ECLI:NL:RBDHA:2026:1324

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
27 januari 2026
Publicatiedatum
27 januari 2026
Zaaknummer
NL23.12804
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Tussenuitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Prejudiciële vraag over de toegankelijkheid van noodzakelijke medische zorg voor ernstig zieke vreemdelingen in het kader van terugkeerbesluiten

In deze tussenuitspraak van de Rechtbank Den Haag wordt een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie van de Europese Unie voorgelegd. De zaak betreft Oumar Diallo, een Guinese asielzoeker die stelt dat hij vanwege zijn homoseksuele geaardheid in Guinee problemen heeft ondervonden. De rechtbank overweegt dat aan Diallo geen internationale beschermingsstatus hoeft te worden verleend en dat het belang van het kind niet in de weg staat aan het vaststellen van een terugkeerbesluit. Diallo is ernstig ziek en ontvangt momenteel medische behandeling in Nederland. Het Bureau Medische Advisering (BMA) heeft geadviseerd dat indien de behandeling niet wordt voortgezet, er binnen drie tot zes maanden een medische noodsituatie zal ontstaan. De rechtbank vraagt zich af of de bewijslast voor de feitelijke toegankelijkheid van noodzakelijke medische zorg in Guinee bij de derdelander ligt, zoals in de nationale rechtspraktijk gebruikelijk is, of dat het Unierecht meer bescherming biedt. De rechtbank schorst de behandeling van het beroep totdat het Hof de prejudiciële vraag heeft beantwoord.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.12804 verwijzing

verwijzingsuitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] ,

geboren op [geboortedatum] , Guinese nationaliteit,
verzoeker in het hoofdgeding,
(gemachtigde: mr. R.M. Tjong Kim Sang)
en

de minister van Asiel en Migratie,

verweerder in het hoofdgeding,
(gemachtigde: mr. J. Raaijmakers).
Verzoek aan het Hof van Justitie van de Europese Unie tot het beantwoorden van de navolgende prejudiciële vraag:
Dient artikel 5 van richtlijn 2008/115, gelezen in samenhang met artikelen 1, 4 en 19, tweede lid, van het Handvest van de Grondrechten, aldus te worden uitgelegd dat artikel 5 van richtlijn 2008/115 de verplichting voor de autoriteiten omvat om, alvorens een terugkeerbesluit jegens een ernstig zieke vreemdeling vast te stellen, na te gaan of de medische behandeling die noodzakelijk is om een situatie als bedoeld in artikel 4 van het Handvest van de Grondrechten te voorkomen, feitelijk toegankelijk zal zijn voor deze ernstige zieke vreemdeling in het derde land waar de terugkeerverplichting op ziet?
De rechtbank geeft het Hof in overweging om de prejudiciële vraag van de rechtbank als volgt te beantwoorden:
Artikel 5 van richtlijn 2008/115, gelezen in samenhang met artikelen 1, 4 en 19, tweede lid, van het Handvest van de Grondrechten, dient aldus te worden uitgelegd dat artikel 5 van richtlijn 2008/115 de verplichting voor de autoriteiten omvat om, alvorens een terugkeerbesluit jegens een ernstig zieke vreemdeling vast te stellen, na te gaan of de medische behandeling die noodzakelijk is om een situatie als bedoeld in artikel 4 van het Handvest van de Grondrechten te voorkomen, feitelijk toegankelijk zal zijn voor deze ernstige zieke vreemdeling in het derde land waar de terugkeerverplichting op ziet.
Procesverloop
Verzoeker in het hoofdgeding (hierna: verzoeker) heeft op 19 januari 2019 een verzoek om internationale bescherming ingediend. Bij besluit van 16 juli 2021 heeft verweerder het verzoek afgewezen als kennelijk ongegrond. Het beroep tegen de afwijzing van dit verzoek is door de rechtbank, zittingsplaats Arnhem, op 16 november 2021 gegrond verklaard en het besluit van 16 juli 2021 is vernietigd [1] . Tegen deze uitspraak is geen rechtsmiddel ingesteld.
Verweerder in het hoofdgeding (hierna: verweerder) heeft het verzoek om internationale bescherming bij besluit van 31 maart 2023 afgewezen als ongegrond [2] . In dit besluit heeft verweerder tevens bepaald dat aan verzoeker geen verblijfsvergunning op andere gronden wordt verleend en dat verzoeker geen uitstel van vertrek op medische gronden [3] krijgt. Het besluit van 31 maart 2023 omvat een terugkeerbesluit waarin een termijn van vier weken voor vrijwillig vertrek is bepaald. De terugkeerverplichting ziet op Guinee.
Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 31 maart 2023. Doordat verzoeker een rechtsmiddel heeft ingesteld, zijn de rechtsgevolgen van het besluit geschorst en is het verzoeker toegestaan om de behandeling van het beroep in Nederland af te wachten. In het hoofgeding beoordeelt de rechtbank het beroep van verzoeker tegen het besluit van 31 maart 2023.
De rechtbank heeft het beroep op 31 oktober 2025 op zitting behandeld. Verzoeker en zijn gemachtigde en de gemachtigde van verweerder zijn verschenen. Ter zitting is met partijen afgesproken dat, gelet op de door verzoeker overgelegde medische stukken, verweerder een advies van Bureau Medische Advisering [4] (hierna: BMA) zal aanvragen om te kunnen beoordelen of verzoeker in staat is om naar zijn land van herkomst te reizen en om te beoordelen of er om medische redenen een reëel risico bestaat op schending van artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) indien verzoeker moet terugkeren naar zijn land van herkomst. De rechtbank heeft verzoeker tevens in de gelegenheid gesteld om actuele gegevens over zijn gezondheid te overleggen en verzoeker heeft ter zitting, op vragen van de rechtbank, medegedeeld dat hij BMA toestemming verleent om contact op te nemen met zijn behandelaars en BMA inzage in zijn medische gegevens verleent [5] .
Verweerder heeft op 28 november 2025 het BMA-advies van 27 november 2025 overgelegd en zich op het standpunt gesteld dat verzoeker kan reizen en dat er geen risico op schending van artikel 3 van het EVRM bestaat indien verzoeker moet terugkeren naar zijn land van herkomst.
Verzoeker heeft zich bij bericht van 19 december 2025 op het standpunt gesteld dat in het land van herkomst onvoldoende medische behandeling en begeleiding voor hem aanwezig en toegankelijk zal zijn. Omdat er daardoor een medische noodsituatie zal ontstaan, is zijn terugkeer volgens verzoeker in strijd met artikel 3 van het EVRM.
De rechtbank heeft verweerder bij bericht van 5 januari 2026 in de gelegenheid gesteld om te reageren op de door verzoeker gegeven reactie op het BMA-advies. De rechtbank heeft beide partijen tevens in de gelegenheid gesteld om uiterlijk op 16 januari 2026 een standpunt in te nemen over de vraag of het uitgangspunt dat verzoeker de bewijslast draagt voor de stelling dat de noodzakelijke en in beginsel in het land van herkomst beschikbare medische behandeling voor hem feitelijk niet toegankelijk zal zijn, verenigbaar is met artikel 5 van richtlijn 2008/115.
Op verzoek van verweerder heeft de rechtbank op 12 januari 2026 de termijn voor partijen om een schriftelijk standpunt in te nemen verlengd tot en met 23 januari 2026.
Beide partijen hebben van de gelegenheid gebruik gemaakt om een standpunt in te nemen over de door de rechtbank opgeworpen rechtsvraag.
Bij bericht van 27 januari 2026 heeft de rechtbank partijen medegedeeld dat de rechtbank het noodzakelijk acht om een prejudiciële vraag voor te leggen aan het Hof van Justitie (hierna: het Hof).

Overwegingen

Inzet van het hoofdgeding en standpunten van partijen
1. Verzoeker, die afkomstig is uit Guinee en de Guinese nationaliteit heeft, heeft aan zijn verzoek om internationale bescherming ten grondslag gelegd dat hij een homoseksuele geaardheid heeft en dat hij vanwege zijn homoseksuele geaardheid problemen in Guinee heeft ondervonden.
2. Verweerder heeft de door verzoeker gestelde identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig geacht. De door verzoeker gestelde homoseksuele geaardheid en de problemen die verzoeker hierdoor zou hebben ondervonden, heeft verweerder niet geloofwaardig geacht.
3. Verzoeker komt in het hoofdgeding op tegen het besluit waarin zijn verzoek om internationale bescherming is afgewezen en een terugkeerbesluit is vastgesteld. Verzoeker heeft in zijn beroepsgronden onder meer aangevoerd dat hij het niet eens is met de geloofwaardigheidsbeoordeling van zijn verklaringen over zijn seksuele geaardheid en de problemen die hij heeft ondervonden. Verzoeker heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat hij medische en psychische klachten heeft en deze medische omstandigheden noodzaken dat hij in Nederland kan verblijven. Verzoeker stelt zich tot slot op het standpunt dat hij ten tijde van het indienen van zijn verzoek om internationale bescherming een niet-begeleide minderjarige vreemdeling was en omdat er geen adequate opvang in zijn land van herkomst was, er daardoor geen terugkeerbesluit kan worden vastgesteld.
4. De rechtbank overweegt, voorlopig oordelend, dat verweerder de gestelde homoseksuele geaardheid van verzoeker en de gestelde hiervan ondervonden problemen ongeloofwaardig heeft mogen vinden en terecht heeft geconcludeerd dat aan verzoeker op dit moment geen vluchtelingrechtelijke of subsidiaire beschermingsstatus hoeft te worden verleend [6] . De rechtbank komt ook, voorlopig oordelend, tot de conclusie, met inachtneming van de uitlegging door het Hof in het arrest TQ van 14 januari 2021 [7] van artikel 6, eerste lid, van richtlijn 2008/115, gelezen in samenhang met artikel 5, onder a) van richtlijn 2008/115 en artikel 24, tweede lid, van het Handvest, dat adequate opvang in het land van herkomst niet heeft ontbroken en het belang van het kind niet in de weg staat aan het vaststellen van het terugkeerbesluit. De rechtbank zal dit oordeel in haar einduitspraak nader motiveren.
5. Verzoeker heeft, nadat verweerder zijn besluit op het verzoek om internationale bescherming heeft genomen, stukken overgelegd waaruit blijkt dat verzoeker kampt met ernstige medische en psychische problematiek. Verzoeker is gediagnosticeerd met een ongespecificeerde schizofreniespectrum,- of andere psychotische stoornis en er is mogelijk sprake van een posttraumatische stressstoornis.
6. De rechtbank heeft ter zitting uit eigen beweging, gelet op haar verplichtingen ingevolge artikel 5 van richtlijn 2008/115, zoals verduidelijkt door het Hof in het arrest van 17 oktober 2024 in de zaak Ararat [8] , met partijen besproken het noodzakelijk te achten dat nader wordt onderzocht of de gezondheid van verzoeker in de weg staat aan de vaststelling van het terugkeerbesluit.
7. Het Hof heeft in het arrest X van 22 november 2022 [9] onder meer verduidelijkt dat artikel 5 en artikel 9, lid 1, onder a), van richtlijn 2008/115 vereisen dat de lidstaten, alvorens een terugkeerbesluit uit te vaardigen jegens een derdelander die aan een ernstige ziekte lijdt of hem te verwijderen, in staat zijn elke gegronde twijfel weg te nemen over het risico dat de terugkeer van die derdelander zal leiden tot een snelle, aanzienlijke en onomkeerbare verergering van die ziekte of van de daardoor veroorzaakte pijn. In de nationale rechtspraktijk vraagt verweerder aan BMA een advies om zodoende te onderzoeken wat de gevolgen voor de gezondheidssituatie van een ernstig zieke derdelander zullen zijn indien hij dient terug te keren naar het derde land waar de terugkeerverplichting op ziet. Het advies van BMA ziet op de concrete vraag of indien de behandeling die de derdelander in Nederland ondergaat wordt gestaakt, binnen een indicatieve termijn van drie tot zes maanden een medische noodsituatie zal ontstaan. Indien dit het geval is, zal BMA onderzoeken of de derdelander in staat is om te reizen en of de behandeling die de derdelander in Nederland ondergaat beschikbaar is in het derde land waar de terugkeerverplichting op ziet. Indien de vreemdeling, eventueel met reisvoorwaarden, kan reizen en deze of een verglijkbare behandeling beschikbaar is, zal verweerder concluderen dat er geen reëel risico op schending van artikel 3 EVRM om medische redenen bestaat indien de vreemdeling terugkeert naar het derde land waar de terugkeerverplichting op ziet en de gezondheidssituatie van de vreemdeling daarom niet in de weg staat aan de vaststelling van een terugkeerbesluit. Met ‘een medische noodsituatie’ wordt dus een situatie als bedoeld in artikel 3 van het EVRM bedoeld.
8. De rechtbank overweegt dat, indien een medische behandeling die noodzakelijk is om een medische noodsituatie te voorkomen beschikbaar, maar na terugkeer niet daadwerkelijk feitelijk toegankelijk zal zijn voor de ernstig zieke vreemdeling, de medische noodsituatie zich zal voordoen. Verzoeker stelt zich op het standpunt dat dit het geval is. In het hoofdgeding rijst in dit verband de vraag of verweerder, die gedurende de tenuitvoerlegging van richtlijn 2008/115 onder meer verplicht is om rekening te houden met de gezondheidssituatie van verzoeker en het beginsel van non-refoulement moet eerbiedigen, zich ook moet vergewissen van de feitelijke toegankelijkheid van de noodzakelijke medische behandeling en niet kan volstaan met het nagaan of deze of een vergelijkbare medische behandeling in het land waar de terugkeerverplichting op ziet in het algemeen beschikbaar is.
9. Op grond van de nationale rechtspraak en het beleid moet de ernstig zieke derdelander aantonen dat de medische behandeling die noodzakelijk is om een medische noodsituatie te voorkomen na terugkeer voor hem niet feitelijk toegankelijk zal zijn. De rechtbank vraagt zich af of deze bewijslastverdeling verenigbaar is met het Unierecht. Meer in het bijzonder vraagt de rechtbank zich af of verweerder, gelet op het absolute karakter van het refoulementverbod en de verplichtingen die verweerder op grond van artikel 5 van richtlijn 2008/115 en artikelen 1, 4 en 19, tweede lid, van het Handvest heeft, zich ook moet vergewissen van de feitelijke toegankelijkheid van de noodzakelijke medische zorg om na te gaan of het refoulementbeginsel zich niet verzet tegen de vaststelling van het terugkeerbesluit en de verwijdering van een ernstig zieke vreemdeling.
10. De rechtbank acht het noodzakelijk om gelet op deze opgekomen rechtsvraag een nadere verduidelijking van het Unierecht van het Hof te verkrijgen om het hoofdgeding volledig te kunnen beslechten en stelt daarom de navolgende prejudiciële vraag aan het Hof:
(…)
“Dient artikel 5 van richtlijn 2008/115, gelezen in samenhang met artikelen 1, 4 en 19, tweede lid, van het Handvest van de Grondrechten, aldus te worden uitgelegd dat artikel 5 van richtlijn 2008/115 de verplichting voor de autoriteiten omvat om, alvorens een terugkeerbesluit jegens een ernstig zieke vreemdeling vast te stellen, na te gaan of de medische behandeling die noodzakelijk is om een situatie als bedoeld in artikel 4 van het Handvest van de Grondrechten te voorkomen, feitelijk toegankelijk zal zijn voor deze ernstige zieke vreemdeling in het derde land waar de terugkeerverplichting op ziet?”
Toepasselijke bepalingen en beleid
Unierecht
Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie
Artikel 1 - De menselijke waardigheid
De menselijke waardigheid is onschendbaar. Zij moet worden geëerbiedigd en beschermd.
Artikel 4 - Het verbod van folteringen en van onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen
Niemand mag worden onderworpen aan folteringen of aan onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen.
Artikel 19 - Bescherming bij verwijdering, uitzetting en uitlevering
(…)
2. Niemand mag worden verwijderd of uitgezet naar, dan wel worden uitgeleverd aan een staat waar een ernstig risico bestaat dat hij aan de doodstraf, aan folteringen of aan andere onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen wordt onderworpen.
Artikel 52 - Reikwijdte en uitlegging van de gewaarborgde rechten en beginselen
(…)
3. Voor zover dit Handvest rechten bevat die corresponderen met rechten welke zijn gegarandeerd door het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, zijn de inhoud en reikwijdte ervan dezelfde als die welke er door genoemd verdrag aan worden toegekend. Deze bepaling verhindert niet dat het recht van de Unie een ruimere bescherming biedt.
Richtlijn 2008/115
Overwegingen
(2) De Europese Raad van Brussel van 4 en 5 november 2004 heeft erop aangedrongen, op basis van gemeenschappelijke normen een doeltreffend verwijderings- en terugkeerbeleid te ontwikkelen, zodat mensen op een humane manier, met volledige eerbiediging van hun grondrechten en waardigheid, teruggezonden kunnen worden.
(24) In deze richtlijn worden de grondrechten en de beginselen in acht genomen die met name in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie worden erkend.
Artikel 3 – Definities
(…)
4. „ terugkeerbesluit”: de administratieve of rechterlijke beslissing of handeling waarbij wordt vastgesteld dat het verblijf van een onderdaan van een derde land illegaal is of dit illegaal wordt verklaard en een terugkeerverplichting wordt opgelegd of vastgesteld;
Artikel 5 - Non-refoulement, belang van het kind, familie- en gezinsleven en gezondheidstoestand
Bij de tenuitvoerlegging van deze richtlijn houden de lidstaten rekening met:
a)het belang van het kind;
b)het familie- en gezinsleven;
c)de gezondheidstoestand van de betrokken onderdaan van een derde land,
en eerbiedigen zij het beginsel van non-refoulement.
Artikel 6 - Terugkeerbesluit
1.Onverminderd de in de leden 2 tot en met 5 vermelde uitzonderingen, vaardigen de lidstaten een terugkeerbesluit uit tegen de onderdaan van een derde land die illegaal op hun
grondgebied verblijft.
Artikel 8 – Verwijdering
1. De lidstaten nemen de nodige maatregelen om het terugkeerbesluit uit te voeren indien er geen termijn voor vrijwillig vertrek overeenkomstig artikel 7, lid 4, is toegekend of indien
de betrokkene niet binnen de volgens artikel 7 toegestane ter mijn voor vrijwillig vertrek aan de terugkeerverplichting heeft voldaan.
Artikel 9
1. De lidstaten stellen de verwijdering uit:
a. a) in geval deze in strijd zou zijn met het beginsel van non-refoulement, of
(…)
2. De lidstaten kunnen op grond van de specifieke omstandigheden de verwijdering in een individueel geval voor een passende termijn uitstellen. Door de lidstaten wordt met name
rekening gehouden met:
a. a) de fysieke of mentale gesteldheid van de onderdaan van een derde land;
Nederlands recht
Vreemdelingenwet 2000
Artikel 45
1.De beschikking waarbij een aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 28, of voor onbepaalde tijd, bedoeld in artikel 33, wordt afgewezen, geldt als terugkeerbesluit, tenzij reeds eerder een terugkeerbesluit tegen de vreemdeling is uitgevaardigd en aan de daaruit voortvloeiende terugkeerverplichting niet is voldaan, (…)
Artikel 64
Uitzetting blijft achterwege zolang het gelet op de gezondheidstoestand van de vreemdeling of die van een van zijn gezinsleden niet verantwoord is om te reizen.
Nederlands beleid
Vreemdelingencirculaire 2000
paragraaf A3/7 Geen uitzetting om medische redenen
paragraaf A3/7.1 Algemeen
De IND [10] kan uitstel van vertrek verlenen op grond van artikel 64 Vw als:
•De vreemdeling medisch gezien niet in staat is om te reizen; of
•Er een reëel risico bestaat op schending van artikel 3 EVRM om medische redenen.
(…)
paragraaf A3/7.1.3 Reëel risico op schending van artikel 3 EVRM om medische redenen
De vreemdeling krijgt uitstel van vertrek op grond van artikel 64 Vw, als sprake is van een reëel risico op schending van artikel 3 EVRM om medische redenen.
Er is uitsluitend sprake van een reëel risico op schending van artikel 3 EVRM:
•als uit het advies van het BMA blijkt dat het achterwege blijven van de medische behandeling naar alle waarschijnlijkheid zal leiden tot een medische noodsituatie; en
•als de noodzakelijke medische behandeling in het land van herkomst of bestendig verblijf niet beschikbaar is; of
•als in geval de noodzakelijke medische behandeling wel beschikbaar is, gebleken is dat deze aantoonbaar niet toegankelijk is.
Medische noodsituatie
Onder een medische noodsituatie verstaat de IND: die situatie waarbij de vreemdeling lijdt aan een aandoening, waarvan op basis van de huidige medisch-wetenschappelijke inzichten vaststaat dat het achterwege blijven van behandeling binnen een indicatieve termijn van drie tot zes maanden zal leiden tot overlijden, invaliditeit of een andere vorm van ernstige geestelijke of lichamelijke schade.
paragraaf A3/7.1.4. Beschikbaarheid van de benodigde zorg
De IND concludeert dat de medische behandeling niet in het land van herkomst (of een ander land waar de vreemdeling naar kan vertrekken) beschikbaar is als, in één van de volgende gevallen:
•uit het BMA-advies blijkt dat in het desbetreffende land geen of onvoldoende behandelmogelijkheden aanwezig of beschikbaar zijn;
•uit het BMA-advies blijkt dat in het desbetreffende land onderbrekingen in de medicijnvoorraden voorkomen, die een maand of langer duren;
•het BMA vanwege de situatie in het land van herkomst niet in staat is om te adviseren over de aanwezigheid van behandelmogelijkheden in het land van herkomst; of
•uit het BMA-advies blijkt dat, ter voorkoming van een medische noodsituatie, mantelzorg noodzakelijk is voor het slagen van de medische behandeling, terwijl de vreemdeling heeft aangetoond deze mantelzorg in het land van herkomst niet te kunnen ontvangen van één of meer gezins- of familieleden dan wel via professionele (thuis)zorg. Zie over mantelzorg verder hieronder.
paragraaf A3/7.1.4.5. Feitelijke toegankelijkheid tot de medische zorg
De bewijslast dat de vreemdeling geen toegang zal hebben tot de vereiste medische zorg rust op de vreemdeling.
Dit is van belang in die gevallen waarin het BMA in het medisch advies:
•heeft geconcludeerd dat het achterwege blijven van de medische behandeling naar alle waarschijnlijkheid zal leiden tot een medische noodsituatie; en
•heeft aangegeven, dat de medische behandeling in het land van herkomst of bestendig verblijf beschikbaar is.
Als de vreemdeling zijn identiteit en nationaliteit niet heeft aangetoond middels originele documenten, kan hij in beginsel niet aannemelijk maken dat de noodzakelijke medische zorg in het land van herkomst of het land waarnaar hij kan vertrekken voor hem niet toegankelijk is. Dit is anders als:
•de vreemdeling wel een (kopie van een) verlopen paspoort heeft overgelegd, of zijn identiteit en nationaliteit is aannemelijk geacht in een voorgaande asiel en/of reguliere procedure; en
•nadien geen redelijke twijfel is ontstaan over de nationaliteit of identiteit van de vreemdeling.
Het enkele ontbreken van identiteitsdocumenten is geen reden om de toegankelijkheid van de zorg niet te beoordelen.
In het besluit moet worden gemotiveerd om welke reden er niet kan worden getoetst aan de feitelijke toegankelijkheid van de zorg vanwege het ontbreken van een originele documenten, die de identiteit en nationaliteit van de vreemdeling aantonen
(…)
In de situatie dat de vreemdeling wel zijn identiteit en nationaliteit heeft aangetoond middels documenten, legt de IND het medisch advies ter informatie voor aan de vreemdeling en biedt hem daarbij de mogelijkheid om aan de hand van documenten zoals bedoeld in A3/7.1.5 aannemelijk te maken dat de medische zorg voor hem ontoegankelijk is. De IND geeft de vreemdeling een termijn van vier weken om te reageren.
De omstandigheid dat een vreemdeling enkel aangeeft dat de kosten voor een medische behandeling hoog zijn of dat de plek, waar de medische behandeling kan plaatsvinden, ver weg is van de woonplaats van de vreemdeling, vormt onvoldoende reden om een reëel risico op schending van artikel 3 EVRM aan te nemen.
De IND kent geen betekenis toe aan niet onderbouwde stellingen over enig beletsel dat in de weg staat aan het verkrijgen van toegang tot de benodigde zorg.
Om te beoordelen of de medische zorg niet toegankelijk is voor de vreemdeling worden bewijsstukken gevraagd die inzicht geven in de kosten van de medische behandeling in relatie tot het inkomen van de vreemdeling. Ook gaat het om bewijsstukken over de afstand tussen de woonplaats van de vreemdeling en de zorginstelling (in het land van herkomst) en eventueel diens reismogelijkheden in relatie tot de medische klachten.
(…)
Rechtsvraag
11. Zoals hiervoor overwogen moet de rechtbank om het hoofdgeding te kunnen beslechten onder meer beoordelen of de gezondheidssituatie van verzoeker in de weg staat aan de vaststelling van het terugkeerbesluit. Het Hof heeft in haar arrest van 22 november 2022 in de zaak X [11] hierover onder meer het navolgende overwogen:.
(…)
66 Uit de punten 52 tot en met 65 van het onderhavige arrest volgt dat artikel 5 van richtlijn 2008/115, gelezen in samenhang met de artikelen 1 en 4 en artikel 19, lid 2, van het Handvest, zich ertegen verzet dat een lidstaat een terugkeerbesluit vaststelt jegens een illegaal op het grondgebied van die lidstaat verblijvende derdelander die aan een ernstige ziekte lijdt, of hem verwijdert, wanneer er zwaarwegende en gegronde redenen zijn om aan te nemen dat de terugkeer van deze derdelander hem zou blootstellen aan een reëel risico van een significante daling van zijn levensverwachting of een snelle, aanzienlijke en onomkeerbare verslechtering van zijn gezondheidstoestand, leidend tot ernstige pijn, omdat er in het land van bestemming geen passende zorg beschikbaar is.
(…)
80 In het licht van deze verduidelijking blijkt uit de motivering van het antwoord op de eerste en de tweede vraag dat artikel 5 en artikel 9, lid 1, onder a), van richtlijn 2008/115 vereisen dat de lidstaten, alvorens een terugkeerbesluit uit te vaardigen jegens een derdelander die aan een ernstige ziekte lijdt of hem te verwijderen, in staat zijn elke gegronde twijfel weg te nemen over het risico dat de terugkeer van die derdelander zal leiden tot een snelle, aanzienlijke en onomkeerbare verergering van die ziekte of van de daardoor veroorzaakte pijn. Wanneer dergelijke twijfels niet kunnen worden weggenomen, kan de bevoegde nationale autoriteit geen terugkeerbesluit uitvaardigen noch de betrokken derdelander verwijderen.
81 Hoewel een dergelijk verbod ook geldt zolang de betrokken lidstaat niet in staat is om de eigenlijke verwijdering van de betrokken derdelander zodanig te organiseren dat met name wordt gewaarborgd dat hij niet zal worden blootgesteld aan een risico dat zijn ziekte of zijn pijn tijdens die verwijdering aanzienlijk en op onomkeerbare wijze verergert, kan daaruit niet worden afgeleid dat het, om jegens die derdelander een terugkeerbesluit vast te kunnen stellen of om hem te kunnen verwijderen, volstaat dat deze lidstaat waarborgt dat hij tijdens zijn verwijdering passende zorg zal ontvangen. De betrokken lidstaat dient zich er namelijk van te vergewissen dat de betrokkene, wanneer zijn gezondheidstoestand zulks vereist, niet alleen tijdens de verwijdering zelf, maar ook daarna in het land van bestemming zorg ontvangt (zie naar analogie arrest van 16 februari 2017, C. K. e.a., C‑578/16 PPU, EU:C:2017:127, punten 76‑82).
(…)
12. Tussen partijen is niet in geschil dat verzoeker ernstig ziek is. Verweerder heeft om na te gaan of er zwaarwegende en gegronde redenen zijn om aan te nemen dat de terugkeer van verzoeker hem zou blootstellen aan een reëel risico van een significante daling van zijn levensverwachting of een snelle, aanzienlijke en onomkeerbare verslechtering van zijn gezondheidstoestand, BMA om advies gevraagd. Deze werkwijze was ten tijde van de adviesaanvraag van verweerder toegelicht in ‘Werkinstructie 2024/4 Artikel 64 Vw’ die evenwel slechts geldig was tot en met 31 december 2025 [12] . Ten tijde van de onderhavige verwijzingsuitspraak is niet voorzien in een nieuwe werkinstructie.
13. BMA heeft een protocol opgesteld om de hoofdlijnen van de werkwijze van BMA bij de totstandkoming van de medische adviezen te beschrijven. Het ‘BMA Protocol’ dat thans actueel is, is het BMA Protocol dat in 2023 is vastgesteld. In dit protocol is onder meer het navolgende weergegeven:
(…)
‘1.2.2 Positionering medisch adviseur
De medisch adviseur vormt zijn/haar oordeel over de medische aspecten van een zaak op basis van medische stukken over de vreemdeling die hij/zij (met toestemming van de betrokkene) ter beschikking krijgt van de behandelaar(s) van betrokkene. Bij het opstellen van een medisch advies neemt de medisch adviseur een onafhankelijke en onpartijdige positie in, zowel ten opzichte van de vreemdeling als van de (vreemdelingrechtelijke besluitvorming van) IND.
De vraagstelling aan BMA vloeit rechtstreeks voort uit de Vreemdelingenwet en het beleid dat hierop is gebaseerd. Deze regelgeving en beleid is voor de medisch adviseur een gegeven, waar hij/zij geen mening over, noch invloed op heeft.
(…)
De medisch adviseur van BMA vervult de rol van onafhankelijk arts en heeft geen behandelrelatie met de betrokken patiënt. De medisch adviseur is de beoordelende arts met kennis van specifieke criteria in vreemdelingrechtelijk verband (zoals het criterium medische noodsituatie (zie hoofdstuk 3.1), beschikbaarheid van medische behandelmogelijkheden in het land van herkomst, reisvaardigheid of medische reisvoorwaarden) en is daar specifiek deskundig op. Uit bestendige jurisprudentie volgt dat een BMA-advies een deskundigenadvies is en enkel met een contraexpertise kan worden weerlegd.
(…)
Op basis van vaststaand vreemdelingenbeleid beantwoordt de medisch adviseur vragen van de IND, zodat de IND in staat is een aanvraag van de vreemdeling (…) te beoordelen. De rol van de medisch adviseur is om vragen van de IND zorgvuldig, volledig, duidelijk, feitelijk en objectief te beantwoorden met gedegen kennis van de relevante criteria die binnen het vreemdelingenrecht gelden.(…)
(…)
BMA heeft geen rol bij onderstaande vragen, omdat deze vragen buiten de medische deskundigheid van de medisch adviseur liggen:
(…)
-of medische zorg in het land van herkomst toegankelijk is voor een vreemdeling of voor een bepaalde groepering;
(…)
3.1.3
Medische noodsituatie bij het uitblijven van huidige behandeling
De medisch adviseur geeft in het medisch advies een inschatting over het ontstaan van een
medische noodsituatie bij uitblijven van de huidige behandeling.
(…)
De vraag of er sprake is van een medische noodsituatie bij het uitblijven van behandeling is van toepassing bij de beoordeling in het kader van verzoek om uitstel van vertrek art. 64 Vw en de aanvraag voor een vergunning voor een medische behandeling (VVR-Medisch).
Voorheen werd een strikte termijn van drie maanden aangehouden. Echter, het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft in eerder genoemd arrest (zaak C-69/21) aangegeven dat geen strikte termijn meer mag worden gehanteerd met betrekking tot het optreden van een medische noodsituatie bij uitblijven van de huidige behandeling. Op basis van deze uitspraak is de eerder gehanteerde termijn van drie maanden veranderd in een indicatieve termijn van drie tot zes maanden. Binnen deze termijn kan een voldoende accurate inschatting worden gemaakt van het ziekteverloop en de beschikbaarheid van een noodzakelijke behandeling in het land van herkomst.
(…)
Reizen
De medisch adviseur beoordeelt of de vreemdeling op het moment van advisering -in objectieve zin medisch gezien in staat is om te reizen.
(…)
3.2
Landgebonden deel
Wanneer de medisch adviseur heeft beoordeeld dat er, bij het uitblijven van behandeling, een medische noodsituatie binnen een indicatieve termijn van drie tot zes maanden kan ontstaan, of als de medisch adviseur een fysieke medische overdracht als reisvoorwaarde stelt (zie hoofdstuk 3.1.5), wordt de beschikbaarheid van de medische behandeling in het land van herkomst of land van bestemming uitgezocht.
Beschikbaarheid van een medische behandeling betekent dat een specifieke medische behandeling (waaronder ook medicatie) aanwezig is op enige plek op een bepaald moment in het gevraagde land van herkomst of land van bestemming. Hierbij beoordeelt de medisch adviseur of de beschikbare behandeling al dan niet voldoende is om een medische noodsituatie binnen een indicatieve termijn van drie tot zes maanden te voorkomen
3.2.1
Informatiebron - EUAA, MedCOI Sector
Bij het onderzoek naar de beschikbaarheid van medische behandeling in de gevraagde landen wordt gebruik gemaakt van de Medical Country of Origin Information (MedCOI) database. (…) Met ingang van 1 januari 2021 is het systeem officieel overgenomen door de European Asylum Support Office (EASO) dat sinds januari 2022 onderdeel is van het Asielagentschap van de Europese Unie (European Union Agency for Asylum (EUAA) te Malta. Sindsdien vallen ook de contacten met International SOS en de werving en het
auditen van vertrouwensartsen onder de verantwoordelijkheid van het EUAA.
(…)
3.2.8
Bijzondere aandachtspunten landgebonden deel
Toegankelijkheid
(Individuele) toegankelijkheid duidt op de bereikbaarheid, betaalbaarheid en de mate waarin de individuele vreemdeling toegang kan krijgen tot de geïndiceerde behandeling.
Die toegankelijkheid hangt van andere aspecten af dan van de medische aspecten (denk aan
culturele opvattingen over de toegankelijkheid van de gezondheidszorg voor bijvoorbeeld vrouwen, religieuze invloeden op verschil in toegang tot zorg voor verschillende groeperingen, sociaalgeografische aspecten, waardoor de zorg in de stad feitelijk voor inwoners van het platteland nauwelijks beschikbaar is en financiële randvoorwaarden, bijvoorbeeld wordt de behandeling op een of ander manier vergoed of moet eerst een aanzienlijke som geld betaald worden voordat zorg beschikbaar komt).
(…)
De aan BMA gevraagde informatie over de medische behandelmogelijkheden in het land van herkomst of land van terugkeer gaat alleen over de beschikbaarheid van behandeling(en) in medisch-technische zin. Er wordt geen informatie gevraagd over de individuele toegankelijkheid tot die behandeling(en), waarbij niet-medische factoren, zoals onder meer politieke, veiligheids-,geografische, economische en inkomensaspecten, een rol spelen. Wel wordt gevraagd naar specifieke medische behandelmogelijkheden voor specifieke klachten in een bepaalde kliniek/instelling op enige plaats in het land van herkomst of terugkeer.
Dit laat onverlet dat deze niet-medische factoren in het algemeen ook van groot belang kunnen zijn om voortzetting van de medische behandeling in het land van herkomst te garanderen. Een onderzoek hiernaar valt echter niet binnen het deskundigheidsgebied van de arts van BMA zodat daar in het BMA-advies niet op wordt ingegaan.
(…)
14. In het BMA-advies dat in het hoofdgeding is opgemaakt op 27 november 2025 is onder meer het navolgende vermeld:
(…)
A. Persoonsgebonden vragen
1a.
Heeft betrokkene één of meerdere medische klachten?
Ja, aldus de gemachtigde behandelaars.
1b.
Zo ja, wat is de aard van de klachten? Kunt u hierbij een samenvatting geven van de meest belangrijke klachten en/of diagnostiek?
Uit de beschikbare medische informatie verkregen van de gemachtigde behandelaars komt naar voren dat er bij betrokkene sprake is van een psychotische stoornis. Daarnaast is hij bekend met middelengebruik en is mogelijk getraumatiseerd, aldus de behandelaar.
Vanwege een psychotisch toestandsbeeld werd betrokkene in april 2024 gedurende drie maanden met een crisismaatregel opgenomen bij CTP Veldzicht [13] . Er was sprake van
waandenkbeelden en hallucinaties en hij vertoonde bizar gedrag, leidend tot agressie met gevaar voor betrokkene zelf en zijn omgeving.
Betrokkene werd behandeld met medicatie, waarna de psychose verbleekte. Na opname bleef betrokkene aanvankelijk in zorg bij het FACT [14] van CTP Veldzicht en er werd een Zorgmachtiging afgegeven. Deze is in juli 2025 afgelopen en aangezien betrokkene
al lange tijd stabiel was, werd deze niet verlengd. De behandeling is in augustus 2025 overgedragen aan de huisarts. Er wordt sinds de opname van 2024 door de huisarts geen melding meer gemaakt van psychotische symptomen.
2a.Staat betrokkene voor de onder 1b. genoemde klachten onder actieve medische behandeling of wordt medische behandeling binnenkort gestart?
Ja, betrokkene staat onder behandeling.
2b.
Zo ja, wat is de aard van deze behandeling, door wie wordt deze behandeling gegeven en is de behandeling van tijdelijke of van blijvende aard?
Therapie:
Uit de beschikbare medische informatie blijkt dat betrokkene op dit moment alleen nog onder behandeling is van de huisarts; behandeling bestaat uit onderhoudsdosering van de antipsychotica d.m.v. een depot-injectie elke 2 maanden.
Medicatie:
A. Aripiprazol depot injectie (antipsychotica)
2c.
Voor zover de behandeling van tijdelijke aard is, kunt u op basis van de huidige medische inzichten aangeven wanneer de behandeling zal zijn afgerond?
Gezien de aard en duur van de klachten, is naar verwachting langdurige behandeling met antipsychotica noodzakelijk.
3. Kunt u aangeven wat in de huidige situatie de te verwachten medische gevolgen zullen zijn bij uitblijven van de onder 2b. genoemde behandeling?
Bij uitblijven van de onderhoudsbehandeling met antipsychotica is er een reële kans dat betrokkene opnieuw psychotisch zal ontregelen, met verward gedrag, agressie en gevaar voor hemzelf of zijn omgeving tot gevolg.
4. Zal, gelet op de huidige medische inzichten, het uitblijven van de onder 2b. genoemde behandeling leiden tot een medische noodsituatie binnen een indicatieve termijn van drie tot zes maanden?
Bij uitblijven van de genoemde behandeling verwacht ik wel een medische noodsituatie binnen deze termijn, omdat betrokkene voorafgaand aan behandeling dusdanig psychotische symptomen vertoonde dat opname met een crisismaatregel noodzakelijk was. Er was sprake van verward gedrag door de psychose met agressie en gevaar voor hemzelf en zijn omgeving. Bij uitblijven van behandeling met antipsychotica bestaat er een reële kans dat
betrokkene opnieuw dusdanig psychotisch zal ontregelen.
Als betrokkene gaat reizen, gebeurt dit in de regel per vliegtuig, trein, auto of boot.
5a.Kan betrokkene reizen, met bovengenoemde vervoersmiddelen?
Ja, betrokkene kan reizen.
(…)
B. Landgebonden vragen
(…)
6a. Is behandeling, in algemeen medisch-technische zin, voor de onder 1b beschreven klachten, op enige plaats in Guinee aanwezig?
Uitgaande van de juistheid van de beschikbare informatie met betrekking tot de therapiemogelijkheden in het land van herkomst/land van eventuele verwijdering, concludeer ik dat de behandeling aanwezig is.
6b. Zo ja, waaruit bestaat deze behandeling en waar wordt bedoelde behandeling bijvoorbeeld gegeven? Kunt u beoordelen of de eventuele beschikbare behandeling voldoende is om een medische noodsituatie binnen de indicatieve termijn van drie tot zes
maanden te voorkomen?
Met betrekking tot de therapie zoals genoemd onder vraag 2b: Uit brondocument AVA 18867 blijkt dat behandeling door een psychiater wel aanwezig is o.a. in CHU Donka, Centre Hospitalier Universitaire, Donka, Conakry.
Indien noodzakelijk is hier ook psychiatrische thuiszorg, behandeling door een psychiater in klinische opname en gedwongen opname mogelijk.
Met betrekking tot de medicatie zoals genoemd onder vraag 2b: Uit brondocument AVA 18867 blijkt dat het middel Aripiprazol depot injecties wel aanwezig is, o.a. in Nouni Pharmacy, Conakry.
Hiermee acht ik de beschikbare behandeling voldoende om een medische noodsituatie binnen de genoemde termijn te voorkomen.
(…)
15. Verzoeker is gediagnosticeerd met een ongespecificeerd schizofreniespectrum - of andere psychotische stoornis - en er is mogelijk sprake van een posttraumatische stressstoornis. Verzoeker wordt thans in Nederland behandeld voor deze problematiek. Indien verzoeker na terugkeer naar Guinee verstoken zal blijven van deze of een vergelijkbare medische behandeling, zal er binnen een indicatieve periode van drie tot zes maanden een medische noodsituatie ontstaan. Dit is tussen partijen niet in geschil en volgt uit het BMA-advies dat verweerder heeft doen opmaken om na te gaan of verzoeker kan reizen en om na te gaan of er een medische noodsituatie zal ontstaan als verzoeker moet terugkeren naar Guinee. In de nationale rechtspraktijk wordt met een medische noodsituatie, een situatie die strijdig is met artikel 3 EVRM bedoeld.
16. In het BMA-advies is tevens vermeld dat de medische behandeling die noodzakelijk is om een medische noodsituatie te voorkomen beschikbaar is in Guinee. Hiermee wordt bedoeld dat een specifieke medische behandeling (waaronder ook medicatie) aanwezig is op enige plek op een bepaald moment in het gevraagde land van herkomst of land van bestemming. BMA baseert dit op Medical Country of Origin Information van het EUAA [15] .
17. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) volgt dat een BMA-advies wordt aangemerkt als een deskundigenbericht [16] . Verweerder dient zich er van te vergewissen dat een deskundigenrapport waar hij zijn besluit op baseert, zorgvuldig tot stand is gekomen en naar inhoud voldoende inzichtelijk en concludent is. Als dit het geval is, dan mag hij in beginsel van de juistheid van het advies uitgaan. Het is aan de derdelander om de juistheid van het deskundigenadvies te betwisten.
18. In het hoofdgeding rijst de vraag of verweerder kan volstaan met het vragen van een BMA-advies en het zich vergewissen of dit BMA-advies zorgvuldig tot stand is gekomen en naar inhoud voldoende inzichtelijk en concludent is. Uit artikel 5 van richtlijn 2008/115 volgt dat verweerder, indien hij richtlijn 2008/115 ten uitvoer legt en in dat kader een terugkeerbesluit wil vaststellen, rekening moet houden met de gezondheid van verzoeker en het beginsel van non-refoulement moet eerbiedigen. Verweerder is uitsluitend nagegaan of de medische behandeling die noodzakelijk is om te voorkomen dat er een medische noodsituatie ontstaat, en dus een schending van artikel 3 van het EVRM zal optreden, beschikbaar is in Guinee. Indien verzoeker echter na terugkeer geen feitelijke toegang zal hebben tot deze noodzakelijke medische behandeling, zal verzoeker in een situatie terechtkomen als bedoeld in artikel 4 van het Handvest en artikel 3 van het EVRM. Artikel 5 van richtlijn 2008/115, gelezen in samenhang met artikelen 1, 4 en 19, tweede lid, van het Handvest verbieden evenwel de verwijdering als deze in strijd is met het beginsel van
non-refoulement. Verweerder stelt zich op grond van zijn beleid op het standpunt dat het aan verzoeker is om aan te tonen dat hij geen feitelijke toegang zal hebben tot de noodzakelijke behandeling die in Guinee in beginsel beschikbaar is en dat deze bewijslastverdeling in overeenstemming is met nationale en internationale rechtspraak [17] .
19. In het eerder genoemde arrest X van 22 november 2022 [18] heeft het Hof bij de precisering van het Unierecht gewezen op het arrest Paposhvili van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) van 13 december 2016 [19] en onder meer overwogen dat uit de rechtspraak van het EHRM blijkt dat het arrest Paposhvili een norm stelt die naar behoren rekening houdt met alle voor de toepassing van artikel 3 EVRM relevante overwegingen, in die zin dat daarin het algemene recht van staten om toezicht te houden op de binnenkomst, het verblijf en de verwijdering van vreemdelingen onverlet laat, maar tegelijkertijd de absolute aard van dat artikel wordt erkend.
20. Het EHRM heeft in het arrest Paposhvili onder meer het navolgende overwogen:
(…)
“185. Accordingly, in cases of this kind, the authorities’ obligation under Article 3 to protect the integrity of the persons concerned is fulfilled primarily through appropriate procedures allowing such examination to be carried out (see, mutatis mutandis, El-Masri v. the former Yugoslav Republic of Macedonia [GC], no. 39630/09, § 182, ECHR 2012; Tarakhel, cited above, § 104; and F.G. v. Sweden, cited above, § 117).
186. In the context of these procedures, it is for the applicants to adduce evidence capable of demonstrating that there are substantial grounds for believing that, if the measure complained of were to be implemented, they would be exposed to a real risk of being subjected to treatment contrary to Article 3 (see Saadi, cited above, § 129, and F.G. v. Sweden, cited above, § 120). In this connection it should be observed that a certain degree of speculation is inherent in the preventive purpose of Article 3 and that it is not a matter of requiring the persons concerned to provide clear proof of their claim that they would be exposed to proscribed treatment (see, in particular, Trabelsi v. Belgium, no. 140/10, § 130, ECHR 2014 (extracts)).
187. Where such evidence is adduced, it is for the authorities of the returning State, in the context of domestic procedures, to dispel any doubts raised by it (see Saadi, cited above, § 129, and F.G. v. Sweden, cited above, § 120). The risk alleged must be subjected to close scrutiny (see Saadi, cited above, § 128; Sufi and Elmi v. the United Kingdom, nos. 8319/07 and 11449/07, § 214, 28 June 2011; Hirsi Jamaa and Others, cited above, § 116; and Tarakhel, cited above, § 104) in the course of which the authorities in the returning State must consider the foreseeable consequences of removal for the individual concerned in the receiving State, in the light of the general situation there and the individual’s personal circumstances (see Vilvarajah and Others, cited above, § 108; El-Masri, cited above, § 213; and Tarakhel, cited above, § 105). The assessment of the risk as defined above (see paragraphs 183-84) must therefore take into consideration general sources such as reports of the World Health Organisation or of reputable non-governmental organisations and the medical certificates concerning the person in question.
(…)
189. As regards the factors to be taken into consideration, the authorities in the returning State must verify on a case-by-case basis whether the care generally available in the receiving State is sufficient and appropriate in practice for the treatment of the applicant’s illness so as to prevent him or her being exposed to treatment contrary to Article 3 (see paragraph 183 above). The benchmark is not the level of care existing in the returning State; it is not a question of ascertaining whether the care in the receiving State would be equivalent or inferior to that provided by the health-care system in the returning State. Nor is it possible to derive from Article 3 a right to receive specific treatment in the receiving State which is not available to the rest of the population.
190. The authorities must also consider the extent to which the individual in question will actually have access to this care and these facilities in the receiving State. The Court observes in that regard that it has previously questioned the accessibility of care (see Aswat, cited above, § 55, and Tatar, cited above, §§ 47-49) and referred to the need to consider the cost of medication and treatment, the existence of a social and family network, and the distance to be travelled in order to have access to the required care (see Karagoz v. France (dec.), no. 47531/99, 15 November 2001; N. v. the United Kingdom, cited above, §§ 34-41, and the references cited therein; and E.O. v. Italy (dec.), cited above).
191. Where, after the relevant information has been examined, serious doubts persist regarding the impact of removal on the persons concerned - on account of the general situation in the receiving country and/or their individual situation - the returning State must obtain individual and sufficient assurances from the receiving State, as a precondition for removal, that appropriate treatment will be available and accessible to the persons concerned so that they do not find themselves in a situation contrary to Article 3 (on the subject of individual assurances, see Tarakhel, cited above, § 120).
192. The Court emphasises that, in cases concerning the removal of seriously ill persons, the event which triggers the inhuman and degrading treatment, and which engages the responsibility of the returning State under Article 3, is not the lack of medical infrastructure in the receiving State. Likewise, the issue is not one of any obligation for the returning State to alleviate the disparities between its health-care system and the level of treatment existing in the receiving State through the provision of free and unlimited health care to all aliens without a right to stay within its jurisdiction. The responsibility that is engaged under the Convention in cases of this type is that of the returning State, on account of an act - in this instance, expulsion - which would result in an individual being exposed to a risk of treatment prohibited by Article 3.
(…)”
21. In de nationale rechtspraak is de bewijslastverdeling in zaken als het hoofdgeding op grond van deze overwegingen uit het arrest Paposhvili bepaald en wordt aangenomen dat verweerder niet hoeft na te gaan of de noodzakelijke medische behandeling toegankelijk zal zijn voor de derdelander, maar dat het aan de derdelander is om aan te tonen dat hij geen toegang zal hebben tot deze medische behandeling [20] .
22. De rechtbank overweegt dat met name gelet op overwegingen 190 en 191 het zeer de vraag is of deze bewijslastverdeling kan worden afgeleid uit het arrest Paposhvili. Indien wel zou moeten worden aangenomen dat het EHRM heeft bedoeld dat het aan de derdelander is om tenminste een begin van bewijs te leveren van zijn stelling dat de medische behandeling die noodzakelijk is om een schending van artikel 3 van het EVRM te voorkomen niet feitelijk toegankelijk zal zijn, merkt de rechtbank op dat de Uniewetgever in artikel 52, derde lid, heeft bepaald dat voor zover het Handvest rechten bevat die corresponderen met rechten welke zijn gegarandeerd door het EVRM, de inhoud en reikwijdte ervan dezelfde zijn als die welke er door genoemd verdrag aan worden toegekend en dat deze bepaling niet verhindert dat het recht van de Unie een ruimere bescherming biedt. De rechtbank wijst in dit verband op de Conclusie van advocaat-generaal Pikamäe van 9 juni 2022 in de zaak X tegen Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, Medicinale Cannabis, die een uitgebreide analyse bevat van de rechtspraak van het EHRM en het Hof met betrekking tot de verwijdering van ernstig zieke vreemdelingen en waarin de advocaat-generaal vervolgens het Hof adviseert haar eigen uitlegging die meer bescherming biedt niet af te stemmen op die van het EHRM [21] . De rechtbank overweegt dat, daargelaten de vraag of het Unierecht in zaken als in het hoofdgeding, meer bescherming biedt, de Uniewetgever in richtlijn 2008/115 uitdrukkelijk verplichtingen voor de autoriteiten heeft vastgesteld. Ongeachte de precieze omvang van de verplichtingen die de verdragsstaten op grond van artikel 3 EVRM hebben en ongeacht wat van de derdelander die stelt dat zijn verwijdering in strijd is met artikel 3 van het EVRM mag worden verwacht, volgt uit richtlijn 2008/115 dat de Uniewetgever de lidstaten heeft verplicht om rekening te houden met de gezondheidstoestand van de illegaal op het grondgebied verblijvende derdelander, zelfs indien de derdelander hier niet uitdrukkelijk om verzoekt. Bovendien heeft het refoulementverbod een absoluut karakter.
23. De rechtbank overweegt dat de in de nationale rechtspraak aanvaarde bewijslastverdeling met betrekking tot de feitelijke toegang tot de noodzakelijke en in het algemeen beschikbare medische zorg aanzienlijke gevolgen heeft voor verzoeker. De partij die de bewijslast draagt, draagt immers ook het bewijsrisico. Met andere woorden, indien verzoeker niet aannemelijk kan maken dat hij geen toegang tot de noodzakelijke zorg zal kunnen verkrijgen na terugkeer, zal verweerder gelet op artikel 6 van richtlijn 2008/115 een terugkeerbesluit moeten vaststellen en dit terugkeerbesluit op grond van artikel 8 van richtlijn 2008/115 moeten uitvoeren. Indien verweerder daarentegen de bewijslast draagt van de feitelijke toegankelijkheid van de zorg die noodzakelijk is om een medische noodsituatie te voorkomen en dat bewijs niet kan leveren, is verweerder niet bevoegd om een terugkeerbesluit vast te stellen en ontstaat er geen terugkeerverplichting. Zoals het Hof in het arrest X van 22 november 2022 immers heeft verduidelijkt, moet de lidstaat in staat zijn om elke gegronde twijfel weg te nemen over het risico dat de terugkeer van die derdelander zal leiden tot een snelle, aanzienlijke en onomkeerbare verergering van die ziekte of van de daardoor veroorzaakte pijn en kan, indien dergelijke twijfels niet kunnen worden weggenomen, de bevoegde nationale autoriteit geen terugkeerbesluit uitvaardigen noch de betrokken derdelander verwijderen [22] .
24. De rechtbank overweegt voorts dat indien verzoeker aannemelijk zou moeten maken dat hij na terugkeer geen toegang zal krijgen tot de door BMA noodzakelijk geachte medische behandeling, zijn bewijspositie precair zal zijn. Verweerder zou dan kunnen volstaan met de verwijzing naar het BMA-advies waaruit volgt dat de noodzakelijke specifieke medische behandeling (waaronder ook medicatie) aanwezig is op enige plek op een bepaald moment in Guinee. Verzoeker heeft er in zijn reactie op het BMA-advies op gewezen dat hij is gediagnosticeerd met een ongespecificeerd schizofreniespectrum - of andere psychotische stoornis - en er mogelijk ook sprake is van een posttraumatische stressstoornis. Uit het dossier blijkt volgens verzoeker ook dat hij geen ziektebesef en ziekte-inzicht heeft en niet medicatietrouw is en zijn medicatie daarom in depot vorm krijgt. Verzoeker heeft voorts het navolgende aangevoerd:
(…)
“-Verzoeker is analfabeet en afkomstig uit een klein dorp genaamd Bakoun (regio Kankan). Verzoeker heeft zijn land van herkomst verlaten toen hij circa 14 jaar oud was. Hij heeft geen bron van inkomsten en er is geen contact met zijn familie. Hij heeft derhalve geen netwerk. Er dient rekening gehouden te worden met dit referentiekader als het gaat om de beoordeling of de medische zorg wel toegankelijk kan worden geacht voor verzoeker.
-In het land van herkomst rust er een taboe op psychische problematiek en worden personen met dergelijke klachten vaak zelfs in de gevangenis geplaatst. Verzoeker zal geconfronteerd worden met dergelijke vooroordelen en loopt een reëel risico op verstoting uit de maatschappij of detentie, met name gezien zijn afkomst uit een minderheidsgroep Poullo (Peul).
- De afstand tussen Bakoun en Conakry is circa 488 kilometer, afhankelijk van de precieze route en de reis met de auto duurt doorgaans 6 tot 10 uur. Nu verzoeker afhankelijk is van periodieke depot injecties is het niet alleen praktisch, maar ook financieel niet haalbaar om de aanwezig geachte behandeling te verkrijgen.
- Van verzoeker, die blijkens het dossier, al jarenlang verward gedrag en agressie vertoont tijdens psychotische periodes en geen ziekte besef of inzicht heeft kan niet worden verwacht dat hij dit inzicht ineens wel zal hebben bij terugkeer in het land van herkomst en verantwoordelijkheid kan nemen voor het zoeken en nakomen van medische behandeling.”
25. Verweerder stelt dat de standpunten van verzoeker met uitzondering van de afstand tussen Bakoun en Conakry niet zijn onderbouwd en dit wel van verzoeker verwacht mag worden. Verweerder vindt ook dat hij de derdelander tegemoet komt in zijn bewijslast doordat hij in zijn beleid heeft opgenomen welke elementen van belang zijn om aannemelijk te kunnen maken dat de zorg voor de derdelander niet toegankelijk is en hij bovendien bij de beoordeling van de feitelijke toegankelijkheid steeds uitgaat van een individuele en casuïstische beoordeling [23] . De rechtbank overweegt echter dat verzoeker om zijn standpunten te kunnen onderbouwen, veelal bewijs zal moeten leveren van ‘negatieve feiten’ en omstandigheden die niet aanwezig zijn. Verweerder heeft bijvoorbeeld gesteld dat “niet is gebleken dat verzoeker geen netwerk heeft in Guinee, dat verzoeker geen stukken heeft overgelegd over zijn financiële situatie of de kosten van zijn behandeling, dat verzoeker niet heeft onderbouwd dat hij geen beroep kan doen op familieleden of instellingen voor de bekostiging van de behandeling, dat verzoeker zijn stelling dat sprake is van een taboe op psychische problematiek niet heeft onderbouwd” [24] . In het BMA Protocol zijn deze, deels niet-medische, omstandigheden echter wel benoemd als relevant voor de feitelijke toegankelijkheid tot de geïndiceerde behandeling en is vermeld dat deze
niet-medische factoren in het algemeen ook van groot belang kunnen zijn om de voortzetting van de medische behandeling in het land van herkomst te garanderen. Verweerder acht zich evenwel niet gehouden om uit eigen beweging na te gaan of de feitelijke toegang tot de medische behandeling is gewaarborgd en plaatst de stellingen van verzoeker ook niet in de context van algemene landeninformatie. Verweerder acht zich ook niet gehouden om een medisch deskundige onderzoek te laten doen naar het ziektebesef en ziekte-inzicht van verzoeker, terwijl uit de overgelegde stukken hiervoor indicaties blijven en het evident is dat indien dit ontbreekt, dit gevolgen kan hebben voor de voortzetting van de medische behandeling.
26. De rechtbank overweegt dat, indien de noodzakelijke geachte behandeling niet kan worden voortgezet in het land van herkomst omdat verzoeker geen feitelijke toegang heeft tot deze behandeling, naar het oordeel van BMA een medische noodsituatie zal ontstaan. In het beleid van verweerder is vermeld dat de term ‘medische noodsituatie’ wordt gebruikt om de situatie te duiden waarbij de vreemdeling lijdt aan een aandoening, waarvan op basis van de huidige medisch-wetenschappelijke inzichten vaststaat dat het achterwege blijven van behandeling binnen een indicatieve termijn van drie tot zes maanden zal leiden tot overlijden, invaliditeit of een andere vorm van ernstige geestelijke of lichamelijke schade. Voor zover het Hof in het arrest X van 22 november 2022 heeft verduidelijkt dat een behandeling, om onder artikel 3 EVRM te vallen, een minimum aan ernst moet hebben [25] , overweegt de rechtbank dat de term ‘medische noodsituatie’ wordt gehanteerd om een behandeling te duiden die een dergelijk minimum aan ernst heeft. Uit de vaste rechtspraak van het Hof volgt verder dat de voor de toepassing van artikel 4 van het Handvest benodigde ernst gelijk is aan de krachtens artikel 3 EVRM in dezelfde omstandigheden vereiste minimale ernst [26] .
27. Het refoulementverbod omvat de verplichting van de autoriteiten om te voorkomen dat derdelanders in een situatie van overlijden, invaliditeit of een andere vorm van ernstige geestelijke of lichamelijke schade te brengen. In artikel 1 van het Handvest is bepaald dat de menselijke waardigheid onschendbaar is. De Uniewetgever heeft niet bepaald dat de inhoud van dit grondrecht en de omvang van de verplichtingen van de autoriteiten om dit grondrecht te eerbiedigen en te beschermen afhankelijk is van de verblijfsstatus van het betreffende individu. Het Hof heeft bovendien onder meer in haar arrest van 4 september 2025 in de zaak Adrar [27] en in haar arrest van 17 oktober 2024 in de zaak Ararat [28] onder verwijzing naar andere arresten herhaald, zoals ook uit overwegingen 2 en 24 van richtlijn 2008/115 volgt, dat de lidstaten bij de uitvoering van richtlijn 2008/115 de door het Handvest aan een derdelander toegekende grondrechten en waardigheid moeten eerbiedigen. De rechtbank overweegt dat daarom niet valt in te zien dat de verplichting voor verweerder om op grond van artikel 5 van richtlijn 2008/115 rekening te houden met de gezondheid van verzoeker en het beginsel van non-refoulement te eerbiedigen als hij een terugkeerbesluit wil vaststellen, niet tevens de verplichting zou omvatten om te onderzoeken en te beoordelen of de medische behandeling die noodzakelijk is om te voorkomen dat er een medische noodsituatie ontstaat feitelijk toegankelijk zal zijn. Verweerder kan verzoeker in dit kader horen en kan zijn verklaringen beoordelen. Verzoeker kan nu weliswaar ook aanvoeren dat hij geen toegang zal hebben tot de medische behandeling die in zijn land van herkomst in het algemeen beschikbaar is. In het geval dat dit onderzoek echter tot de verplichtingen van verweerder behoort, zal dit meebrengen dat indien verweerder niet in staat is om elke gegronde twijfel weg te nemen over het risico dat de terugkeer van verzoeker zal leiden tot een snelle, aanzienlijke en onomkeerbare verergering van zijn ziekte, verweerder geen terugkeerbesluit kan vaststellen en er ook geen terugkeerverplichting ontstaat.
28. Het Hof heeft in het arrest X van 22 november 2022 reeds verduidelijkt dat de betrokken lidstaat zich er van dient te vergewissen dat de betrokkene, wanneer zijn gezondheidstoestand zulks vereist, niet alleen tijdens de verwijdering zelf, maar ook daarna in het land van bestemming zorg ontvangt [29] . De rechtbank meent hieruit af te leiden dat deze vergewisplicht niet alleen de algemene beschikbaarheid van een medische behandeling in het land van bestemming, maar ook de feitelijke toegang hiertoe omvat. Immers alleen die feitelijke toegang voorkomt dat verzoeker wordt onderworpen aan een situatie zoals bedoeld in artikel 4 van het Handvest en artikel 3 van het EVRM.
29. De rechtbank overweegt dat de precaire bewijspositie voor verzoeker, indien hij zou moeten aantonen dat hij na terugkeer naar Guinee geen toegang zal hebben tot de medische behandeling die noodzakelijk is om een medische noodsituatie te voorkomen, kan meebrengen dat onvoldoende grondig wordt onderzocht of verzoeker wordt beschermd tegen refoulement en ten gevolge daarvan in strijd met artikel 5 van richtlijn 2008/115 en artikelen 1, 4 en 19, tweede lid, van het Handvest een terugkeerbesluit wordt vastgesteld en uitgevoerd.
30. De rechtbank wijst er hierbij ook op dat de Medical Country of Origin Information Database van het EUAA niet openbaar toegankelijk is [30] , onder meer omdat de interpretatie van deze gespecialiseerde informatie kennis van medische aangelegenheden in migratieprocedures zou vereisen. Dit betekent dat verzoeker zijn verdedigingsrechten niet ten gronde kan uitoefenen en maar zeer beperkt in staat zal zijn om de juistheid van het BMA-advies voor zover het gaat om de beschikbaarheid van de noodzakelijke medische behandeling te betwisten. Zowel verzoeker als de rechtbank kunnen niet controleren op grond van welke informatie de beantwoording van de landgebonden vragen in het
BMA-advies zijn gebaseerd en welke brondocumenten ter beschikking van BMA staan. Verzoeker heeft aangevoerd dat in het BMA-advies uitsluitend is vermeld dat behandeling door een psychiater aanwezig is maar dat niet is beschreven welke therapieën exact beschikbaar zijn en of deze aansluiten op de problematiek van verzoeker. Verzoeker heeft daaraan toegevoegd dat noch in het rapport van het Ministerie van Volksgezondheid van Guinee, noch in het Algemeen Ambtsbericht Guinee [31] er enige melding wordt gemaakt over (psychische) gezondheidszorg in Guinee. Verweerder heeft hierop op het BMA-advies gewezen en gesteld dat hierin met onderbouwing is gemotiveerd dat de medische zorg die hij nodig heeft aanwezig is in Guinee en verzoeker geen informatie heeft overgelegd die dit weerlegt [32] .
31. In de nationale rechtspraak is in het arrest X van 22 november 2022 [33] van het Hof en de uitlegging van artikel 5 van richtlijn 2008/115 in dit arrest en in de latere arresten in de zaken Ararat [34] en Adrar [35] , vooralsnog geen aanleiding gezien om de bewijslastverdeling met betrekking tot de feitelijke toegang tot noodzakelijke medische behandeling in het land van bestemming te baseren op artikel 5 van richtlijn 2008/115, gelezen in samenhang met artikelen 1, 4 en 19, tweede lid, van het Handvest. De rechtbank meent evenwel dat de verplichtingen die voor verweerder uit deze artikelen voortvloeit, de verplichting omvat om na te gaan of de medische behandeling die noodzakelijk is om te voorkomen dat verzoeker in een met artikel 4 van het Handvest-strijdige situatie te komen, na terugkeer ook feitelijk toegankelijk zal zijn. Alleen als dit onderzoek deel uitmaakt van de verplichtingen die verweerder heeft, zal verweerder ten gronde en volledig kunnen voldoen aan zijn verplichting om het beginsel van non-refoulement te eerbiedigen. De rechtbank realiseert zich dat verweerder de feitelijke toegang nimmer zal kunnen garanderen. De beoordeling van het refoulementrisico is echter geen exacte wetenschap en zal altijd een zeker speculatief karakter hebben [36] . Dit betekent echter naar het oordeel van de rechtbank niet, dat verweerder minder invulling kan geven aan zijn verplichtingen die volgen uit richtlijn 2008/115 en het Handvest voor de grondrechten door de bewijslast bij verzoeker neer te leggen.
32. Voor zover het Hof in het arrest X van 22 november 2022 heeft overwogen dat een terugkeerbesluit niet kan worden vastgesteld indien er in het land van bestemming geen passende zorg beschikbaar is [37] , merkt de rechtbank op dat in dat hoofdgeding de passende zorg met medicinale cannabis in Rusland niet was toegestaan. Omdat die zorg dus niet beschikbaar was, is de vraag naar de feitelijke toegankelijkheid in dat hoofdgeding niet relevant geweest. Dat het Hof in punt 66 van het arrest X het vaststellen van een terugkeerbesluit niet heeft gerelateerd aan de feitelijke toegankelijkheid van passende zorg, betekent, naar het oordeel van de rechtbank, dan ook niet dat indien de noodzakelijke zorg wel beschikbaar is, de gezondheidssituatie van de derdelander niet aan het vaststellen van een terugkeerbesluit in de weg kan staan en dat deze feitelijke toegankelijkheid niet onder de verplichtingen die verweerder op grond van artikel 5 van richtlijn 2008/115 heeft valt. Uit het arrest X van 22 november 2022 valt dan ook, naar het oordeel van de rechtbank, veeleer af te leiden dat verweerder, omdat uit het BMA-advies blijkt dat de gezondheidstoestand van verzoeker zulks vereist, om te onderzoeken of het refoulementverbod zich tegen de vaststelling en uitvoering van het terugkeerbesluit, moet nagaan of verzoeker in het land van bestemming de noodzakelijke zorg ontvangt en zodoende in staat is om elke gegronde twijfel weg te nemen over het risico dat de terugkeer van verzoeker zal leiden tot een snelle, aanzienlijke en onomkeerbare verergering van die ziekte en dat wanneer dergelijke twijfels niet kunnen worden weggenomen, verweerder geen terugkeerbesluit kan vaststellen.
33. De rechtbank overweegt tot slot dat het Hof in het arrest X van 22 november 2022 ook voor recht heeft verklaard dat “richtlijn 2008/115, gelezen in samenhang met artikel 7, alsmede de artikelen 1 en 4, van het Handvest, aldus moet worden uitgelegd dat (…) de gezondheidstoestand van deze derdelander en de zorg die hij wegens die ziekte op dat grondgebied ontvangt, door de bevoegde nationale autoriteit samen met alle andere relevante gegevens in aanmerking moeten worden genomen bij de beoordeling of het recht van de betrokkene op eerbiediging van zijn privéleven eraan in de weg staat dat jegens hem een terugkeerbesluit of verwijderingsmaatregel wordt uitgevaardigd”. De rechtbank komt, gelet op het absolute karakter van het refoulementverbod, pas toe aan de vraag of het privéleven in de weg staat aan de vaststelling van het terugkeerbesluit als de rechtbank kan vaststellen dat het beginsel van non-refoulement niet in de weg staat aan het vaststellen van het terugkeerbesluit. Alvorens dit te kunnen beoordelen acht de rechtbank het noodzakelijk dat het Hof nader verduidelijkt wat de omvang van de verplichting voor verweerder is om een medische noodsituatie te voorkomen indien verzoeker zou terugkeren. De prejudiciële vraag van de rechtbank ziet dan ook niet op een nadere uitlegging van artikel 5 van richtlijn 2008/115, gelezen in samenhang met artikel 7 van het Handvest en de vraag of het privéleven van verzoeker, waaronder begrepen de medische behandeling die verzoeker in Nederland ondergaat, in de weg staat aan de vaststelling van het terugkeerbesluit. Omdat verweerder niet eerder een terugkeerbesluit jegens verzoeker heeft vastgesteld, ziet de prejudiciële vraag van de rechtbank ook niet op het moeten uitstellen van de uitvoering van een terugkeerbesluit.
Conclusie en prejudiciële vraag
34. Verzoeker, die afkomstig is uit Guinee en de Guinese nationaliteit heeft, heeft een verzoek om internationale bescherming ingediend. Verweerder heeft dit verzoek afgewezen in een besluit dat een terugkeerbesluit omvat en waarin een termijn van vier weken voor vrijwillig vertrek is bepaald. In het hoofdgeding beoordeelt de rechtbank het beroep dat verzoeker heeft ingesteld tegen dit besluit.
35. De rechtbank overweegt, voorlopig oordelend, dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat verzoeker niet in aanmerking komt voor internationale bescherming en zal dit in haar einduitspraak motiveren. Doordat verzoeker niet voldoet aan de voorwaarden voor verblijf of vestiging valt verzoeker onder de werkingssfeer van richtlijn 2008/115. De rechtbank moet beoordelen of verweerder een terugkeerbesluit moet vaststellen of dat de in artikel 5 van richtlijn 2008/115 genoemde belangen en/of het beginsel van non-refoulement in de weg staan aan de vaststelling van een terugkeerbesluit. Verzoeker was minderjarig ten tijde van het indienen van zijn verzoek om internationale bescherming. De rechtbank overweegt, voorlopig oordelend, dat het belang van het kind niet in de weg staat aan de vaststelling van het terugkeerbesluit en zal ook dit nader motiveren in haar einduitspraak.
36. De rechtbank zal in het hoofgeding eerst beoordelen of het beginsel van
non-refoulement in de weg staat aan de vaststelling van het terugkeerbesluit omdat het refoulementverbod absoluut is. De prejudiciële vraag van de rechtbank heeft betrekking op de omvang van de verplichting van verweerder om het beginsel van non-refoulement te eerbiedigen, en houdt dan ook geen verband met een nadere uitlegging van artikel 5 van richtlijn 2008/115, gelezen in samenhang met artikel 7 van het Handvest en de vraag of het privéleven van verzoeker, waaronder begrepen de medische behandeling die verzoeker in Nederland ondergaat, in de weg staat aan de vaststelling van het terugkeerbesluit. Omdat verweerder niet eerder een terugkeerbesluit jegens verzoeker heeft vastgesteld, ziet de prejudiciële vraag van de rechtbank niet op het moeten uitstellen van de uitvoering van een terugkeerbesluit. De vraag of de verwijdering moet worden uitgesteld op grond van artikel 9, eerste lid onder a, van richtlijn 2008/115 is vooralsnog niet aan de orde in het hoofdgeding omdat de rechtbank eerst moet beoordelen of de gezondheidssituatie van verzoeker in de weg staat aan de vaststelling van het terugkeerbesluit.
37. Verweerder moet op grond van artikel 5 van richtlijn 2008/115 bij de tenuitvoerlegging van deze richtlijn ook rekening houden met de gezondheidstoestand van verzoeker en verweerder is te allen tijde verplicht om het beginsel van non-refoulement te eerbiedigen.
38. Verzoeker is gediagnosticeerd met een ongespecificeerd schizofreniespectrum - of andere psychotische stoornis - en er is mogelijk sprake van een posttraumatische stressstoornis. Verzoeker wordt thans in Nederland behandeld voor deze problematiek. Tussen partijen is niet in geschil dat indien verzoeker na terugkeer naar Guinee verstoken zal blijven van deze of een vergelijkbare medische behandeling, er binnen een indicatieve periode van drie tot zes maanden een medische noodsituatie zal ontstaan. Dit volgt uit het BMA-advies dat verweerder heeft doen opmaken om na te gaan of verzoeker kan reizen en om na te gaan of er een medische noodsituatie zal ontstaan als verzoeker moet terugkeren naar Guinee. In de nationale rechtspraktijk wordt met een medische noodsituatie, een situatie die strijdig is met artikel 3 EVRM bedoeld.
39. In het BMA-advies is vermeld dat de medische behandeling die noodzakelijk is om een medische noodsituatie te voorkomen beschikbaar is in Guinee. Hiermee wordt bedoeld dat een specifieke medische behandeling (waaronder ook medicatie) aanwezig is op enige plek op een bepaald moment in het gevraagde land van herkomst of land van bestemming. De rechtbank heeft er op gewezen dat BMA dit oordeel baseert op informatie van de Medical Country of Origin Information Database van het EUAA, welke informatie niet kenbaar en niet toegankelijk is voor verzoeker en de rechtbank. Verzoeker kan hierdoor ten aanzien van dit onderdeel van het BMA-advies zijn verdedigingsrechten niet ten volle uitoefenen en de rechtbank kan hierdoor niet controleren op welke informatie dit onderdeel van het advies is gebaseerd en of dit onderdeel van het advies daadwerkelijk volgt uit de geraadpleegde bronnen.
40. Op grond van de nationale rechtspraak en het beleid kan verweerder om rekening te houden met de gezondheidstoestand van verzoeker bij de vaststelling van het terugkeerbesluit, volstaan met het nagaan of de medische zorg die noodzakelijk is om een medische noodsituatie te voorkomen in beginsel beschikbaar is Guinee.
41. In de nationale rechtspraktijk ligt de bewijslast van de feitelijke (on)toegankelijkheid van deze noodzakelijke medische behandeling bij de derdelander en draagt de derdelander ook het bewijsrisico omdat dit zou volgen uit het arrest Paposhvili van het EHRM.
42. De rechtbank vraagt zich af, voor zover deze bewijslastverdeling al zou volgen uit het arrest Paposhvili, of het Unierecht méér bescherming aan ernstig zieke derdelanders biedt dan artikel 3 van het EVRM en wijst hierbij op de analyse van advocaat-generaal
P. Pikamäe in zijn conclusie van 9 juni 2022 in de zaak X [38] . Meer in bijzonder vraagt de rechtbank zich af of artikel 5 van richtlijn 2008/115 de verplichting voor verweerder omvat om, alvorens een terugkeerbesluit vast te stellen, na te gaan of deze noodzakelijke medische behandeling ook daadwerkelijk feitelijk toegankelijk zal zijn voor verzoeker na terugkeer.
43. Het Hof heeft immers reeds verduidelijkt dat het aan de autoriteiten is om alvorens een terugkeerbesluit uit te vaardigen jegens een derdelander die aan een ernstige ziekte lijdt of hem te verwijderen, in staat moet zijn elke gegronde twijfel weg te nemen over het risico dat de terugkeer van die derdelander zal leiden tot een snelle, aanzienlijke en onomkeerbare verergering van die ziekte of van de daardoor veroorzaakte pijn. Het Hof heeft daarbij verduidelijkt dat wanneer dergelijke twijfels niet kunnen worden weggenomen, de bevoegde nationale autoriteit geen terugkeerbesluit kunnen uitvaardigen en uitvoeren.
44. In het hoofdgeding kan de gegronde twijfel dat de terugkeer van verzoeker zal leiden tot een situatie die strijdig is met artikel 4 van het Handvest en artikel 3 van het EVRM, uitsluitend door verweerder worden weggenomen als de noodzakelijke medische behandeling toegankelijk zal zijn voor verzoeker . Indien deze feitelijke toegankelijkheid niet is gewaarborgd, is verweerder niet bevoegd om een terugkeerbesluit vast te stellen. De rechtbank overweegt dat dit er op duidt dat de bewijslast en het bewijsrisico dan ook op verweerder moeten rusten. Indien het Hof het Unierecht aldus verduidelijkt, is de nationale rechtspraktijk op dit punt onverenigbaar met het Unierecht.
45. Indien verzoeker de bewijslast draagt van de feitelijke (on)toegankelijkheid van de medische behandeling die noodzakelijk is om te voorkomen dat verzoeker na terugkeer in een met artikel 4 van het Handvest en artikel 3 van het EVRM-strijdige situatie terecht komt, en verzoeker dit niet kan onderbouwen, betekent dit dat het beginsel van
non-refoulement niet in de weg staat aan de vaststelling van het terugkeerbesluit.
Indien verweerder verplicht is om niet alleen te onderbouwen dat deze noodzakelijk medische behandeling beschikbaar is in Guinee maar ook feitelijk toegankelijk zal zijn en verweerder hierin niet slaagt, staat dit in de weg aan de vaststelling van een terugkeerbesluit.
46. De rechtbank twijfelt of de nationale rechtspraak en het beleid met betrekking tot de bewijslastverdeling van de feitelijke (on)toegankelijkheid van de noodzakelijke medische zorg verenigbaar is met het Unierecht. De rechtbank verzoekt het Hof, om het hoofdgeding te kunnen beslechten, dan ook om nadere uitlegging van het Unierecht door de navolgende prejudiciële vraag van de rechtbank te beantwoorden:
“Dient artikel 5 van richtlijn 2008/115, gelezen in samenhang met artikelen 1, 4 en 19, tweede lid, van het Handvest van de Grondrechten, aldus te worden uitgelegd dat artikel 5 van richtlijn 2008/115 de verplichting voor de autoriteiten omvat om, alvorens een terugkeerbesluit jegens een ernstig zieke vreemdeling vast te stellen, na te gaan of de medische behandeling die noodzakelijk is om een situatie als bedoeld in artikel 4 van het Handvest van de Grondrechten te voorkomen, feitelijk toegankelijk zal zijn voor deze ernstige zieke vreemdeling in het derde land waar de terugkeerverplichting op ziet?”
47. De rechtbank schorst de behandeling van het beroep en houdt iedere verdere beslissing aan.
Beslissing
De rechtbank:
- verzoekt het Hof van Justitie van de Europese Unie bij wege van prejudiciële beslissing uitspraak te doen op de hierboven onder rechtsoverweging 46 geformuleerde vraag;
- schorst de behandeling van het beroep in afwachting van de beantwoording van de prejudiciële vraag door het Hof van Justitie van de Europese Unie en houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. van Lokven, rechter, in aanwezigheid van
mr. M.B.J. Schreijen, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze verwijzingsuitspraak staat geen rechtsmiddel open. Hoger beroep kan worden ingesteld gelijktijdig met het hoger beroep tegen de einduitspraak.

Voetnoten

2.Op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000
3.Op grond van artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000.
4.BMA is een onderdeel van het Ministerie van Justitie en Veiligheid en adviseert zijn opdrachtgever, de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND), desgevraagd over medische aspecten van een vreemdeling verband houdend met het nemen van een besluit op grond van de Vreemdelingenwet 2000.
5.BMA verricht geen onderzoek indien de vreemdeling deze toestemming niet verleent, BMA Protocol, paragraaf 2.3.
6.De geloofwaardigheidsbeoordeling in het hoofdgeding is door verweerder verricht vóór 1 juli 2024. De prejudiciële vragen die de rechtbank, deze zittingsplaats, aan het Hof heeft gesteld over de wijze waarop de geloofwaardigheidsbeoordeling vanaf 1 juli 2024 wordt verricht, welke procedures zijn geregistreerd onder C-7/25, C-8/25 en C-138/25, zijn voor dit hoofdgeding niet relevant. De rechtbank acht het daarom niet noodzakelijk om in het hoofgeding de beantwoording van deze vragen door het Hof af te wachten.
7.Arrest van het Hof van 14 januari 2021 in de zaak TQ tegen de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, C-441/19, ECLI:EU:C:2021:9.
8.Arrest van het Hof van 17 oktober 2024 in de zaak Ararat, K.L.M.N. tegen de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, C-156/23, ECLI:EU:C:2024:892 .
9.Arrest van het Hof van 22 november 2022 in de zaak X tegen Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, Medicinale Cannabis, C-69/21, ECLI:EU:C:2022:913.
10.Immigratie- en Naturalisatiedienst.
11.Arrest van het Hof van 22 november 2022 in de zaak X tegen Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, Medicinale Cannabis, C-69/21, ECLI:EU:C:2022:913.
12.Een ‘werkinstructie’ heeft tot doel om de uitvoeringspraktijk instructies te geven voor de uitvoering van het beleid. Indien een dergelijke werkinstructie is gepubliceerd, zoals dit met Werkinstructie 2024/4 het geval is, kan een verzoeker om internationale bescherming zich hierop beroepen als hij meent dat hiermee in strijd is gehandeld.
13.Centrum voor Transculturele Psychiatrie Veldzicht.
14.Flexible Assertive Community Treatment.
15.European Union Agency for Asylum.
16.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 30 juni 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1674.
17.Verweerschrift van 22 januari 2026, pagina 5.
18.Arrest van het Hof van 22 november 2022 in de zaak X tegen Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, Medicinale Cannabis, C-69/21, ECLI:EU:C:2022:913, punt 64.
19.Arrest van het EHRM van 13 december 2016, Paposhvili tegen België, CE:ECHR:2016:1213JUD004173810.
20.Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling van 28 september 2017, (ECLI:NL:RVS:2017:2629), 29 maart 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:986), 26 mei 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:2046), 16 oktober 2023 ( ECLI:NL:RVS:2023:3876), 5 november 2024, (ECLI:NL:RVS:2024:44510.
21.Conclusie van advocaat-generaal P. Pikamäe van 9 juni 2022, X tegen Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, Medicinale Cannabis, C-69/21, ECLI:EU:C:2022:451, punten 48-71 en 81.
22.Arrest van het Hof van 22 november 2022 in de zaak X tegen Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, Medicinale Cannabis, C-69/21, ECLI:EU:C:2022:913, punt 80.
23.Verweerschrift van 22 januari 2026, pagina 3.
24.Verweerschrift van 22 januari 2026, pagina’s 4 en 5.
25.Arrest van het Hof van 22 november 2022 in de zaak X tegen Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, Medicinale Cannabis, C-69/21, ECLI:EU:C:2022:913, punt 62.
26.Arrest van het Hof van 22 november 2022 in de zaak X tegen Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, Medicinale Cannabis, C-69/21, ECLI:EU:C:2022:913, punt 65 en de daarin genoemde arresten.
27.Arrest van het Hof van 4 september 2025 in de zaak Adrar, GB tegen de Minister van Asiel en Migratie, C-313/25 PPU, ECLI:EU:C:2025:647, punten 46-47.
28.Arrest van het Hof van 17 oktober 2024 in de zaak Ararat, K.L.M.N. tegen de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, C-156/23, ECLI:EU:C:2024:892, punt 30.
29.Arrest van het Hof van 22 november 2022 in de zaak X tegen Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, Medicinale Cannabis, C-69/21, ECLI:EU:C:2022:913, punt 81.
30.Zie punt 3 van de ANNEX MedCOI Database Access Policy, behorende bij Decision No 91 of the Management Board of the European Asylum Support Office of 7 October 2021 on the MedCoi Database Access Policy.
31.Verweerder baseert zijn landgebonden beleid hoofdzakelijk op zogenoemde ‘algemene ambtsberichten’ die worden opgesteld door het Ministerie van Buitenlandse Zaken en doorgaans een verzameling van openbare bronnen bevatten.
32.Verweerschrift van 22 januari 2026, pagina 5.
33.Arrest van het Hof van 22 november 2022 in de zaak X tegen Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, Medicinale Cannabis, C-69/21, ECLI:EU:C:2022:913.
34.Arrest van het Hof van 17 oktober 2024 in de zaak Ararat, K.L.M.N. tegen de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, C-156/23, ECLI:EU:C:2024:892.
35.Arrest van het Hof van 4 september 2025 in de zaak Adrar, GB tegen de Minister van Asiel en Migratie, C-313/25 PPU, ECLI:EU:C:2025:647.
36.Vergelijk het arrest van het EHRM van 13 december 2016, Paposhvili tegen België, CE:ECHR:2016:1213JUD004173810, overweging 186.
37.Arrest van het Hof van 22 november 2022 in de zaak X tegen Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, Medicinale Cannabis, C-69/21, ECLI:EU:C:2022:913, punt 66.
38.Conclusie van advocaat-generaal P. Pikamäe van 9 juni 2022 in de zaak X tegen Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, Medicinale Cannabis, C-69/21, ECLI:EU:C:2022:451.