Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:16029

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
11 juni 2026
Publicatiedatum
14 juni 2026
Zaaknummer
NL26.30458
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vreemdelingenwet 2000Art. 106 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Opheffing maatregel bewaring wegens onterechte wijziging grondslag asielaanvraag

Eiser, van Libische nationaliteit, werd op 9 mei 2026 in bewaring gesteld op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. De grondslag van de maatregel was gewijzigd nadat verweerder aannam dat eiser zijn asielaanvraag had ingetrokken, terwijl eiser dit niet uitdrukkelijk had gedaan. De rechtbank stelde vast dat eiser geen eenduidige verklaring gaf om zijn asielaanvraag in te trekken en dat het weigeren in te stappen in het DV&O-busje niet zonder meer als intrekking kon worden opgevat.

De rechtbank sloot aan bij eerdere jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, waarin is bepaald dat een asielaanvraag pas als ingetrokken geldt indien dit uitdrukkelijk en zonder voorbehoud is kenbaar gemaakt. Omdat eiser dit niet had gedaan, was de wijziging van de grondslag onterecht en was de maatregel van bewaring onrechtmatig.

De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, hief de maatregel van bewaring op met ingang van 11 juni 2026 en kende eiser een schadevergoeding toe van €4.080,- voor 34 dagen onrechtmatige vrijheidsontneming. Tevens werden de proceskosten van eiser aan hem toegekend. De uitspraak werd gedaan door rechter V.F.J. Bernt en griffier M.A. van Garder.

Uitkomst: De maatregel van bewaring is opgeheven wegens onterechte wijziging van de grondslag en eiser krijgt een schadevergoeding toegekend.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL26.30458
V-nummer: [v-nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser 1], eiser

(gemachtigde: mr. R.M. Seth Paul),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. J. Kaikai).

Procesverloop

Bij besluit van 9 mei 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet ook worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 10 juni 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen S. Hassan. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt van Libische nationaliteit te zijn en te zijn geboren op
[geboortedag] 1980.
2.1
Eiser voert aan dat de grondslag van de maatregel ten onrechte is gewijzigd, omdat er geen sprake is van een intrekking van zijn asielaanvraag. Volgens eiser moet er een ondertekend M53-formulier zijn om een aanvraag in te kunnen trekken, wat er niet is. Het rapport van bevindingen waar verweerder zich op beroept is onvoldoende. Eiser verwijst hierbij naar de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 9 juni 2026 [1] .
2.2
De rechtbank stelt vast dat uit het rapport van bevindingen van 9 mei 2026 volgt dat eiser heeft geweigerd in het DV&O [2] -busje te stappen, waarna AVIM Rotterdam de omzetting van de bewaringsgrondslag op zich heeft genomen. Verder staat er dat eiser in het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling heeft verklaard dat hij geen vertrouwen heeft in de IND en niet met hen in gesprek wil. Eiser geeft aan enkel asiel aan te willen vragen als hij zijn procedure in vrijheid af mag wachten. Dit alles is voor verweerder de aanleiding geweest om ervan uit te gaan dat eiser geen asiel wil aanvragen. Verweerder heeft vervolgens de grondslag van de maatregel gewijzigd van artikel 59b van de Vw naar artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw.
2.3
In deze zaak ligt de vraag voor tot welk moment eiser kon worden aangemerkt als een vreemdeling die in afwachting is van een beslissing op zijn asielaanvraag. De rechtbank vindt bij de beantwoording van deze vraag aansluiting bij de uitspraak van de Afdeling [3] van 13 april 2012 [4] . In die uitspraak is enerzijds geoordeeld dat een door een vreemdeling in persoon ten overstaan van de autoriteiten kenbaar gemaakte wens om hem internationale bescherming te verlenen moet worden aangemerkt als een asielverzoek in de zin van de Procedurerichtlijn en moet worden opgevat als een aanvraag om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen. Anderzijds is geoordeeld dat uit de systematiek van de Vw, het Vreemdelingenbesluit 2000 en het Voorschrift Vreemdelingen 2000 valt af te leiden dat de ingangsdatum van een verleende verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet eerder kan zijn gelegen dan de dag waarop aan alle in enig wettelijk voorschrift gestelde vereisten voor het indienen van een aanvraag om een zodanige vergunning is voldaan. En verder dat de ingangsdatum van de aan de vreemdeling verleende vergunning niet eerder kan zijn gelegen dan op de datum waarop hij een M35-H formulier, het voorgeschreven model voor de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, heeft ondertekend.
2.4
De rechtbank acht bovengenoemde uitspraak van de Afdeling eveneens relevant voor de intrekking van een asielaanvraag. Naar het oordeel van de rechtbank kan uit de uitspraak van de Afdeling van 13 april 2012 [5] ook worden afgeleid dat de wens tot intrekking van een asielaanvraag pas voldoende kenbaar kan worden geacht op het moment dat deze buiten enige twijfel en zonder voorbehoud tot uitdrukking wordt gebracht.
De rechtbank verwijst in dit verband ook naar de uitspraak van de Afdeling van 20 november 2014 [6] . Ook daaruit kan worden afgeleid dat een vreemdeling, persoonlijk of via zijn raadsman en mondeling of schriftelijk, uitdrukkelijk te kennen moet geven dat hij zijn asielaanvraag wil intrekken. Uit de uitspraak van de Afdeling van 8 oktober 2025 [7] volgt verder dat de asielaanvraag niet pas na een uitdrukkelijke schriftelijk verklaring van een vreemdeling of diens gemachtigde is ingetrokken. Naar het oordeel van de rechtbank gaat het er dus om dat de wens om asiel in te trekken uitdrukkelijk kenbaar is.
2.5
Uit het verslag van het gehoor voorafgaand aan de maatregel volgt dat verweerder meerdere keren aan eiser heeft gevraagd of hij nou wel of niet zijn asielaanvraag in wil trekken. Eiser geeft hierop geen eenduidig antwoord. Hij wil niet met de IND in gesprek, maar hij geeft ook aan asiel te willen aanvragen als hij vrij wordt gelaten. Daarbij geeft eiser meerdere keren in dit gehoor aan dat hij vreest voor zijn leven in Libië. De rechtbank concludeert dan ook dat eiser niet uitdrukkelijk te kennen heeft gegeven dat hij zijn asielaanvraag in wil trekken. Voor zover verweerder meent dat die uitdrukkelijke wens (mede) gelegen is in het niet instappen in het busje, overweegt de rechtbank dat aan die weigering verschillende andere redenen ten grondslag kunnen liggen [8] . De grondslag is dus ten onrechte gewijzigd en deze beroepsgrond slaagt.
3. Het beroep is gegrond en de maatregel is vanaf het moment van opleggen daarvan onrechtmatig. Omdat het beroep gegrond is, behoeven de overige gronden geen bespreking.
4. Op grond van artikel 106 van Pro de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van bewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 34 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vrijheidsontnemende maatregel van 34 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 4.080,-.
5. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van 11 juni 2026;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 4.080,-, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.F.J. Bernt, rechter, in aanwezigheid van
M.A. van Garder, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

2.Dienst Vervoer & Ondersteuning.
3.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
8.Zie in dat verband de eerder genoemde uitspraak van de Afdeling van 8 oktober 2025,