Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:14953

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
4 juni 2026
Publicatiedatum
4 juni 2026
Zaaknummer
NL25.20567
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 28 Vw 2000Art. 30b Vw 2000Art. 31 lid 6 sub c Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing opvolgende asielaanvraag wegens ongeloofwaardigheid homoseksualiteit en identiteitsgroei

Eiser, van Nigeriaanse nationaliteit, diende een opvolgende asielaanvraag in met het argument dat hij door identiteitsgroei beter zijn homoseksualiteit kan verklaren. De minister wees de aanvraag af omdat hij de verklaringen en overgelegde documenten niet geloofwaardig achtte. De rechtbank bevestigt dat de minister voldoende gemotiveerd heeft waarom de verklaringen en documenten onvoldoende aannemelijk maken dat eiser in aanmerking komt voor bescherming.

De rechtbank overweegt dat de eerdere afwijzing van de homoseksualiteit van eiser in rechte vaststaat en dat eiser onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt hoe hij persoonlijk is veranderd. De verklaringen over zijn relatie met [naam 4] zijn summier en bieden geen diepgang. Ook de verklaringen van derden en foto’s worden niet als doorslaggevend beschouwd. Deelname aan LHBTI-activiteiten geeft geen voldoende inzicht in persoonlijke ontwikkeling.

De rechtbank concludeert dat de minister terecht de aanvraag als kennelijk ongegrond heeft afgewezen. Het beroep wordt ongegrond verklaard en eiser krijgt geen proceskostenvergoeding. De uitspraak is gedaan door rechter T.M. Weeda en griffier C.L.M. Celie op 4 juni 2026.

Uitkomst: De rechtbank wijst het beroep af en bevestigt de afwijzing van de opvolgende asielaanvraag wegens ongeloofwaardigheid van de homoseksualiteit en identiteitsgroei.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.20567

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser

(gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. M.R. Stuart).

Samenvatting

Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de opvolgende asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van Pro de Vw 2000 [1] . Eiser heeft gewezen op zijn identiteitsgroei waardoor hij beter kan verklaren over zijn homoseksualiteit en hij heeft verschillende documenten overgelegd. De minister heeft de opvolgende asielaanvraag afgewezen omdat hij de identiteitsgroei niet gelooft. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. De minister heeft zich op het standpunt mogen stellen dat de verklaringen over de identiteitsgroei ongeloofwaardig zijn, waardoor eisers homoseksualiteit nog steeds ongeloofwaardig is. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en het beroep ongegrond is. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

1.1
Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Hij stelt van Nigeriaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1986. De minister heeft met het bestreden besluit van 2 mei 2025 deze aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond.
1.2
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
1.3
De rechtbank heeft het beroep op 16 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, A.K. Umar als tolk en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

De voorgaande procedure
2.1
Eiser heeft eerst op 17 maart 2016 een asielaanvraag ingediend. Eiser heeft aan die asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij homoseksueel is en gevaar loopt in Nigeria. Eiser is twee keer gearresteerd in 2013 en 2014 en op borgtocht vrijgelaten. Hij wordt in Nigeria vanwege zijn geaardheid gezocht door de autoriteiten en een sekte jongens.
2.2
De minister heeft de asielaanvraag met het besluit van 8 november 2017 afgewezen als ongegrond. In beroep heeft deze rechtbank, zittingsplaats Groningen, met de uitspraak van 16 september 2018 [2] het beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat de minister de gestelde homoseksuele gerichtheid niet aannemelijk heeft kunnen achten. De Afdeling [3] heeft met de uitspraak van 15 november 2018 [4] het hoger beroep ongegrond verklaard. Dat betekent dat het besluit van 8 november 2017 in rechte vaststaat.
De opvolgende asielaanvraag
3.1
Eiser heeft op 27 september 2018 met het M35-O formulier de onderhavige opvolgende asielaanvraag ingediend. De minister heeft de aanvraag met het besluit van 5 maart 2020 niet-ontvankelijk verklaard omdat geen sprake is van nieuwe elementen of bevindingen. Het beroep is met de uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 6 november 2020 [5] gegrond verklaard omdat eiser bij het gehoor opvolgende aanvraag van 2 maart 2020 niet was gehoord door een beëdigde tolk Engels.
3.2
Eiser heeft bij het gehoor opvolgende aanvraag aanvullend verklaard over zijn relaties en activiteiten sinds de eerste asielprocedure en hij heeft stukken overgelegd. De minister heeft de aanvraag met het besluit van 6 juli 2021 wederom niet-ontvankelijk verklaard omdat geen sprake is van nieuwe elementen of bevindingen.
3.3
In beroep heeft deze rechtbank en zittingsplaats eerst met de tussenuitspraak van 7 juni 2022 [6] geconcludeerd dat een groot deel van de overgelegde documenten de kans niet aanzienlijk groter maakt dat eiser in aanmerking komt voor bescherming. Dat is volgens de rechtbank anders met betrekking tot een brief van [naam 1], van VWN [7] van 23 maart 2020, een e-mail van mevrouw [naam 2], van VWN, van 27 augustus 2019 en de verklaringen die eiser heeft afgelegd bij de gehoren bij 2 maart 2020 en 23 februari 2021 over activiteiten gerelateerd aan zijn homoseksuele gerichtheid. De minister heeft met de aanvullende motivering van 20 juni 2022 gemotiveerd dat de voorgenoemde berichten en verklaringen de kans dat eiser in aanmerking komt voor bescherming niet aanzienlijk groter maken. Met de uitspraak van 16 september 2022 [8] heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd. De rechtbank oordeelt dat de minister ten aanzien van de voorgenoemde berichten van derden en de verklaringen die eiser bij de opvolgende aanvraag heeft afgelegd onvoldoende heeft gemotiveerd waarom deze de kans op een asielvergunning niet aanzienlijk groter maken.
3.4
De minister heeft op 24 december 2024 het voornemen uitgebracht om de asielaanvraag af te wijzen als kennelijk ongegrond. De minister heeft driemaal, op verzoek van de gemachtigde van eiser, uitstel verleend voor het indienen van een zienswijze maar de gemachtigde van eiser heeft uiteindelijk geen zienswijze ingediend. De minister heeft daarop het in deze procedure bestreden besluit genomen.
Het standpunt van de minister
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
  • De identiteit, nationaliteit en herkomst;
  • De homoseksuele gerichtheid en vrees voor vervolging in Nigeria.
De minister acht de verklaringen over de identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig. De minister acht de homoseksuele gerichtheid en vrees voor vervolging in Nigeria niet geloofwaardig. Eiser heeft zijn verklaringen niet onderbouwd met objectieve documenten. Daar komt bij dat eisers verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Volgens de minister voldoet eiser daarmee niet aan de voorwaarden van artikel 31, zesde lid, onder c, van de Vw.
Eiser heeft verder geen gegronde vrees voor vervolging aannemelijk gemaakt en hij loopt bij terugkeer naar Nigeria geen reëel risico op ernstige schade.
Omdat de opvolgende asielaanvraag niet niet-ontvankelijk is verklaard, heeft de minister de aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b, eerste lid en onder g van de Vw.
De minister legt een terugkeerbesluit op naar Nigeria zonder vertrektermijn en een inreisverbod voor 2 jaar.
Het standpunt van eiser
5. Eiser voert aan dat hij een groot aantal documenten heeft overgelegd die zijn homoseksuele geaardheid onderbouwt. In de brief van [naam 3] wordt inzicht gegeven in eisers karakter en wordt omschreven hoe hij worstelt met de familieproblemen. Eiser ziet niet in waarom de brief niet zwaarder meeweegt in het voordeel van eiser. Juist omdat eiser moeilijk kan verklaren over zijn gevoelens en ontwikkeling, had minister meer waarde moeten hechten aan verklaringen van derden. Eiser voert verder aan dat de minister ten onrechte niet heeft onderbouwd waarom iemand die een opleiding heeft gevolgd of langer in Nederland verblijft beter moet kunnen verklaren over seksualiteit en verandering. Deze omstandigheden leiden er in eisers geval niet toe dat hij zijn gevoelens beter onder woorden zou kunnen brengen. Jaren van vorming in een land en cultuur waarin dat niet vanzelfsprekend is, zijn niet verdwenen na een verblijf van enkele jaren in Nederland. Ter onderbouwing wijst eiser op de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Den Bosch, van 29 juli 2021 [9] . Ten aanzien van eisers verklaringen over [naam 4] voert eiser aan dat de minister hem niet kan tegenwerpen dat hij niet aan [naam 4] heeft verteld waarom hij op hem verliefd is geworden. Het is niet vreemd dat eiser heeft verklaard dat hij zich tot [naam 4] aangetrokken voelde vanwege zijn uiterlijk. Verliefdheid begint bij een eerste indruk. Eiser heeft afdoende verklaard over de veranderende relatie van vriendschap naar verliefdheid. Ten onrechte zijn de foto’s en brief van [naam 4] niet integraal meegewogen.
De minister stelt ten onrechte dat eisers verklaringen over zijn deelname aan activiteiten slechts summier inzicht geven in de betekenis van deze activiteiten voor eiser. Eiser verklaart concreet over gevoelens van geluk en vrijheid. Eiser heeft verder over de verandering verklaard dat hij blij is dat hij zijn mening kan uiten, dat hij niet bang is en geen angst meer heeft. Dit is een duidelijke beschrijving van eisers psychische toestand. Eiser wijst op de uitspraken van deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg van 28 januari 2026 [10] , en Roermond van 13 februari 2026 [11] waaruit volgt dat stukken over deelname aan LHBTI-activiteiten een gestelde homoseksualiteit kunnen ondersteunen.
De geloofwaardigheid van de homoseksuele gerichtheid en vrees voor vervolging in Nigeria
Referentiekader
6.1
Uit WI 2019/17 [12] volgt dat de minister bij de vraagstelling en beoordeling rekening houdt met de persoonlijkheid en achtergrond van de vreemdeling. Elke vreemdeling heeft namelijk een eigen referentiekader op basis van onder andere opleiding, culturele achtergrond en levensfase. De minister moet in alle individuele asielzaken een integrale geloofwaardigheidsbeoordeling verrichten, waarbij rekening wordt gehouden met de persoonlijke omstandigheden, achtergrond en leeftijd van de betrokkene. Het referentiekader moet kenbaar bij de besluitvorming worden betrokken. [13] Ook als de betrokkene moeite heeft met verklaren moet hij nog wel, bezien tegen de achtergrond van zijn referentiekader, iets kunnen verklaren over zijn seksuele gerichtheid. [14]
6.2
De rechtbank stelt vast dat de minister het referentiekader van eiser kenbaar heeft vastgesteld en betrokken bij het bestreden besluit. De minister heeft geconcludeerd dat eiser in 2016 zijn eerste asielaanvraag heeft ingediend en jarenlang in Nederland verblijft. Eiser stelt openlijk uiting te geven aan de gestelde homoseksualiteit en verklaart dat hij vrijheid belangrijk vindt. Eiser stelt dat hij meerdere relaties heeft gehad. Eiser is geschoold en neemt deel aan activiteiten. Anders dan eiser aanvoert heeft de minister wel kenbaar gemotiveerd waarom hij vanwege deze omstandigheden verwacht dat eiser meer inzicht geeft in de gestelde gerichtheid dan hij heeft gegeven. In dat kader heeft de minister terecht verwezen naar de uitspraak van de Afdeling van 16 december 2024 [15] waarin is overwogen dat een langdurig verblijf van een vreemdeling in een land waar geen taboe heerst over homoseksualiteit en waar al die tijd vrijheid is geweest om deze gestelde seksualiteit te uiten, meegewogen mag worden als onderdeel van het referentiekader. De rechtbank acht van belang dat eiser bij de opvolgende aanvraag nadrukkelijk heeft verklaard dat hij ten opzichte van de voorgaande procedure een verandering heeft doorgaan en dat hij daardoor open kan zijn over zijn homoseksualiteit. Daar komt bij dat eiser verder heeft verklaard dat hij zich in Nederland vrij voelt. De enkele stelling van eiser dat hij zijn gevoelens niet goed onder woorden kan brengen vanwege de jaren in het land van herkomst waar vrij spreken over homoseksualiteit niet vanzelfsprekend is, strookt naar het oordeel van de rechtbank niet met de reden voor de opvolgende aanvraag en de verklaringen die eiser daarover heeft afgelegd en weegt hier dan ook niet tegen op. Ook de verwijzing naar de uitspraak van zittingsplaats Den Bosch van 29 juli 2021 slaagt om die reden niet. De beroepsgrond slaagt niet.
Identiteitsgroei
7.1
In de voorgaande procedure is eisers gestelde homoseksuele gerichtheid ongeloofwaardig geacht. Dit is in rechte vast komen te staan en vormt ook het uitgangspunt in de huidige procedure. Eiser heeft bij de huidige aanvraag ter onderbouwing van zijn geaardheid nader over zijn geaardheid verklaard in het gehoor opvolgende aanvraag en enkele stukken ingebracht.
7.2
De rechtbank is van oordeel dat de minister bij de beoordeling van eisers huidige aanvraag zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eiser, ten opzichte van de voorgaande procedure, zijn seksuele geaardheid niet alsnog aannemelijk heeft gemaakt. De rechtbank acht daarbij van belang dat eiser uitdrukkelijk aan de opvolgende aanvraag ten grondslag heeft gelegd dat hij, ten opzichte van de vorige procedure, persoonlijk een verandering heeft doorgemaakt. Volgens eiser heeft de relatie met [naam 4] geleid tot een ontwikkeling in zijn zelfvertrouwen met betrekking tot zijn seksuele gerichtheid waardoor hij in staat is om open, en zichzelf te zijn. [16] De rechtbank is echter van oordeel dat de minister zich niet ten onechte op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet inzichtelijk heeft gemaakt hoe hij in Nederland als persoon is veranderd. Eisers verklaringen hierover zijn summier en onpersoonlijk en geven geen inzicht in de gestelde persoonlijke groei. De rechtbank acht met name van belang dat eiser niet inzichtelijk maakt wat de relatie met [naam 4] voor hem betekent terwijl deze relatie volgens eiser juist het verschil maakt ten opzichte van de vorige procedure. Eiser verklaart enkel algemeen wat hij aantrekkelijk vindt aan [naam 4]. Eiser geeft aan dat hij vooral zijn uiterlijk bewondert en verklaart dat hij nooit aan Eshimihe heeft vertelt dat hij verliefd is. Eiser kan niet uitleggen wanneer de vriendschappelijke gevoelens voor [naam 4] zijn veranderd in verliefdheid en verklaart verder enkel over blijdschap waardoor niet duidelijk wordt hoe de relatie met [naam 4] is ontstaan en anders is dan andere relaties die eiser heeft gehad. Eiser weet immers ook niet te duiden waarom de relatie van [naam 4] beter is dan de relatie met [naam 5]. Daarover verklaart eiser enkel oppervlakkig dat het ziet op vertrouwen en moed en voor elkaar zorgen bij ziekte. Gelet op het gebrek aan diepgang en emotie heeft de minister ten aanzien van eisers verklaringen over [naam 4] kunnen motvieren dat hij hiermee de gestelde identiteitsgroei niet aannemelijk heeft gemaakt.
Dat eiser stelt gebruik te maken van datingsapps heeft de minister ook niet van doorslaggevend belang kunnen vinden nu dit gebruik geen inzicht geeft in hoe eiser zich heeft ontwikkeld in zijn seksualiteit. De minister heeft kunnen overwegen dat eisers verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen en hij daarmee niet zijn seksuele geaardheid alsnog aannemelijk heeft kunnen maken. De beroepsgrond slaagt niet.
Documenten en verklaringen van derden
8.1
De rechtbank merkt allereerst op dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de rechtbank ten aanzien van de eerste 10 documenten en document nummer 14 [17] , reeds in de tussenuitspraak van 7 juni 2022 heeft geoordeeld dat deze documenten de kans niet aanzienlijk groter maken dat eiser in aanmerking komt voor internationale bescherming. Eiser heeft dit standpunt van de minister ook niet bestreden.
8.2
Ten aanzien van de overige ingebrachte documenten overweegt de rechtbank dat in LHBTI-zaken het zwaartepunt van de geloofwaardigheidsbeoordeling ligt bij het persoonlijke en authentieke verhaal dat de vreemdeling vertelt over en vanuit zijn eigen ervaring met betrekking tot zijn gestelde seksuele gerichtheid. Dat laat evenwel onverlet dat de minister een integrale beoordeling moet verrichten en dat de vreemdeling zijn ontoereikende verklaringen kan compenseren met andere verklaringen en bewijsmateriaal. Daarbij is vooral van belang of er informatie van feitelijke aard uit deze verklaringen en overige documenten volgt. [18]
8.3
De rechtbank is van oordeel dat de minister zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat de ingebrachte verklaringen van mevrouw [naam 2] en van mevrouw [naam 1] geen doorslaggevend inzicht geven in de gestelde seksuele gerichtheid. In de verklaringen worden geen objectieve feitelijkheden vermeld maar subjectieve observaties die geen inzicht geven in eisers gevoel en beleving met betrekking tot zijn gerichtheid. Dat [naam 2] en [naam 1], zoals eiser ter zitting heeft gesteld, hem voor een langere periode dagelijks hebben gezien op het AZC, maakt niet dat hun subjectieve oordeel ten aanzien van eisers seksualiteit leidend moet zijn ten opzichte van de verklaringen die eiser heeft afgelegd bij het gehoor. Het is immers aan eiser om zijn geaardheid aannemelijk te maken aan de hand van zijn eigen verklaringen bij het gehoor. Ook in de brief van [naam 3] wordt enkel gesproken over conclusies en niet over feitelijke waarnemingen in eisers gedrag. Bovendien is de conclusie over de familieproblemen niet gebaseerd op haar eigen waarneming, maar van horen zeggen. Gelet hierop heeft de minister zich op het standpunt kunnen stellen dat deze verklaringen van derden niet in weerwil van de ontoereikende eigen verklaringen van eiser zijn seksuele geaardheid aannemelijk kunnen maken. Het voorgaande geldt ook ten aanzien van de ingebrachte de foto’s en brief van [naam 4]. Ook de brief van [naam 4] bevat enkel algemene informatie over de gestelde relatie en biedt geen inzicht in eisers persoonlijke ervaringen en gevoelens. De foto’s betreffen een momentopname en kunnen niet eisers seksuele gerichtheid aantonen. De rechtbank heeft hiervoor reeds geoordeeld waarom eisers verklaringen over [naam 4] onvoldoende zijn om zijn seksuele gerichtheid aannemelijk te maken. De foto’s en verklaring van [naam 4] zeggen niets over eisers persoonlijke beleving en kunnen de ontoereikende verklaringen van eiser over de relatie met [naam 4] niet compenseren. Gelet hierop heeft de minister de overgelegde documenten en verklaringen van derden in lijn met de werkinstructie betrokken in de beoordeling en zich afdoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat dit de geloofwaardigheid onvoldoende ondersteunt. Uit de besluitvorming blijkt dat de stukken wel degelijk integraal zijn meegewogen Dat aan de stukken niet de waarde is gehecht die eiser daaraan wenst te zien, maakt dat niet anders. De beroepsgrond slaagt daarom niet.
Activiteiten
9. Ook eisers verklaringen over zijn deelname aan LHBTI-activiteiten kunnen niet tot de conclusie leiden dat eisers gestelde gerichtheid geloofwaardig moet worden geacht. De minister heeft kunnen concluderen dat eisers verklaringen over zijn deelname aan activiteiten enkel summier inzicht geeft in de betekenis van deze deelname voor hem. Bovendien kan iedereen deelnemen aan dergelijke activiteiten. Eiser heeft bij de voorgaande procedure ook verklaard dat hij heeft deelgenomen aan activiteiten van LHBTI-organisaties en zijn verklaringen maken niet inzichtelijk hoe eiser persoonlijk is veranderd sinds de vorige aanvraag. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

10. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als kennelijk ongegrond. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat hij geen gelijk krijgt. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.M. Weeda, rechter, in aanwezigheid van
mr. C.L.M. Celie, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000
2.Zaaknummer: NL17.14272.
3.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
4.Zaaknummer: 201808185/1/V2.
5.Zaaknummer: NL20.6470.
6.Zaaknummer: NL21.11288 T.
7.Vluchtelingenwerk Nederland.
8.Zaaknummer: NL21.11288.
9.Zaaknummer: NL21.6808.
12.Werkinstructie 2019/17 “Horen en beslissen in zaken waarin lhbt-gerichtheid als asielmotief is aangevoerd”.
13.Afdeling, 26 april 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1622.
14.Afdeling, 12 augustus 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1885.
15.Afdeling, 16 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:5182.
16.Aanvullend gehoor van 1 juli 2024, p. 5.
17.Zie daarvoor de opsomming in het voornemen van 24 december 2024, p. 2-3.
18.Zie onder meer de uitspraken van de Afdeling van 4 augustus 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1754 en 19 april 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1508.