtbank vernietigt het bestreden besluit wegens strijd met het motiveringsbeginsel (artikel 3:46 Awb Pro) en draagt de minister op binnen zes weken een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens wordt de minister veroordeeld tot betaling van proceskosten aan eiseres.

Uitkomst: Het besluit tot afwijzing van de mvv-aanvraag wordt vernietigd en de minister wordt opgedragen een nieuwe belangenafweging te maken.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.30519

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres], V-nummer: [V-nummer], eiseres

(gemachtigde: mr. A. Khalaf),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. P.M.W. Jans).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres. Eiseres is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven. Eiseres krijgt gelijk en het beroep is dus gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) op grond van artikel 8 van Pro het EVRM [1] bij haar zoon [naam] (referent). De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 5 april 2023 afgewezen. Met het bestreden besluit van 8 juli 2024 op het bezwaar van eiseres is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 1 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: referent, de gemachtigde van eiseres, Z. Hanina als tolk en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Inleiding

3. Eiseres beoogt verblijf bij haar zoon in Nederland. Eiseres en referent hebben beide de Syrische nationaliteit en eiseres verblijft momenteel in Libanon, waar zij in 2014 samen met referent naartoe is gevlucht. De aanvraag is afgewezen door de minister omdat de belangenafweging in het nadeel van eiseres en referent uitvalt.
Het bestreden besluit
4. De minister heeft in de beschikking van 8 juli 2024 opgenomen dat de identiteit van eiseres is aangetoond en dat eiseres en referent het voordeel van de twijfel krijgen wat betreft de familierechtelijke relatie. Volgens de minister is er sprake van familie- of gezinsleven tussen referent, als jongvolwassene, en zijn moeder als bedoeld in artikel 8 van Pro het EVRM. De belangen van de Nederlandse Staat wegen echter in dit geval zwaarder dan het individuele belang van eiseres en referent bij uitoefening van het familie- en gezinsleven in Nederland. De minister heeft hierbij onder andere betrokken dat het economisch belang van Nederland in dit geval zwaar weegt omdat referent geen zelfstandig inkomen heeft en eiseres langere tijd gebruik zal moeten maken van de openbare kas indien zij naar Nederland komt.
5. Eiseres heeft gemotiveerd betwist dat de belangenafweging in haar nadeel moet uitvallen. De rechtbank zal hierna – voor zover relevant en van belang – op de aangevoerde gronden ingaan.
Toetsingskader
6. Op grond van vaste jurisprudentie van de Afdeling [2] dient de minister in reguliere zaken, als wordt vastgesteld dat er tussen een meerderjarig kind en zijn gezinsleden familie- of gezinsleven bestaat als bedoeld in artikel 8 van Pro het EVRM, een belangenafweging te maken waarbij hij het belang van de Nederlandse Staat afweegt tegen het belang van de betrokkenen. [3] Wanneer een belangenafweging is gemaakt in het kader van artikel 8 van Pro
het EVRM, dient de rechtbank eerst te toetsen of de minister alle relevante feiten en
omstandigheden in zijn belangenafweging heeft betrokken. Indien dit het geval is, dient de
rechtbank te toetsen of de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat
die afweging heeft geresulteerd in een ‘fair balance’ tussen het belang bij de uitoefening van
het familie- en gezinsleven van een vreemdeling in Nederland en het Nederlands algemeen
belang. De vraag of alle feiten en omstandigheden zijn betrokken, moet de rechtbank zonder
terughoudendheid toetsen. [4] De uitkomst van de gemaakte belangenafweging dient de
rechtbank enigszins terughoudend te toetsen. Dat betekent onder meer dat de bestuursrechter
het gewicht dat de minister aan de verschillende belangen heeft toegekend, enigszins
terughoudend moet toetsen. [5] Uit de uitspraak van de Afdeling van 27 mei 2026 [6] volgt verder dat in beginsel niet bij alle relevante feiten of omstandigheden hoeft te worden benoemd of deze licht of zwaar meeweegt in de belangenafweging maar dat de uitkomst van de belangenafweging als geheel voldoende inzichtelijk moet zijn. In iedere zaak moet de minister een geïndividualiseerde belangenafweging maken, waarbij onder andere het economisch belang van Nederland wordt gewogen en wordt afgezet tegen de overige omstandigheden van het concrete geval. Dit brengt met zich dat de minister in de besluitvorming kenbaar moet motiveren hoe het economisch belang is gewogen en welke omstandigheden maken dat er meer of minder gewicht aan het economisch belang toekomt.
Heeft de minister tot de gemaakte belangenafweging kunnen komen?
Wat is het standpunt van eiseres
7. Eiseres voert ten eerste aan dat een onjuist toetsingskader is toegepast door te stellen dat er slechts in ‘zeer bijzondere individuele omstandigheden’ hereniging van een jongvolwassene en diens ouder mogelijk is. Daarnaast stelt eiseres dat een te groot belang is toegekend aan het economisch belang van de staat. Omdat het jongvolwassenenbeleid uitgaat van afhankelijkheid van jongvolwassen kinderen is het niet evenredig en fair om vervolgens van hen te verwachten dat zij financieel kunnen voorzien in de eigen lasten en daarbovenop de lasten van hun familieleden kunnen dragen. Hereniging wordt volgens eiseres op deze manier feitelijk onmogelijk gemaakt. De minister hanteert volgens eiseres een verkapt middelenvereiste door middelen van bestaan zo zwaar te wegen in de belangenafweging. Verder voert eiseres aan dat onvoldoende gewicht is toegekend aan de objectieve belemmering om het gezinsleven in het land van herkomst uit te voeren en dat ten onrechte is overwogen dat het gezinsleven op afstand kan worden uitgeoefend en dat deze conclusie maakt dat minder gewicht toekomt aan de objectieve belemmering. Eiseres heeft ter onderbouwing van haar standpunt gewezen op een aantal uitspraken van verschillende zittingsplaatsen van de rechtbank Den Haag. [7]
7.1.
Tot slot stelt eiseres dat de minister een onjuist toetsingskader heeft gehanteerd wat betreft de medische situatie van haar zoon, referent. Hoewel de zorg die referent nodig heeft ook door anderen kan worden geboden, is het zo dat het gemis van zijn moeder een negatieve invloed heeft op de gezondheid van referent en dat dit zijn leven ernstig beïnvloedt. De minister heeft dit in de belangenafweging moeten meewegen in het voordeel van eiseres. De minister verlangt kennelijk een exclusieve afhankelijkheid van zorg terwijl dit geen vereiste is om medische omstandigheden mee te wegen als relevant belang. Eiseres en referent hebben een verklaring van Drs. Ali Altememy, psycholoog NIP, overgelegd van 4 maart 2026 waarin met name wordt bevestigd dat het gemis van zijn moeder een negatieve invloed heeft op referent.
Wat is het standpunt van de minister?
8. De minister stelt zich – samenvattend – op het standpunt dat de belangenafweging in het kader van de toepassing van het jongvolwassenenbeleid losstaat van de belangenafweging die daarna plaatsvindt in het kader van artikel 8 EVRM Pro. Volgens de minister zijn alle belangen op de juiste wijze gewogen.
Belangen van referent
8.1.
De minister weegt in het voordeel mee dat sprake is van een objectieve belemmering om het gezinsleven uit te oefenen in Syrië.
8.2.
De minister heeft in het kader van de aard en intensiteit van het gezinsleven gesteld dat eiseres en referent het contact en gezinsleven zoals daar nu invulling aan wordt gegeven kunnen voortzetten. Referent heeft immers verklaard dat hij zijn moeder dagelijks telefonisch spreekt. De minister erkent dat dit contact minder persoonlijk is maar dit wordt voldoende geacht als voortzetting van de omgang. Hoewel referent altijd met zijn ouders heeft samengewoond en zijn moeder voor hem zorgde stelt de minister dat hij inmiddels 28 jaar oud is, zelfstandig woont en medische hulp krijgt. Referent wordt in staat geacht om zelfstandig te functioneren zonder zijn moeder. Dat zijn vertrek in 2019 noodgedwongen was doet hieraan volgens de minister niet af.
8.3.
Voor wat betreft de binding met het land van herkomst en Nederland stelt de minister dat eiseres geen binding heeft met Nederland en een sterke binding heeft met Syrië. De sterke banden met Syrië worden licht in het nadeel meegewogen gezien de objectieve belemmering en vanwege het inreisverbod waardoor het uitoefenen van het gezinsleven in Libanon niet mogelijk is.
8.4.
Ten aanzien van de medische situatie van referent stelt de minister dat begrijpelijk is dat referent zijn moeder bij zich wil hebben maar dat niet aannemelijk is gemaakt dat zijn ziektebeeld enkel te koppelen is aan haar afwezigheid of dat sprake zal zijn van een aanzienlijke verbetering bij eventuele hereniging. Daarnaast is volgens de minister niet gebleken dat referent niet de nodige zorg krijgt.
Belangen van de Nederlandse Staat
8.5.
De minister weegt in het voordeel mee dat eiseres geen gevaar is voor de openbare orde en dat eiseres een geldig document heeft voor grensoverschrijding.
8.6.
De minister weegt de economische belangen zwaar mee in het nadeel van eisers. Hierbij speelt een rol dat referent geen middelen van bestaan heeft en dat eiseres voor langere tijd gebruik zal maken van de openbare kas en van de publieke voorzieningen. Daarnaast weegt in het nadeel dat eiseres nog nooit een verblijfsvergunning in Nederland heeft gehad en dat zij geen leven heeft opgebouwd in Nederland. Nederland hanteert een restrictief toelatingskader en eisers vallen niet onder de categorie personen voor wie regulier beleid is opgesteld. De Nederlandse wetgever heeft er (bewust) niet voor gekozen om
meerderjarige kinderen en hun ouders te herenigen.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
9. De rechtbank is van oordeel dat de uitkomst van de belangenafweging in dit concrete geval onvoldoende inzichtelijk is gemaakt door de minister. De rechtbank zal haar oordeel hieronder nader toelichten.
9.1.
De minister heeft ten aanzien van de vaststelling van de objectieve belemmering om het gezinsleven in Syrië uit te oefenen en van de banden van eiseres met Syrië gesteld dat dit niet maakt dat de belangenafweging in het voordeel van eiseres uitvalt omdat eiseres nog steeds sterkere banden heeft met Syrië dan met Nederland. De minister benoemt hierbij dat eiseres niet meer in Syrië verblijft, namelijk in Libanon, maar dat dit een en ander niet anders maakt omdat ze behalve de aanwezigheid van haar kinderen in Nederland geen banden heeft met Nederland. De sterke banden met Syrië worden gezien de objectieve belemmering volgens de minister licht in het nadeel meegewogen. De minister volstaat in dit kader verder met de stelling dat het belang van de Nederlandse overheid meestal zwaarder weegt bij een eerste toelating en dat het missen van moeder geen bijzondere omstandigheid is waardoor wordt afgeweken van dit uitgangspunt. De minister heeft de objectieve belemmering in de zojuist geschetste context niet kenbaar in het voordeel van eisers betrokken. De minister heeft in dit kader ook niet meegenomen wat de gevolgen zijn van het feit dat slechts licht in het nadeel wordt meegewogen dat er sterke banden met Syrië zijn vanwege de objectieve belemmering. De minister stelt enkel dat dit een belangrijkste omstandigheid betreft, maar dat dit niet betekent dat de belangenafweging in het voordeel van eisers uitvalt. De stelling van eiseres dat er niemand op haar wacht in Syrië nu haar beide kinderen in Nederland verblijven en haar man in Libanon is overleden, is ook niet kenbaar meegenomen in de vaststelling dat sprake is van sterkere banden met Syrië dan met Nederland.
9.2.
In de besluitvorming is door de minister verder overwogen dat de uitoefening van het gezinsleven ook op afstand uitgeoefend kan worden en dat dat zwaarder weegt dan de objectieve belemmering om het gezinsleven in Syrië uit te oefenen. De minister stelt dat het contact op afstand voldoende wordt geacht, dat referent inmiddels 28 jaar oud is, zelfstandig woont en dat hij hulp krijgt voor zijn medische situatie. De minister heeft hier echter niet kenbaar bij betrokken dat het contact tussen eiseres en referent de laatste jaren noodgedwongen op afstand heeft plaatsgevonden. In dit verband acht de rechtbank van belang dat referent heeft verklaard dat hij altijd bij eiseres heeft gewoond en dat zij ook zorgtaken voor referent verrichtte. Uit de overgelegde verklaring van de behandelend psycholoog van referent blijkt dat hij lijdt aan ernstige angst- en depressieve stoornissen als gevolg van traumatische oorlogservaringen in Syrië. Daarnaast heeft referent een chronische aandoening, sikkelcelanemie, die bij lichamelijke en psychische belasting verergert en waarvoor hij zorg nodig heeft. Hij kampt met terugkerende paniekaanvallen en er is sprake van een uitzonderlijk hechte en emotioneel afhankelijke band met zijn moeder. [8] Onder deze omstandigheden, waarbij sprake is geweest van gedwongen vertrek en sprake is van een objectieve belemmering om het gezinsleven elders uit te oefenen, heeft de minister naar het oordeel van de rechtbank niet kunnen volstaan met de enkele stelling in het bestreden besluit dat het feit dat het vertrek van referent noodgedwongen was begrijpelijk is, maar hieraan niet afdoet.
9.3.
In de belangenafweging in het kader van artikel 8 van Pro het EVRM moet de minister alle concrete omstandigheden van het individuele geval betrekken en afwegen. Daarin mag de omstandigheid dat het om familie- en gezinsleven met een jongvolwassene gaat niet zonder betekenis zijn. [9] De rechtbank overweegt dat de minister in het kader van de economische belangen niet inzichtelijk heeft gemaakt waarom de belangenweging uiteindelijk in het nadeel van eisers uitvalt. Het feit dat referent als jongvolwassene is aangemerkt mag niet zonder betekenis zijn, en betekent in beginsel dat hij niet in zijn eigen onderhoud voorziet en dus niet in staat zal zijn om de kosten van huisvesting en medische kosten te dragen voor zijn overkomende gezinsleden. De minister werpt referent tegen dat van hem verwacht mag worden dat hij zijn moeder volledig financieel ondersteunt. Naar het oordeel van de rechtbank is hiermee niet inzichtelijk gemaakt hoe het feit dat referent als jongvolwassene is aangemerkt, is afgezet tegen de omstandigheid dat de overkomst van zijn moeder ten laste komt van de Nederlandse staat. Daarbij komt in het geval van referent dat hij voor zijn komst naar Nederland altijd met zijn moeder heeft samengewoond, vanaf 2014 in Libanon. Van stappen naar zelfstandigheid was voor het vertrek van referent naar Nederland geen sprake. Ook in Nederland kan referent zich met moeite zelfstandig handhaven. Hij woont weliswaar zelfstandig maar heeft vanwege zijn medische situatie veel ondersteuning nodig en is bijvoorbeeld gestopt met het leren van de Nederlandse taal. Daarnaast gaat het in deze zaak enkel om een aanvraag ten behoeve van de moeder van referent, waardoor het beroep op de openbare kas zich in die zin beperkt tot één gezinslid. Deze omstandigheden, die afwijken van de omstandigheden in de Afdelingsuitspraak van 27 mei 2026 [10] en 3 juni 2025 [11] , zijn door de minister naar het oordeel van de rechtbank ten onrechte niet kenbaar betrokken, wat leidt tot onvoldoende inzicht in de uitkomst van de belangenafweging op dit punt.
9.4.
Alle omstandigheden en nuanceringen die hierboven geschetst zijn tezamen maken naar het oordeel van de rechtbank dat de uitkomst van de belangenafweging in zijn geheel in dit geval onvoldoende inzichtelijk is. De belangenafweging is onvoldoende geïndividualiseerd omdat onder andere het economisch belang van Nederland onvoldoende is afgezet tegen de overige individuele omstandigheden. De rechtbank draagt de minister daarom op een nieuwe belangenafweging te verrichten met inachtneming van deze uitspraak.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is gegrond. Zoals hiervoor is overwogen is het bestreden besluit op meerdere punten genomen in strijd met artikel 3:46 van Pro de Awb [12] (deugdelijke motivering). De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing te nemen. De minister zal namelijk een nieuwe belangenafweging moeten verrichten.
10.1.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat de minister een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor zes weken de tijd.
10.2.
Omdat eiser geen griffierecht heeft betaald, hoeft de minister geen griffierecht aan hem te vergoeden. Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 8 juli 2024;
- draagt de minister op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.L.M. Steinebach - de Wit, rechter, in aanwezigheid van F.E. Siblesz, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden.
2.De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
3.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 27 mei 2026, ECLI:NL:RVS:2026:3046 en van 29 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2145.
4.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 26 januari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:340.
5.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1187, onder 6 – 6.2.
8.Dit volgt uit een verklaring van psycholoog Drs. Ali Altememy van 4 maart 2026 van het La Haye Instituut voor Psychologische Diensten LIP.
9.Uitspraak van de Afdeling van 27 mei 2026, ECLI:NL:RVS:2026:3046, ro. 3.5.
10.ECLI:NL:RVS:2026:3046, ro. 3.24.
12.Algemene wet bestuursrecht.