Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:11899

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
30 april 2026
Publicatiedatum
15 mei 2026
Zaaknummer
11860318 RL EXPL 25-16127
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:69 BWArt. 6:101 BWArt. 41 NR 1999Art. 25 NR 1995
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onrechtmatige advisering bij effectenleaseovereenkomst zonder vergunning

Contractant sloot via een tussenpersoon een effectenleaseovereenkomst met Dexia, waarbij hij geld leende om aandelen te kopen. De tussenpersoon beschikte niet over de vereiste vergunning voor beleggingsadvies, maar gaf wel persoonlijk advies aan contractant. Na het overlijden van contractant vordert zijn erfgenaam, eiseres, vergoeding van de geleden schade wegens onrechtmatig handelen van Dexia.

De rechtbank stelt vast dat Dexia haar bijzondere zorgplicht heeft geschonden door de overeenkomst aan te gaan terwijl zij had moeten weten dat de tussenpersoon zonder vergunning persoonlijk advies gaf. De schade bestaat uit betaalde termijnen minus genoten voordelen. Dexia's verweer dat de vordering verjaard is, wordt verworpen omdat de volmacht tot stuiting en bekrachtiging rechtsgeldig is verleend.

Dexia's verzoek om inzage in het intakeformulier wordt afgewezen vanwege het vertrouwelijke karakter van de informatie. De rechtbank wijst de vorderingen van eiseres toe en veroordeelt Dexia tot betaling van €4.488,39 plus wettelijke rente en proceskosten. De tegenvorderingen van Dexia worden afgewezen.

Uitkomst: Dexia is onrechtmatig jegens contractant en wordt veroordeeld tot schadevergoeding van €4.488,39 plus rente en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Den Haag
NAV/c
Zaak-/rolnr.: 11860318 RL EXPL 25-16127
30 april 2026
Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:
[eiseres] ,te dezen handelende ten behoeve van de gemeenschap, in haar hoedanigheid van wettelijk erfgenaam van
[erflater](hierna te noemen: contractant),
wonende te [woonplaats] ,
eiseres in conventie in de hoofdzaak,
verweerster in reconventie in de hoofdzaak en in het incident,
hierna te noemen: [eiseres] ,
gemachtigde: mr. G. van Dijk (Leaseproces),
tegen
de besloten vennootschap DEXIA NEDERLAND B.V.,
gevestigd en kantoorhoudende te Amsterdam,
gedaagde in conventie in de hoofdzaak,
eiseres in reconventie in de hoofdzaak en in het incident,
hierna te noemen: Dexia,
gemachtigde: USG Legal Professionals B.V.

1.De kern van de zaak

1.1.
Contractant heeft via een tussenpersoon een effectenleaseovereenkomsten gesloten met (de rechtsvoorganger van) Dexia. Die overeenkomst hield het volgende in. Contractant
leende geld van Dexia, stelde dit vervolgens ter beschikking van Dexia en met dat geld kocht Dexia aandelen. Contractant betaalde met name rente (inleg) per maand. Aan het einde van de overeenkomst werden de aandelen verkocht en moest contractant het geleende bedrag terugbetalen. In dit geval was de waarde van die aandelen bij verkoop zodanig dat contractant verlies heeft geleden. In deze zaak gaat het om de vraag of Dexia de door contractant geleden schade helemaal moet vergoeden.
1.2.
Er is al veel rechtspraak over overeenkomsten zoals hier aan de orde en de kantonrechter sluit in deze zaak daarbij aan. Dat betekent dat Dexia de door contractant geleden schade helemaal moet vergoeden.

2.De procedure

2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 27 augustus 2025;
  • de conclusie van antwoord in conventie tevens houdende eis in reconventie, met
  • de conclusie van repliek in conventie en van antwoord in reconventie;
  • de conclusie van dupliek in conventie en van repliek in reconventie;
  • de conclusie van dupliek in reconventie tevens houdende akte uitlating producties
2.2.
Ten slotte is partijen meegedeeld dat vonnis wordt gewezen.

3.De feiten

3.1.
Contractant heeft de volgende effectenleaseovereenkomst ondertekend waarop hij als lessee stond vermeld, met als wederpartij (de rechtsvoorgangster van) Dexia:
Contractnr.
Datum
Naam overeenkomst
Looptijd
Leasesom
39080024
10 maart 2000
AEX Plus Effect
180 mnd
€ 12.252,07
3.2.
Dexia heeft met betrekking tot de overeenkomst een eindafrekening opgesteld met het volgende resultaat:
Datum eindafrekening
Resultaat
30 december 2005
- € 112,49
3.3.
Volgens opgave van Dexia heeft contractant op grond van de overeenkomst in totaal een bedrag van € 4.764,90 aan maandtermijnen aan Dexia betaald. Volgens die opgave heeft contractant geen bedrag aan dividenden ontvangen en € 276,51 aan fiscaal voordeel genoten.
3.4.
De gemachtigde van contractant, Leaseproces, heeft bij brief van 6 december 2005 de nietigheid, vernietiging dan wel ontbinding van de overeenkomst ingeroepen onder meer op grond van onrechtmatige daad. Tevens is het recht voorbehouden ook nog andere gronden aan te voeren.
3.5.
Contractant is op [dag] 2020 overleden. [eiseres] is tezamen met haar broer [naam 1]
(junior)erfgenaam van contractant. In de verklaring van erfrecht staat dat [eiseres] zelfstandig bevoegd is om – kort gezegd – de nalatenschap te vereffenen en te verdelen.
4. De vorderingen en het verweer in conventie en in reconventie in de hoofdzaak en het verzoek in het incident
4.1.
[eiseres] vordert, kort samengevat, dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
  • voor recht zal verklaren dat Dexia onrechtmatig heeft gehandeld jegens contractant
  • voor recht zal verklaren dat contractant en zijn erfgenamen schade hebben geleden
  • Dexia zal veroordelen tot betaling aan [eiseres] ten behoeve van de gemeenschap
  • Dexia zal veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke kosten van [eiseres] ,
  • Dexia zal veroordelen in de proceskosten en de nakosten, met de wettelijke rente
4.2.
Dexia voert verweer tegen de vorderingen van [eiseres] . Het verweer mondt uit in een tegenvordering, waarbij Dexia vordert, dan wel verzoekt, kort samengevat, dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
-
in het incident:
 [eiseres] zal veroordelen om aan Dexia een afschrift te verstrekken van het
intakeformulier waar de door Leaseproces namens [eiseres] in deze procedure
ingenomen feitelijke stellingen aan zijn ontleend, althans van andere schriftelijke
documenten waar die stellingen aan ontleend zijn,
-
in de hoofdzaak:
  • [eiseres] zal veroordelen om aan Dexia te betalen een bedrag van € 37,50, met de
  • voor recht zal verklaren dat Dexia met betrekking tot de tussen haar en contractant
  • [eiseres] zal veroordelen in de proceskosten.
4.3.
Op de stellingen en verweren van partijen zal voor zover nodig hierna nader worden ingegaan.
5. De beoordeling van de vorderingen in conventie en in reconventie in de hoofdzaak en het verzoek in het incident
algemeen
5.1.
Het gaat in deze zaak om een financieel product dat tussen 1990 en 2003 in Nederland ongeveer één miljoen keer is verkocht, namelijk een effectenleaseovereenkomst. Kenmerk van dit product is, dat de afnemer van het product met geleend geld belegt. Na het instorten van de aandelenmarkt zijn vele afnemers geconfronteerd met restschulden en andere verliezen. In de afgelopen decennia zijn in Nederland hierover duizenden procedures gevoerd, waarbij Dexia vaak één van de procespartijen was. Door belangenbehartigers van afnemers en vertegenwoordigers van aanbieders van deze producten is, in het kader van de WCAM, een regeling getroffen, die bij beschikking van het gerechtshof Amsterdam van 25 januari 2007 algemeen verbindend is verklaard. Enkele tienduizenden afnemers hebben deze regeling niet geaccepteerd en tijdig een opt-out-verklaring ingediend, onder wie contractant.
5.2.
De procedures hebben geleid tot veel jurisprudentie, waaronder verschillende richtinggevende arresten van de Hoge Raad. Deze jurisprudentie is bij de gemachtigden van partijen bekend. [1] Deze jurisprudentie wordt bij de beoordeling van de vorderingen als leidraad genomen. Door partijen zijn geen (althans onvoldoende) bijzondere omstandigheden gesteld die in deze zaak een afwijking daarvan rechtvaardigen.
5.3.
Toepassing van deze jurisprudentie leidt in het onderhavige geval tot de volgende conclusies:
er is sprake van huurkoop;
er is geen sprake van dwaling, misleidende reclame en/of misbruik van omstandigheden; evenmin is er sprake van (ver)nietig(baar)heid krachtens de Wck;
Dexia heeft haar bijzondere zorgplichten geschonden, in elk geval de waarschuwingsplicht, en daardoor onrechtmatig gehandeld;
contractant heeft schade geleden, bestaande uit betaalde termijnen;
er is voldoende causaal verband aanwezig tussen de hiervoor bedoelde schade en de onrechtmatige daad van Dexia.
het incidentele verzoek van Dexia
5.4.
Dexia verzoekt [eiseres] te veroordelen om Dexia een afschrift te verstrekken van het intakeformulier waar de door de gemachtigde van [eiseres] namens [eiseres] in deze procedure ingenomen feitelijke stellingen aan zijn ontleend, althans van andere schriftelijke documenten war die stellingen aan ontleend zijn.
5.5.
Dexia wil kennelijk weten welke gegevens contractant dan wel [eiseres] destijds aan Leaseproces heeft verstrekt en vervolgens in het dossier van Leaseproces terecht zijn gekomen. Het verstrekken van informatie aan een rechtsbijstandverlener over een geschil door middel van een gesprek of een intake- of vragenformulier of anderszins moet onbelemmerd kunnen plaatsvinden. Daarvan is geen sprake meer als een rechtzoekende er rekening mee moet houden dat de aan zijn rechtsbijstandverlener verstrekte gegevens bij zijn wederpartij terecht kunnen komen. Het is van groot belang dat het vertrouwelijke karakter van de informatie-uitwisseling tussen de rechtzoekende en diens rechtsbijstandverlener blijft bestaan. Gesteld noch gebleken is dat sprake is van een hoge uitzondering die maakt dat in dít geval van de beroepsbeoefenaar kan worden verlangd zich niet op zijn verschoningsrecht te beroepen. Al met al oordeelt de kantonrechter dat het incidentele verzoek van Dexia moet worden afgewezen.
5.6.
De proceskosten van dit incident komen voor rekening van Dexia omdat zij in het ongelijk wordt gesteld. De proceskosten aan de zijde van [eiseres] worden begroot op € 87,00.
verjaring
5.7.
Dexia heeft zich beroepen op verjaring. Dexia constateert dat contractant op [dag] 2020 is overleden. Namens hem is in 2017 voor het laatst een poging tot stuiting van de verjaring gedaan. De eerstvolgende stuitingshandeling van Leaseproces dateert uit 2021, maar die is niet namens contractant verricht en, gelet op het feit dat [eiseres] pas in juni 2025 een volmacht aan Leaseproces verleende, ook niet namens haar. Dit betekent volgens Dexia dat de vorderingen in verband met de overeenkomst zijn verjaard, nu er in de tussenliggende periode geen geldige stuitingshandeling door contractant of [eiseres] heeft plaatsgevonden.
5.8.
De kantonrechter is van oordeel dat het beroep van [eiseres] op bekrachtiging ex artikel 3:69 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) slaagt en acht daarvoor het volgende redengevend. Als gevolg van het overlijden van contractant is de volmacht van Leaseproces geëindigd. Desondanks heeft Leaseproces in oktober 2021 mede namens (de erfgenamen van) contractant een brief aan Dexia verstuurd. Leaseproces (en met haar Dexia) ging er vanuit dat zij op dat moment nog steeds gevolmachtigde van (de erfgenamen van) contractant was. Lid 1 van het hiervoor genoemde artikel geeft de volmachtgever, waaronder tevens moet worden verstaan zijn rechtsopvolger(s), de mogelijkheid om met terugwerkende kracht alsnog een rechtshandeling te bekrachtigen. [eiseres] heeft Leaseproces in juni 2025 (nogmaals) gevolmachtigd om ten behoeve van de gemeenschap op te treden en tevens om mogelijke stuitingshandelingen te bekrachtigen, aldus de als productie B bij dagvaarding overgelegde volmacht. Dexia heeft niet weersproken dat dit een geldige volmacht is, dat [eiseres] een dergelijke bevoegdheid toekomt en evenmin dat zij van deze volmacht op de hoogte is gebracht. Dit betekent dat een eventuele verjaring van de vordering van contractant steeds tijdig is gestuit, temeer nu gesteld noch gebleken is dat de vordering van contractant reeds voor 2017 is verjaard.
tussenpersoon
5.9.
Contractant heeft de overeenkomst met Dexia afgesloten via de tussenpersoon Happy Service Financieel Advies (hierna te noemen: de tussenpersoon). Tussen partijen is niet in geschil dat de tussenpersoon niet beschikte over de voor beleggingsadvieswerkzaamheden noodzakelijke vergunning. In de prejudiciële beslissing van 10 juni 2022 [2] heeft de Hoge Raad uitgelegd in welke gevallen Dexia heeft gecontracteerd in strijd met het verbod van artikel 41 NR Pro 1999 (dan wel met het daarmee materieel overeenkomende artikel 25 NR Pro 1995). Daarvan is volgens de Hoge Raad sprake als de afnemer een effectenleaseovereenkomst is aangegaan nadat de daarbij optredende tussenpersoon (zonder te beschikken over de daarvoor benodigde vergunning), tevens – naar Dexia wist of behoorde te weten – als financieel adviseur is opgetreden door advies te geven. De Hoge Raad heeft, zoals (de gemachtigden van) partijen bekend is, bepaald dat het moet gaan om een gepersonaliseerde aanbeveling, waarbij een aantal omstandigheden zijn genoemd, die bij de beoordeling daarvan van belang kunnen zijn. Ook indien niet wordt vastgesteld dat die omstandigheden zich voordoen, bestaat de mogelijkheid dat de tussenpersoon toch een gepersonaliseerde aanbeveling heeft gedaan als door de Hoge Raad bedoeld, namelijk een aanbeveling die is voorgesteld als geschikt voor de betrokken afnemer ook als dat onder omstandigheden als een ‘verkooppraatje’ kan worden gekarakteriseerd.
5.10.
De stelplicht en bewijslast dat de tussenpersoon contractant heeft geadviseerd en dat Dexia wetenschap had of behoorde te hebben van het feit dat de tussenpersoon contractant, anders dan in algemene zin, een persoonlijk en specifiek op dit product toegesneden advies heeft verstrekt, rusten op [eiseres] als de partij die zich op de rechtsgevolgen van het onrechtmatig handelen van Dexia beroept. De door [eiseres] gestelde feiten en omstandigheden dienen voldoende concreet te zijn en zo mogelijk voorzien van onderbouwing. Voor zover Dexia de gestelde feiten en omstandigheden betwist, dient die betwisting eveneens voldoende gemotiveerd te zijn. Bij de beoordeling of de stellingen voldoende concreet en onderbouwd zijn en of het verweer voldoende gemotiveerd is weegt mee dat beide partijen al zeer lange tijd – in elk geval sinds de opt-out door contractant in 2007 – weten dat over de totstandkoming van de overeenkomst en de afwikkeling daarvan een gerechtelijke procedure gevoerd zal (kunnen) worden, zodat van hen verlangd mag worden de voor hun procespositie relevante informatie en stukken te hebben verzameld en bewaard.
5.11.
[eiseres] stelt over de feitelijke gang van zaken het volgende:
“De adviseur van de tussenpersoon, mevrouw [naam 2] (…), was de schoonzus van contractant en heeft met contractant gesproken over haar nieuwe baan als financieel adviseur bij de tussenpersoon. In het kader daarvan stelde de adviseur voor om bij contractant thuis langs te komen voor een financieel adviesgesprek. Contractant had hier wel interesse in en heeft hiermee ingestemd.
Tijdens het gesprek heeft de adviseur geïnformeerd naar de wensen en de financiële situatie van contractant. Zo is met de adviseur gesproken over het inkomen en de maandlasten van contractant en was zij op de hoogte van zijn gezinssituatie. Zo wist zij dus dat contractant destijds een kleinzoon had. Daarnaast is met de adviseur gesproken over de wens van contractant om te sparen voor de studie van zijn kleinzoon. De adviseur gaf aan dat het mogelijk was om dit doel te bereiken en dat zij hier een geschikt product voor wist.
De adviseur adviseerde contractant om een AEX Plus Effect product van Bank Labouchere af te sluiten met een maandelijkse inleg van NLG 150,-. Aan de hand van de financiële ruimte van contractant heeft de adviseur een maandelijkse inleg van NLG 150,- geadviseerd. Volgens de adviseur zou contractant op deze wijze aanzienlijk vermogen opbouwen, waardoor contractant in de toekomst de studie van zijn kleinzoon zou kunnen bekostigen. Contractant zou een veel hoger rendement behalen met het AEX Plus Effect product dan met een gewone spaarrekening, aldus de adviseur. De adviseur ondersteunde haar verhaal aan de hand van een rekenvoorbeeld (…).
De adviseur heeft contractant niet geïnformeerd over de specifieke risico’s. Zo heeft zij er niet op gewezen dat met geleend geld werd belegd en dat bij tegenvallende koersontwikkelingen, de inleg geheel verloren kon gaan en er bovendien een schuld kon ontstaan uit hoofde van de effectenleaseovereenkomst. Als contractant op deze risico’s gewezen was, had hij het AEX Plus Effect product nooit afgesloten.
Contractant had geen ervaring met beleggen of kennis van complexe financiële producten en vertrouwde daarom volledig op de deskundigheid van de adviseur en haar advies. Om deze reden heeft contractant het advies van de adviseur opgevolgd en een AEX Plus Effect product van Bank Labouchere afgesloten met een maandelijkse inleg van NLG 150,-. De aanvraag voor het AEX Plus Effect product is door de adviseur in orde gemaakt en de uiteindelijke overeenkomst is op een later moment ondertekend.”
5.12.
[eiseres] heeft, ter onderbouwing van haar stellingen, gewezen op de volgende stukken die in het geding zijn gebracht:
  • een kopie van de overeenkomst van 10 maart 2000 met contractnummer 39080024,
  • een schermafbeelding van de toenmalige website van de tussenpersoon waarop
aanhoudingsverzoek
5.13.
Dexia heeft grote bezwaren tegen de – door haar zo genoemde – ‘bewijsconstructie’ omtrent de advisering door tussenpersonen die in de jurisprudentie van de rechtbanken vaak wordt gehanteerd. Voor het geval de kantonrechter bij de beoordeling van deze zaak het voornemen heeft gebruik te maken van diezelfde constructie/redenering, heeft Dexia verzocht om de zaak aan te houden in verband met door haar ingestelde cassatieberoepen tegen drie arresten van de gerechtshoven 's-Hertogenbosch en Arnhem-Leeuwarden. De bewuste redenering omtrent het bewijs is onderwerp van deze cassatieberoepen.
5.14.
Het verzoek van Dexia wordt niet gehonoreerd, omdat de jurisprudentie van de gerechtshoven op dit punt de juistheid van de door de rechtbanken gevolgde redenering vooralsnog bevestigt. Er is bovendien geen concrete indicatie dat de Hoge Raad de betreffende arresten mogelijk gaat vernietigen.
(nieuwe) argumenten Dexia
5.15.
Dexia heeft tegen de bewuste redenering (nieuwe) argumenten aangevoerd. Die komen er, kort gezegd, op neer:
  • dat ten onrechte de gemachtigde van [eiseres] op haar woord wordt geloofd,
  • dat zonder verder bewijs wordt aangenomen dat sprake is geweest van advisering
  • dat ten onrechte wordt aangenomen dat op Dexia een onderzoeks- en
  • dat Dexia ten onrechte niet wordt toegelaten tot (tegen)bewijs.
5.16.
Deze argumenten gaan niet op. Bij de beoordeling van deze zaak geldt – evenals in vergelijkbare zaken – als uitgangspunt dat, zoals [eiseres] onderbouwd heeft gesteld en Dexia onvoldoende heeft weersproken, tussenpersonen een gebruikelijke werkwijze hadden. Daarbij bracht de adviseur van de tussenpersoon steeds de situatie en de wensen van een klant in kaart en stelde in aansluiting daarop een bepaald effectenleaseproduct als geschikt voor. Dexia wist dat. [3] [4] Met de stellingen omtrent de concrete feiten en omstandigheden ten aanzien van de advisering in het geval van contractant heeft [eiseres] , tegen de achtergrond van de beschreven gebruikelijke werkwijze, voldoende onderbouwd gesteld dat sprake is geweest van vergunningplichtige advisering. Dat betekent dat Dexia, om tot (tegen)bewijs te worden toegelaten, niet kan volstaan met een betwisting in algemene termen van de door [eiseres] geschetste gang van zaken. Zij had daarvoor meer concreet moeten maken dat en waarom volgens haar destijds in dit geval geen sprake is geweest van advisering, door uiteen te zetten op welke wijze de overeenkomst dan wel tot stand was gekomen. Nu zij dat niet heeft gedaan, heeft zij de stelling van [eiseres] dat sprake is geweest van vergunningplichtige advisering onvoldoende gemotiveerd weersproken. Deze stelling moet daarom als vaststaand worden aangenomen. Daarom wordt niet aan bewijslevering toegekomen. Dat de gemachtigde van [eiseres] in een andere zaak mogelijk in de processtukken een onjuiste weergave van de geschetste gang van zaken heeft opgenomen, betekent niet zonder meer dat zij in alle zaken een onbetrouwbare weergave van de feiten geeft. Van Dexia mag worden verwacht dat zij toelicht waarom daarvan in dit specifieke geval sprake is. Als de door [eiseres] beschreven wijze van advisering niet klopt, kan Dexia dit immers weerspreken door te omschrijven hoe het volgens haar is gegaan. Dat Dexia dat volgens haar stellingen niet kan, omdat zij op geen enkele wijze betrokken is geweest bij het contact tussen contractant en de adviseur van de tussenpersoon en er voor haar geen aanleiding was eerder onderzoek te doen omdat contractant, althans [eiseres] , pas zeer laat een beroep heeft gedaan op advisering, komt voor haar rekening en risico. Zij heeft er destijds immers van afgezien om eigen voorlichting te geven aan potentiële klanten zoals contractant en gebruik gemaakt van tussenpersonen voor de afzet van haar producten. Anders dan Dexia meent betekent het voorgaande niet dat op haar een onderzoeks- of vastleggingsplicht rust, maar slechts dat het mogelijk ontbreken van onderbouwing van haar betwisting, voor haar rekening en risico komt.
wetenschap Dexia5.17. In dit geval is niet gebleken dat Dexia concrete wetenschap heeft gehad van de advisering van de tussenpersoon aan contractant. Zij had die wetenschap echter wel behoren te hebben. Ten eerste had zij, nu zij gebruik maakte van tussenpersonen, moeten weten wat hun gebruikelijke werkwijze was. Daarnaast lag het op de weg van Dexia om voorafgaand aan de totstandkoming van een overeenkomst met een klant actief navraag te doen bij de tussenpersoon of de desbetreffende klant de overeenkomst zou aangaan op advies van de tussenpersoon. Aan de hand van de in dat verband ontvangen informatie had Dexia kunnen en moeten beoordelen of zij de overeenkomst met contractant kon en mocht sluiten. Dat Dexia in deze zaak enig concreet hierop gericht onderzoek heeft verricht, is gesteld noch gebleken. Dat moet, gelet op het voorgaande, voor haar rekening en risico blijven. De betwisting door Dexia van de stelling dat zij kon weten dat sprake was van vergunningplichtige advisering is dan ook onvoldoende onderbouwd. Daardoor komt de geobjectiveerde wetenschap ook in dit concrete geval vast te staan. Aan bewijslevering wordt niet toegekomen.
aansprakelijkheid Dexia5.18. Nu Dexia ondanks het voorgaande toch met contractant de overeenkomst is aangegaan, heeft zij jegens contractant onrechtmatig gehandeld. Dit moet Dexia zwaar worden aangerekend. Weliswaar zijn aan contractant omstandigheden toerekenbaar die tot de schade hebben bijgedragen, maar vanwege de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten, eist de billijkheid in beginsel dat de vergoedingsplicht van Dexia geheel in stand blijft. [5] Weliswaar kunnen er situaties zijn waarin voldoende reden is om een deel van de schade op grond van artikel 6:101 BW Pro voor rekening van contractant te doen komen, maar in dit geval zijn dergelijke feiten en omstandigheden niet aanwezig. De schade komt dan ook geheel voor rekening van Dexia.
vorderingen van [eiseres] in conventie5.19. De door [eiseres] gevorderde verklaringen voor recht zullen daarom worden toegewezen, in die zin dat voor recht wordt verklaard dat Dexia onrechtmatig jegens contractant heeft gehandeld door contractant als cliënt te accepteren terwijl zij behoorde te weten dat de tussenpersoon contractant niet alleen als klant aanbracht maar contractant tevens persoonlijk had geadviseerd en de tussenpersoon geen vergunning daarvoor bezat.
5.20.
De als gevolg hiervan geleden schade kunnen partijen inmiddels berekenen. De voor vergoeding in aanmerking komende schade bestaat uit de door de afnemer betaalde inleg (termijnbetalingen en eventuele aflossingen) en het niet vergoede gedeelte van de (fictieve) restschuld. Daarnaast dient rekening gehouden te worden met te verrekenen genoten voordelen, waaronder daadwerkelijk ontvangen dividenduitkeringen, fiscale voordelen en een eventueel in aanmerking te nemen batig saldo uit voorgaande overeenkomsten. Een en ander volgens het door Dexia overgelegde financiële overzicht waarvan de juistheid door [eiseres] , behoudens het daarin genoemde openstaande bedrag aan restschuld, niet of onvoldoende gemotiveerd is betwist. In het geval reeds eerder een schadevergoeding door Dexia is betaald, geldt ten aanzien van de verrekening daarvan hetgeen is overwogen in de beslissing van de Rechtbank Amsterdam van 25 november 2021 (ECLI:NL:RBAMS:2021:7910). De wettelijke rente is verschuldigd over het door Dexia te restitueren bedrag volgens de uitgangspunten als geformuleerd in HR 1 mei 2015 (ECLI:NL: HR:2015:1198) en HR 3 februari 2017 (ECLI:NL:HR:2017:164, r.o. 3.6.3).
5.21.
[eiseres] heeft, met inachtneming van de uitgangspunten zoals weergegeven in r.o. 5.20, de schade als volgt berekend:
Betaalde inleg € 4.764,90
Betaalde restschuld
€ 112,49
Totaal betaald€ 4.877,39
Fiscaal voordeel
€ 276,51
Totaal voordeel€ 276,51
Schade € 4.600,88
Dexia betwist de hoogte van de schade. Volgens Dexia gaat [eiseres] er ten onrechte vanuit dat de restschuld reeds is voldaan. [eiseres] heeft de kantonrechter niet met betaalbewijzen laten zien dat - zoals zij aanvoert - de restschuld aan Dexia is betaald. De kantonrechter stelt de schade daarom vast op een bedrag van € 4.488,39.
5.22.
Een vergoeding voor buitengerechtelijke kosten is niet aan de orde. Niet gebleken is dat er meer of andere werkzaamheden aan de orde zijn geweest dan die, welke genoemd zijn in het arrest van de Hoge Raad van 12 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:590.
5.23.
Gelet op het voorgaande behoeven de andere door [eiseres] aangevoerde gronden geen nadere bespreking.
vorderingen Dexia in reconventie
5.24.
Gelet op de beoordeling in conventie worden de vorderingen van Dexia afgewezen.
proceskosten
5.25.
Nu [eiseres] inhoudelijk gelijk krijgt, is Dexia aan te merken als de in het ongelijk te stellen partij. Dexia zal worden veroordeeld in de proceskosten (inclusief nakosten) aan de zijde van [eiseres] gevallen. Omdat het partijdebat in reconventie is samengevallen met het debat in conventie worden de kosten in reconventie tot op heden begroot op nihil. De proceskosten van [eiseres] in conventie worden begroot op:
- dagvaarding € 144,47
- griffierecht € 90,00
- salaris gemachtigde € 576,00 ( x tarief € 288,00)
- nakosten
€ 144,00
Totaal € 954,47
5.26.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten zal als na te melden worden toegewezen.

6.De beslissing

De kantonrechter
in het incident van Dexia
6.1.
wijst het verzoek af,
6.2.
veroordeelt Dexia in proceskosten van [eiseres] , tot op heden begroot op € 87,00,
in conventie
6.3.
verklaart voor recht dat Dexia onrechtmatig jegens contractant heeft gehandeld door contractant als cliënt te accepteren terwijl zij behoorde te weten dat de tussenpersoon contractant niet alleen als klant aanbracht maar contractant tevens persoonlijk had geadviseerd en de tussenpersoon geen vergunning daarvoor bezat,
6.4.
verklaart voor recht dat contractant en zijn erfgenamen schade hebben geleden als gevolg van het onrechtmatig handelen van Dexia en dat Dexia gehouden is die schade ten behoeve van de gemeenschap aan [eiseres] te vergoeden,
6.5.
veroordeelt Dexia om binnen drie weken na betekening van dit vonnis ten behoeve van de gemeenschap aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 4.488,39, vermeerderd met de wettelijke rente daarover een en ander zoals weergegeven in r.o. 5.20.,
6.6.
veroordeelt Dexia in de proceskosten van € 954,47, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als Dexia niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet Dexia ook de kosten van betekening betalen,
6.7.
veroordeelt Dexia in de wettelijke rente over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan,
6.8.
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad,
6.9.
wijst het meer of anders gevorderde af,
in reconventie
6.10.
wijst de vorderingen af,
6.11.
veroordeelt Dexia in de kosten van de procedure, aan de zijde van [eiseres] gevallen, tot op heden begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. E.A.W. Schippers, kantonrechter, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 30 april 2026.

Voetnoten

1.In het bijzonder gaat het om de arresten van de Hoge Raad van 28 maart 2008 (ECLI:NL:HR:2008:BC2837), 5 juni 2009 (ECLI:NL:HR:2009:BH 2815), 29 april 2011 (ECLI:NL:HR:2011:BP4003), 3 februari 2017 (ECLI:NL:HR: 2017:164) en 12 april 2019 (ECLI:NL:HR:2019:590) en de arresten van het gerechtshof Amsterdam van 1 december 2009 (ECLI:NL: GHAMS:2009:BK4981) en 1 april 2014 (ECLI:NL:GHAMS:2014:1135).
2.Hoge Raad 10 juni 2022, ECLI :NL:HR:2022:862.
3.Vergelijk gerechtshof Arnhem Leeuwarden 16 mei 2023 ECLI:NL:GHARL:2023:4177, gerechtshof ’s Hertogenbosch 10 december 2024 ECLI:NL:GHSCHE:2024:3936, gerechtshof Arnhem Leeuwarden 11 februari 2025 ECLI:NL:GHARL:2025:684, ECLI:NL:GHARL:2025:686, ECLI:NL:GHARL:2025:687, ECLI:NL:GHARL:2025:688 en ECLI:NL:GHARL:2025:689, gerechtshof Amsterdam 11 februari 2025 ECLI:NL:GHAMS:2025:379.
4.Zie bijvoorbeeld Hoge Raad 9 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:882.
5.Hoge Raad 2 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2012 r.o. 5.6 en 5.7. Deze lijn is nadien bevestigd in de arresten van de Hoge Raad van 12 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1935, en van 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:862.