ECLI:NL:RBDHA:2026:1555
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening afgewezen
Eiser, van Jemenitische nationaliteit en rolstoelgebonden door een dwarslaesie, verzocht om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister nam de aanvraag niet in behandeling omdat op grond van de Dublinverordening Roemenië verantwoordelijk is voor de behandeling. Eiser voerde aan dat Roemenië structurele tekortkomingen kent in de asielprocedure en opvang, en dat zijn medische situatie een onevenredige hardheid oplevert.
De rechtbank oordeelt dat de minister terecht uitgaat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, bevestigd door eerdere uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Eiser heeft onvoldoende concrete aanwijzingen geleverd dat hij bij overdracht aan Roemenië een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM Pro en artikel 4 Handvest Pro. Ook de medische omstandigheden van eiser zijn door de minister voldoende meegewogen.
De rechtbank stelt dat de minister niet verplicht was het verzoek op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening aan zich te trekken, omdat geen bijzondere, individuele omstandigheden zijn aangetoond die overdracht onevenredig hard maken. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij zonder aanvullende garanties in Roemenië geen adequate zorg zal ontvangen. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.