Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:14926

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
3 juni 2026
Publicatiedatum
4 juni 2026
Zaaknummer
NL25.30872 en NL25.30875
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:3 AwbArtikel 8 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verblijfsdocument EU/EER wegens ontbreken duurzame relatie

Eiseres, een Ghanees staatsburger, diende op 16 juli 2022 een aanvraag in voor een verblijfsdocument EU/EER. Na een simultaan gehoor en een afwijzend besluit van de minister, stelde eiseres bezwaar en beroep in. De rechtbank verklaarde het eerste beroep gegrond vanwege onvoldoende motivering van de minister, waarna een nieuw besluit volgde dat opnieuw werd aangevochten.

In het bestreden besluit stelde de minister dat eiseres en haar referent op essentiële punten tegenstrijdige verklaringen hadden afgelegd over hun relatie, zoals de eerste date, ontmoeting met kinderen, en gezamenlijke activiteiten. De overgelegde foto’s en getuigenverklaringen waren summier en namen de tegenstrijdigheden niet weg.

De rechtbank oordeelde dat de minister terecht heeft vastgesteld dat er geen duurzame relatie bestaat en dat de hoorplicht niet is geschonden omdat in bezwaar geen nieuwe relevante stukken zijn overgelegd. Het beroep is daarom ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen. Eiseres krijgt geen griffierecht of proceskostenvergoeding terug.

Uitkomst: Het beroep van eiseres wordt ongegrond verklaard en de aanvraag verblijfsdocument EU/EER blijft afgewezen wegens ontbreken duurzame relatie.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.30872 (beroep) en NL25.30875 (voorlopige voorziening)
V-nummer: [V-nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , eiseres/verzoekster (eiseres)

(gemachtigde: mr. M. Berg),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. T. Pourjalili).

Samenvatting

1.1.
Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres om afgifte van een verblijfsdocument EU/EER. Eiseres is het niet eens met deze afwijzing.
1.2.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder de aanvraag van eiseres terecht heeft afgewezen. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2.1.
Eiseres is geboren op [geboortedag] 1981 en heeft de Ghanese nationaliteit. Eiseres heeft op 16 juli 2022 een aanvraag ingediend om afgifte van een verblijfsdocument EU/EER.
2.2.
Op 20 maart 2023 heeft een simultaan gehoor plaatsgevonden.
2.3.
Met het primaire besluit van 14 april 2023 heeft verweerder de aanvraag van eiseres afgewezen. In dit besluit is tevens een terugkeerbesluit opgenomen.
2.4.
Met het besluit van 30 november 2023 heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard en is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen dit besluit.
2.5.
De rechtbank heeft het beroep met een uitspraak van 26 mei 2025 gegrond verklaard. [1] De rechtbank heeft geoordeeld dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat geen sprake is van een oprechte relatie tussen eiseres en haar referent, [persoon] , nu verweerder niet heeft gereageerd op de door eiseres overgelegde getuigenverklaringen en foto’s. Namens verweerder is namelijk niemand naar de zitting gekomen en verweerder heeft geen verweerschrift ingediend.
2.6.
Verweerder heeft vervolgens op 20 juni 2025 opnieuw beslist op het bezwaar van eiseres. Dat is het bestreden besluit in deze zaak. Verweerder heeft het bezwaar opnieuw ongegrond verklaard. Verweerder blijft bij het standpunt dat eiseres en referent op essentiële onderdelen vage, tegenstrijdige en onware verklaringen hebben afgelegd. De overgelegde verklaringen en foto’s in beroep nemen de tegenstrijdigheden niet weg. Zo zijn de getuigenverklaringen niet afkomstig van een objectieve bron en geven eiseres en referent geen opheldering over de tegenstrijdige verklaringen. Verweerder stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van familieleven of van privéleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM. [2] Verweerder heeft geen hoorzitting in de bezwaarfase gehouden, omdat volgens verweerder geen twijfel bestaat over de conclusie dat het bezwaar ongegrond is.
2.7.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Zij heeft ook de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
2.8.
De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 20 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, referent, de gemachtigde van eiseres, B. Hitchcock als tolk in de Engelse taal en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt de afwijzing van de aanvraag aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
Tegenstrijdige verklaringen
4.1.
Eiseres voert aan dat verweerder uit het gehoor ten onrechte heeft afgeleid dat sprake is van een schijnrelatie. Eiseres wijst erop dat maar op enkele onderdelen tegenstrijdig is verklaard en dat het daarbij slechts gaat om details. Volgens eiseres moet groter gewicht toekomen aan de eensluidende verklaringen op essentiële onderdelen en de overgelegde foto’s en verklaringen.
4.2.
Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) volgt dat, in het kader van onderzoek naar een eventuele schijnrelatie, van een vreemdeling en de gestelde partner mag worden verwacht dat zij over essentiële gebeurtenissen in hun gemeenschappelijke leven eensluidende verklaringen afleggen. [3]
4.3.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder terecht vastgesteld dat eiseres en referent op essentiële punten tegenstrijdige verklaringen hebben afgelegd en dat zij de tegenstrijdigheden niet hebben weten op te helderen. Het gaat daarbij onder andere over de feiten en omstandigheden rondom de eerste date, de eerste ontmoeting van eiseres met de kinderen van referent, de reis van referent naar Ghana en het onderhouden van contact met elkaar tijdens deze reis, de gezamenlijke activiteiten in het weekend voorafgaand aan het gehoor en hoe zij oudejaarsavond 2022 hebben doorgebracht. Voor zover eiseres heeft aangevoerd dat het hier slechts gaat om tegenstrijdige verklaringen op details, volgt de rechtbank haar niet. Zo moeten in ieder geval de eerste date en de ontmoeting van eiseres met de kinderen van referent worden gezien als essentiële gebeurtenissen in hun gemeenschappelijke leven.
4.4.
Wat betreft de overgelegde foto’s en de verklaringen van derden heeft verweerder kunnen concluderen dat deze stukken niet afdoen aan de afgelegde tegenstrijdige verklaringen en dat zij hier dus niet tegenop wegen. De verklaringen die eiseres heeft overgelegd zijn summier. Daarin staat slechts dat de opsteller van die verklaring eiseres en referent kent en dat die persoon bevestigt dat zij een serieuze relatie hebben. De verklaringen zeggen niets over de feiten waarover tegenstrijdig is verklaard. Verweerder heeft daarom kunnen concluderen dat aan de overgelegde stukken niet de waarde kan worden gehecht die eiseres wenst te zien.
4.5.
Gelet op het voorgaande mocht verweerder zich op het standpunt stellen dat er geen sprake is van een bestaande duurzame relatie tussen eiseres en referent.
Schending hoorplicht
5.1.
Eiseres voert aan dat verweerder haar ten onrechte niet heeft gehoord in de bezwaarfase.
5.2.
Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat het uitgangspunt is dat verweerder een vreemdeling hoort in bezwaar en dat verweerder terughoudend moet omgaan met uitzonderingen op de hoorplicht. [4] Verweerder mag alleen van het horen in bezwaar afzien, als op voorhand redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is dat de bezwaren niet kunnen leiden tot een andersluidend besluit. [5]
5.3.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder in het geval van eiseres mocht afzien van het houden van een hoorzitting. De kern van deze zaak gaat erom dat er tegenstrijdige verklaringen zijn gedaan over essentiële gebeurtenissen in het gemeenschappelijke leven van eiseres en referent. In bezwaar heeft eiseres deze tegenstrijdigheden niet specifiek weersproken. Zij heeft wel een aantal verklaringen en foto's overgelegd, maar zoals in overweging 4.4 reeds is overwogen zeggen die niets over de tegenstrijdigheden. Verweerder heeft zich daarom op het standpunt mogen stellen dat eiseres in bezwaar geen nieuwe stukken heeft overgelegd die een nieuw licht op het besluit laten schijnen. [6]

Conclusie en gevolgen

6.1.
De beroepsgronden slagen niet. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt en dat het bestreden besluit in stand blijft.
6.2.
Omdat de rechtbank nu op het beroep beslist, bestaat er geen aanleiding meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.
6.3.
Eiseres krijgt het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank, in de zaak geregistreerd onder NL25.30872:
- verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter, in de zaak geregistreerd onder NL25.30875:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K.S. Man, rechter, in aanwezigheid van
mr.I.G.A. Karregat, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.NL23.39534 en NL23.39535.
2.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
3.Zie de uitspraak van de Afdeling van 3 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1874 en de uitspraak van de Afdeling van 6 september 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2434.
4.Zie de uitspraak van de Afdeling van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918, onder 5 tot en met 5.3
5.Dit volgt uit artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht.
6.Vergelijk ook de uitspraak van de Afdeling van 31 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1375, onder 7.