ECLI:NL:RBDHA:2026:1455

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
29 januari 2026
Publicatiedatum
29 januari 2026
Zaaknummer
NL24.30755
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Intrekking verblijfsvergunning van een Somalische eiser wegens openbare orde en de evenredigheid van de maatregel

Op 29 januari 2026 heeft de Rechtbank Den Haag uitspraak gedaan in de zaak van een Somalische eiser wiens verblijfsvergunning met terugwerkende kracht tot 31 januari 2017 is ingetrokken door de minister van Asiel en Migratie. De rechtbank heeft geoordeeld dat de intrekking van de verblijfsvergunning in stand kan blijven, omdat de minister terecht heeft vastgesteld dat de eiser een gevaar voor de openbare orde vormt. De rechtbank heeft de beroepsgronden van de eiser beoordeeld, waaronder de vraag of de minister het juiste toetsingskader heeft gehanteerd en of de intrekking van de verblijfsvergunning evenredig is. De rechtbank concludeert dat de minister de intrekking van de verblijfsvergunning met terugwerkende kracht mocht doorvoeren en dat de intrekking evenredig is, ondanks de bezwaren van de eiser over de situatie in Somalië en de gevolgen van de intrekking voor zijn persoonlijke situatie. De rechtbank heeft vastgesteld dat de minister voldoende heeft gemotiveerd waarom de intrekking noodzakelijk is ter bescherming van de Nederlandse samenleving. De rechtbank heeft het beroep van de eiser ongegrond verklaard, wat betekent dat de intrekking van de verblijfsvergunning in stand blijft.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.30755

uitspraak van de meervoudige kamer van 29 januari 2026 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. M. Stoetzer-van Esch),
en
de minister van Asiel en Migratie [1]
(gemachtigden: mr. A. Al-Edani en mr. N.N. Bontje).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de intrekking van de verblijfsvergunning van eiser. Eiser is het daar niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de intrekking van de verblijfsvergunning.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de intrekking van de verblijfsvergunning in stand kan blijven. De minister mocht de verblijfsvergunning van eiser met terugwerkende kracht tot 31 januari 2017 intrekken. Verder is de intrekking van de verblijfsvergunning evenredig en is het niet aannemelijk dat eiser bij terugkeer naar Somalië een reëel risico op ernstige schade loopt. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 staat wat er aan het bestreden besluit vooraf is gegaan en onder 4 waarom de minister de verblijfsvergunning van eiser heeft ingetrokken. De beoordeling van de beroepsgronden volgt vanaf overweging 5. Aan het einde van de uitspraak staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.

Procesverloop

2. Op 1 november 2023 heeft de minister aan eiser het voornemen uitgebracht om zijn verblijfsvergunning met terugwerkende kracht tot 31 januari 2017 in te trekken en hem een zwaar inreisverbod voor de duur van tien jaar op te leggen. In dat voornemen heeft de minister eiser in de gelegenheid gesteld om met een zienswijze te reageren. Eiser heeft dat op 5 januari 2024 gedaan. Met het bestreden besluit van 9 juli 2024 heeft de minister de verblijfsvergunning met terugwerkende kracht tot 31 januari 2017 ingetrokken en eiser een zwaar inreisverbod voor de duur van tien jaar opgelegd.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 11 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigden van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Eerdere procedures
3. Eiser heeft de Somalische nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1997. Met het besluit van 9 april 2010 is hij in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in het kader van nareis. [2] Deze verblijfsvergunning was geldig van 31 maart 2010 tot 31 maart 2015. Pas na het verstrijken van de geldigheidsduur van deze verblijfsvergunning heeft eiser om verlenging gevraagd. Daarom heeft de minister eiser met het besluit van 20 augustus 2015 opnieuw in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Deze verblijfsvergunning was geldig van 18 mei 2015 tot 18 mei 2020. Dat betekent dat eiser in de tussenliggende periode van 31 maart 2015 tot 18 mei 2015 geen rechtmatig verblijf in Nederland had (een zogenoemd verblijfsgat).
3.1.
Met het besluit van 12 april 2018 heeft de minister de verblijfsvergunning van eiser ingetrokken, omdat eiser volgens de minister een gevaar zou vormen voor de openbare orde. Eiser heeft tegen dat besluit beroep ingesteld. De minister heeft dit besluit vervolgens ingetrokken, waarna eiser zijn beroep heeft ingetrokken.
3.2.
Met het besluit van 4 april 2019 heeft de minister de verblijfsvergunning van eiser opnieuw ingetrokken om de reden dat eiser een gevaar voor de openbare orde zou vormen. Ook tegen dit besluit heeft eiser beroep ingesteld. Deze zittingsplaats van de rechtbank heeft dat beroep met haar uitspraak van 6 mei 2021 gegrond verklaard en het besluit van 4 april 2019 vernietigd. [3] De minister heeft hierna aan eiser laten weten dat hij afziet van intrekking van de verblijfsvergunning. De minister heeft de verblijfsvergunning van eiser vervolgens met het besluit van 27 juli 2021 verlengd tot 18 mei 2025.
Het bestreden besluit
4. De minister heeft aan de huidige intrekking wederom ten grondslag gelegd dat eiser een gevaar vormt voor de openbare orde. Dat blijkt volgens de minister uit het feit dat eiser voldoet aan de norm van de zogenoemde ‘glijdende schaal’ van artikel 3.86, vijfde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000). Verder vindt de minister de intrekking van de verblijfsvergunning evenredig en stelt de minister zich op het standpunt dat eiser kan terugkeren naar Somalië, omdat er geen aanwijzingen zijn dat hij daar zal worden vervolgd of een reëel risico op ernstige schade loopt. Tot slot vindt de minister de intrekking van de verblijfsvergunning niet in strijd met artikel 8 van het EVRM. Eiser heeft geen familie- en gezinsleven met zijn moeder, (stief)vader, (half)broers en (half)zussen. Eiser heeft wel privéleven in Nederland, maar volgens de minister weegt het belang van eiser bij voortzetting van dit privéleven in Nederland minder zwaar dan het belang van de minister bij beëindiging van zijn verblijf, zodat de belangenafweging in het kader van het privéleven in het nadeel van eiser uitvalt.
Heeft de minister het juiste toetsingskader gehanteerd?
5. Eiser heeft in zijn beroepsgronden aangevoerd dat de minister een onjuist toetsingskader heeft gehanteerd, omdat hij niet heeft getoetst aan het openbare-ordebegrip uit de Gezinsherenigingsrichtlijn en geen individuele beoordeling in de zin van artikel 17 van de Gezinsherenigingsrichtlijn heeft gemaakt. Eiser heeft op de zitting echter erkend dat de minister wél het juiste toetsingskader heeft gehanteerd, zodat hij deze beroepsgrond heeft laten vallen. Daarom zal de rechtbank daar geen oordeel meer over geven. De rechtbank zal hierna nog wel – voor zover eiser daar beroepsgronden over heeft aangevoerd – ingaan op de inhoud van de toets die de minister heeft uitgevoerd.
Mocht de minister de verblijfsvergunning van eiser intrekken met terugwerkende kracht tot 31 januari 2017?
6. Eiser betoogt dat de minister zijn verblijfsvergunning niet met terugwerkende kracht tot 31 januari 2017 mocht intrekken. De minister heeft aan eiser tegengeworpen dat hij een verblijfsgat heeft, maar dat kan eiser niet worden verweten omdat hij ten tijde van het aflopen van zijn eerdere verblijfsvergunning minderjarig was. Zonder verblijfsgat voldoet eiser pas bij zijn tiende veroordeling aan de norm van de glijdende schaal uit artikel 3.86 van het Vb 2000. De minister had de verblijfsvergunning van eiser daarom slechts met terugwerkende kracht had mogen intrekken tot ten hoogste 21 november 2020, de pleegdatum van deze veroordeling.
6.1.
De rechtbank stelt bij de beoordeling van deze beroepsgrond voorop dat het tussen partijen niet in geschil is dat de glijdende schaal uit artikel 3.86, vijfde lid, van het Vb 2000 op eiser van toepassing is, omdat hij meer dan drie misdrijven heeft gepleegd. Bij het toepassen van deze glijdende schaal kijkt de minister naar de (opgetelde) duur van de taak- en gevangenisstraf(fen) die een vreemdeling opgelegd heeft gekregen voor het plegen van misdrijven. Als deze voldoet aan de norm die in de glijdende schaal wordt genoemd, dan kan de minister de verblijfsvergunning van een vreemdeling intrekken op de grond dat deze vreemdeling een gevaar voor de openbare orde vormt. De hoogte van deze norm hangt af van de verblijfsduur van de vreemdeling.
6.2.
Het betoog van eiser slaagt niet. De minister wijst er terecht op dat bij de berekening van de verblijfsduur van eiser moet worden uitgegaan van het moment dat zijn verblijfsgat is geëindigd. In het Vb 2000 is immers bepaald dat bij de toepassing van de glijdende schaal onder ‘verblijfsduur’ wordt verstaan de periode van (ononderbroken) rechtmatig verblijf direct voorafgaande aan het plegen van het misdrijf dat aanleiding gaf voor de intrekking. [4] Het Vb 2000 schrijft dus dwingend voor met welke verblijfsduur de minister rekening moet houden. De minister gaat daarom terecht uit van ononderbroken verblijf vanaf 18 mei 2015. Dat betekent dat eiser bij zijn derde misdrijf (op 31 januari 2017) een verblijfsduur van minder dan drie jaar had. De norm van de glijdende schaal bedraagt in dat geval één dag. Eiser is tot en met dit misdrijf veroordeeld tot taak- en gevangenisstraffen voor de duur van (opgeteld) twee maanden en twee dagen, waardoor hij aan de norm van de glijdende schaal voldoet. De minister mocht de verblijfsvergunning van eiser daarom met terugwerkende kracht tot 31 januari 2017 intrekken.
Is de intrekking van de verblijfsvergunning evenredig?
7. Eiser betoogt dat de intrekking van zijn verblijfsvergunning niet evenredig is. Eiser wijst er in de eerste plaats op dat een gedwongen uitzetting naar Somalië niet mogelijk is [5] en dat een vrijwillige terugkeer alleen mogelijk is als hij in Somalië een referent heeft. Eiser heeft dat niet, waardoor hij niet kan worden uitgezet en hij zonder verblijfsrecht in Nederland zal blijven. Op die manier wordt het doel dat de minister voor ogen heeft met de intrekking – de verwijdering van eiser uit Nederland – niet bereikt en wordt het risico alleen maar groter dat eiser strafbare feiten gaat plegen. De intrekking van de verblijfsvergunning is in dit geval dus niet geschikt om het beoogde doel te bereiken. Het is ook niet noodzakelijk om de verblijfsvergunning in te trekken, omdat andere maatregelen meer effect zullen hebben. Daar komt nog bij dat strafrechtelijke antecedenten niet in de weg staan aan de verlening van een buitenschuldvergunning. [6] Verder stelt eiser dat de minister onvoldoende heeft uitgelegd waarom de nadelige gevolgen van de intrekking voor eiser geen zwaarder gewicht hebben dan het belang van de Nederlandse overheid, omdat de minister de wederzijdse belangen niet naast elkaar heeft gezet en heeft onderzocht of met een andere maatregel dan de intrekking hetzelfde effect kan worden bereikt. [7]
7.1.
Dit betoog slaagt niet. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat de intrekking van de verblijfsvergunning evenredig is. De minister heeft in het bestreden besluit vermeld dat hij met de intrekking het doel heeft om de Nederlandse samenleving te beschermen tegen het gevaar dat eiser voor de openbare orde vormt. [8] De intrekking van de verblijfsvergunning is naar het oordeel van de rechtbank geschikt om dat doel te bereiken. De minister wijst er terecht op dat de intrekking van de verblijfsvergunning en het opleggen van een terugkeerbesluit tot gevolg heeft dat eiser uit Nederland moet vertrekken. Dat een gedwongen terugkeer naar Somalië niet mogelijk is, is daarbij niet van belang. Het uitgangspunt is immers dat eiser vrijwillig naar Somalië terugkeert. Dat dit zonder referent niet mogelijk is, heeft eiser niet onderbouwd. Bovendien heeft de minister er terecht op gewezen dat de DT&V eiser op verschillende manieren kan ondersteunen bij een vrijwillige terugkeer naar Somalië. De minister stelt bovendien terecht dat intrekking van de verblijfsvergunning noodzakelijk is omdat minder vergaande maatregelen niet volstaan ter bescherming van de maatschappij en ook eerder geen effect hebben gehad. Dat strafrechtelijke antecedenten niet in de weg staan aan verlening van een buitenschuldvergunning, zoals eiser heeft aangevoerd, geeft geen reden voor een ander oordeel. Afgezien nog van het feit dat deze procedure niet gaat over de verlening van een buitenschuldvergunning, komt een dergelijke verblijfsvergunning pas in beeld als terugkeerbemiddeling door de DT&V niet heeft geleid tot het vertrek van eiser. [9] Tot slot stelt de rechtbank vast dat de minister in het bestreden besluit een belangenafweging heeft gemaakt en heeft gemotiveerd waarom niet kan worden volstaan met een minder verstrekkende maatregel dan de intrekking van de verblijfsvergunning. [10] De rechtbank volgt eiser daarom niet in zijn stelling dat een dergelijke beoordeling door de minister ontbreekt.
Kan eiser gelet op de actuele situatie terugkeren naar Somalië?
8. Eiser betoogt dat hij, gelet op de actuele situatie, niet kan terugkeren naar Somalië en daar een reëel risico op ernstige schade loopt. Uit algemene landeninformatie volgt dat de mate waarin terugkeerders risico lopen, sterk samenhangt met hun individuele omstandigheden en hun sociale netwerk. [11] Eiser wijst erop dat hij jong was toen hij uit Somalië vertrok, dat hij de taal niet spreekt, de Somalische gebruiken nauwelijks kent en dat hij daar geen sociaal netwerk heeft. Eiser weet niet eens uit welk gebied hij afkomstig is en tot welke clan hij behoort, zodat het niet aannemelijk is dat hij door de plaatselijke meerderheidsclan zal worden aanvaard. De positie van eiser is juist daarom uiterst kwetsbaar. [12] Voor personen uit het Westen komt daar nog bij dat zij als vermogend worden gezien (en daarom extra gevaar lopen) en moeite hebben om zich de Somalische gebruiken eigen te maken, zodat zij te maken krijgen met discriminatie en uitsluiting. Verder krijgen terugkeerders te maken met een problematische economische integratie, omdat terugkeerders moeilijk aan betaald werk kunnen komen en er onvoldoende structurele steun is voor terugkeerders zonder netwerk, waardoor zij in ontheemdenkampen terechtkomen met een “beperkte toegang tot basisdiensten”. [13] Tot slot zal hij als jonge man uit het Westen, die de islam slechts matig praktiseert, in de negatieve belangstelling van Al-Shabaab komen te staan. Al-Shabaab zal hem als Westerse spion zien en zal hem onder druk zetten om zich bij hen aan te sluiten, zodat hij het tegendeel kan bewijzen.
8.1.
Dit betoog slaagt niet. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat eiser bij terugkeer naar Somalië geen reëel risico op ernstige schade loopt. Afgezien nog van de vraag of het aannemelijk is dat eiser in Somalië daadwerkelijk geen sociaal netwerk heeft, volgt uit de door hem aangehaalde landeninformatie dat terugkeerders uit het Westen zonder sociaal netwerk voornamelijk te maken krijgen met sociaaleconomische problemen. Deze problemen bestaan eruit dat deze groep terugkeerders moeite heeft om (opnieuw) in de Somalische samenleving te integreren, met moeite aan werk kan komen en vatbaarder is voor problemen als discriminatie en uitsluiting. De rechtbank begrijpt dat deze problemen een terugkeer naar Somalië voor eiser bemoeilijken, maar zij betekenen nog niet dat eiser bij terugkeer naar Somalië ook wordt blootgesteld aan een onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 3 van het EVRM. De minister heeft er daarnaast terecht op gewezen dat eiser een volwassen en gezonde jongeman is én tot zijn twaalfde in Somalië heeft gewoond, zodat het niet onredelijk is om van hem te verwachten dat hij zich (weer) aanpast aan de cultuur en de gebruiken in Somalië. Verder is onvoldoende gebleken dat eiser vanwege zijn verwestering bij terugkeer als spion in de negatieve belangstelling van Al-Shabaab zal komen te staan. Eiser heeft die vrees niet geïndividualiseerd, [14] en bovendien blijkt uit het algemeen ambtsbericht over Somalië van april 2025 slechts dat Somaliërs die moeten terugkeren naar gebied in handen van Al-Shabaab dit risico lopen. [15] Eiser heeft verklaard dat hij afkomstig is uit Mogadishu. Die stad is niet in handen van Al-Shabaab, [16] zodat de rechtbank niet inziet waarom eiser dit risico zou lopen.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en de intrekking van zijn verblijfsvergunning in stand blijft. De minister hoeft de proceskosten van eiser niet te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W. Loof, voorzitter, en mr. G.A. van der Straaten en mr. B. Koopman, leden, in aanwezigheid van mr. S.J.B. ter Beke, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Zowel de minister als de staatssecretaris worden voor de leesbaarheid in deze uitspraak aangeduid als de minister.
2.De grondslag van deze verblijfsvergunning was artikel 29, eerste lid, aanhef en onder e (oud), van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000).
3.Rb. Den Haag (zp Arnhem) 6 mei 2021, ECLI:NL:RBDHA:2021:5048.
4.Dat staat in artikel 3.86, zesde lid, van het Vb 2000. Zie ook ABRvS 29 september 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2630.
5.Eiser wijst ter onderbouwing op de landeninformatiepagina over Somalië op de website van de Dienst Terugkeer en Vertrek (DT&V) en de beslisnota bij de Kamerbrief over landenbeleid Somalië van de minister van 9 september 2025, p. 5.
6.Eiser wijst in dit verband ter onderbouwing op Rb. Den Haag (zp Utrecht) 11 juli 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:11134.
7.Eiser wijst op Rb. Den Haag (zp Zwolle) 8 december 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:19370.
8.Zie het bestreden besluit, p. 4.
9.Vergelijk paragraaf B8/4.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000).
10.Zie het bestreden besluit, p. 4-5.
11.Eiser wijst op het Algemeen ambtsbericht over Somalië van april 2025 en het thematisch dossier van het Oostenrijkse ACCORD van juni 2025.
12.Eiser wijst ter onderbouwing op Rb. Den Haag (zp Arnhem) 12 oktober 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:16578.
13.Eiser wijst op het Algemeen ambtsbericht over Somalië van juni 2023 en op het rapport van de EUAA van september 2021.
14.Zie paragraaf C2/2.3 van de Vc 2000.
15.Zie het Algemeen ambtsbericht over Somalië van april 2025, p. 117-118.
16.Zie het Algemeen ambtsbericht over Somalië van april 2025, p. 22.