ECLI:NL:RBDHA:2026:16029
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Opheffing maatregel bewaring wegens onterechte wijziging grondslag asielaanvraag
Eiser, van Libische nationaliteit, werd op 9 mei 2026 in bewaring gesteld op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. De grondslag van de maatregel was gewijzigd nadat verweerder aannam dat eiser zijn asielaanvraag had ingetrokken, terwijl eiser dit niet uitdrukkelijk had gedaan. De rechtbank stelde vast dat eiser geen eenduidige verklaring gaf om zijn asielaanvraag in te trekken en dat het weigeren in te stappen in het DV&O-busje niet zonder meer als intrekking kon worden opgevat.
De rechtbank sloot aan bij eerdere jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, waarin is bepaald dat een asielaanvraag pas als ingetrokken geldt indien dit uitdrukkelijk en zonder voorbehoud is kenbaar gemaakt. Omdat eiser dit niet had gedaan, was de wijziging van de grondslag onterecht en was de maatregel van bewaring onrechtmatig.
De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, hief de maatregel van bewaring op met ingang van 11 juni 2026 en kende eiser een schadevergoeding toe van €4.080,- voor 34 dagen onrechtmatige vrijheidsontneming. Tevens werden de proceskosten van eiser aan hem toegekend. De uitspraak werd gedaan door rechter V.F.J. Bernt en griffier M.A. van Garder.
Uitkomst: De maatregel van bewaring is opgeheven wegens onterechte wijziging van de grondslag en eiser krijgt een schadevergoeding toegekend.