ECLI:NL:RBDHA:2026:15561
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Moment van intrekking asielaanvraag bepaalt wijziging rechtspositie vreemdeling
Eiser had op 29 mei 2026 mondeling te kennen gegeven zijn asielaanvraag in te willen trekken, maar werd pas op 1 juni 2026 formeel in de gelegenheid gesteld dit te doen door het ondertekenen van een intrekkingsformulier. De rechtbank toetste wanneer de rechtspositie van de vreemdeling daadwerkelijk wijzigt bij intrekking van een asielaanvraag.
De rechtbank sloot aan bij eerdere jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, waarin werd geoordeeld dat een aanvraag pas als ingediend geldt wanneer aan alle wettelijke vereisten is voldaan, waaronder het ondertekenen van het aanvraagformulier. Dit principe werd doorgetrokken naar de intrekking van een aanvraag: deze moet ondubbelzinnig en zonder voorbehoud kenbaar worden gemaakt.
De rechtbank vond dat de mondelinge mededeling aan het personeel onvoldoende was en dat de rechtspositie van eiser pas op 1 juni 2026 veranderde toen hij formeel zijn intrekking verklaarde en het formulier ondertekende. Daarom hoefde de grondslag van de bewaring niet eerder dan 3 juni 2026 te worden gewijzigd.
De rechtbank concludeerde dat de maatregel van bewaring rechtmatig was toegepast en ten uitvoer gelegd. Het beroep van eiser werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst het verzoek om schadevergoeding af omdat de intrekking van de asielaanvraag pas rechtsgeldig was na ondertekening van het formulier.