Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:10313

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
30 april 2026
Publicatiedatum
1 mei 2026
Zaaknummer
NL26.19936
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 EVRMArt. 4 HandvestArt. 17 DublinverordeningArt. 31 DublinverordeningArt. 32 Dublinverordening
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening en medische risico's

De rechtbank Den Haag heeft het beroep van eiser tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie beoordeeld om zijn asielaanvraag niet in behandeling te nemen omdat Spanje volgens de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling.

Eiser stelde dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten onrechte werd toegepast vanwege tekortkomingen in Spanje, met name gezien zijn hartklachten en afhankelijkheid van cardiologische zorg. Hij voerde aan dat de minister onvoldoende onderzoek had gedaan naar de toegang tot medische zorg en geen individuele garanties had gevraagd.

De rechtbank oordeelde dat de minister terecht mocht uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en dat eiser onvoldoende concrete en objectieve gegevens had aangeleverd om dit te weerleggen. Ook was geen sprake van een reëel risico op een aanzienlijke en onomkeerbare verslechtering van zijn gezondheidstoestand bij overdracht aan Spanje, zoals vereist volgens het arrest C.K.

Verder stelde de rechtbank vast dat de minister niet verplicht was om op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening de aanvraag aan zich te trekken, omdat eiser geen bijzondere individuele omstandigheden aannemelijk had gemaakt.

Het beroep werd ongegrond verklaard, waardoor het besluit van de minister in stand blijft en eiser geen proceskostenvergoeding ontvangt.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.19936

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 april 2026 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. L. Sinoo),
en

de minister van Asiel en Migratie.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 9 april 2026 niet in behandeling genomen omdat Spanje verantwoordelijk is voor de aanvraag.
1.1.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting. [1]

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. [2] In dit geval heeft Nederland bij Spanje een verzoek om overname gedaan. Spanje heeft dit verzoek aanvaard.
Kan ten aanzien van Spanje worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?
5. Eiser betoogt dat de minister ten onrechte is uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Spanje. Hij voert aan dat uit het AIDA Country Report Spanje 2024 met update 2025 blijkt dat Dublinclaimanten bij aankomst worden geconfronteerd met tekortkomingen in de registratie en toegang tot de opvangprocedure. Gelet op zijn hartklachten en afhankelijkheid van cardiologische zorg stelt eiser dat de minister onvoldoende heeft onderzocht of hij daadwerkelijk en tijdig toegang zal hebben tot medische zorg van gelijkwaardig niveau. Hij verwijst naar de uitspraak van deze rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht van 16 augustus 2023 [3] waaruit volgt dat het AIDA-rapport bij de individuele omstandigheden moet worden betrokken en dat alleen een algemeen beroep op het interstatelijk vertrouwensbeginsel onvoldoende is indien concrete zorgen over medische toegang bestaan. Volgens eiser had de minister individuele garanties moeten vragen aan de Spaanse autoriteiten vanwege zijn medische situatie.
5.1.
De rechtbank overweegt als volgt. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) volgt dat de minister ten aanzien van Spanje in beginsel mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. [4] Dit betekent dat de minister ervan mag uitgaan dat Spanje zijn internationale verplichtingen nakomt en dat een vreemdeling bij overdracht niet in strijd artikel 3 van Pro het EVRM en artikel 4 van Pro het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest) zal worden behandeld. Dit vermoeden is weerlegbaar. Het is aan eiser om met concrete en objectieve gegevens aannemelijk te maken dat in zijn geval niet van dit beginsel kan worden uitgegaan en dat hij bij overdracht een reëel risico loopt op een dergelijke behandeling.
5.2.
De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser hierin niet is geslaagd. De door eiser aangehaalde AIDA-rapporten van 2024 en 2025 geven, gelet op de recente rechtspraak van de Afdeling, geen wezenlijk ander beeld van de situatie in Spanje dan reeds eerder is beoordeeld. Daaruit blijkt wel dat er problemen bestaan in de opvang en asielprocedure, maar niet dat sprake is van structurele tekortkomingen die de bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken als bedoeld in het arrest Jawo. [5] Ook de door eiser aangehaalde uitspraken van rechtbanken leiden niet tot een ander oordeel. De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat deze uitspraken zien op specifieke individuele omstandigheden of motiveringsgebreken en dat die situaties niet vergelijkbaar zijn met die van eiser. Daarbij heeft de minister terecht betrokken dat Spanje het claimverzoek heeft aanvaard en daarmee heeft gegarandeerd de asielaanvraag van eiser in behandeling te nemen.
5.3.
Voor zover eiser vreest dat zijn medische situatie hem bijzonder kwetsbaar maakt, overweegt de rechtbank dat de minister in die enkele vrees terecht geen aanleiding heeft gezien om ten aanzien van eiser een bijzondere kwetsbaarheid aan te nemen als bedoeld in het arrest Tarakhel. [6] De bewijslast op dit punt ligt bij eiser. De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser zijn medische problemen niet heeft onderbouwd met documenten en dat Spanje dezelfde medische verzorgingsmogelijkheden heeft als Nederland. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij geen toegang zal hebben tot medische zorg of dat hij zich bij problemen niet tot de (hogere) autoriteiten kan wenden. De minister heeft verder terecht verwezen naar artikel 31 en Pro 32 van de Dublinverordening, waarin waarborgen zijn opgenomen om de overdracht van personen die medische zorg nodig hebben op zorgvuldige wijze te laten plaatsvinden. Gelet hierop heeft de minister geen individuele garanties hoeven vragen. De beroepsgrond slaagt niet.
Leidt overdracht aan Spanje, gelet op het arrest C.K., tot een reëel risico op een aanzienlijke en onomkeerbare verslechtering van de gezondheidstoestand?
6. Eiser betoogt dat de overdracht aan Spanje op zichzelf leidt tot een schending van artikel 3 van Pro het EVRM en artikel 4 van Pro het Handvest. Hij voert ook in dit verband aan dat hij lijdt aan hartklachten en dat deze zijn verergerd als gevolg van het negatieve besluit. Volgens eiser levert de fysieke inspanning van de reis en de gedwongen overdracht een reëel en bewezen risico op van een aanzienlijke en onomkeerbare verslechtering van zijn gezondheidstoestand. Hij verwijst onder meer naar het C.K. arrest waaruit volgt dat de gevolgen van de overdracht zelf individueel moeten worden beoordeeld. Eiser stelt dat de minister zijn vergewisplicht heeft geschonden door geen advies te vragen aan het Bureau Medische Advisering (BMA) en geen individuele garanties te verkrijgen van de Spaanse autoriteiten over medische opvang en continuïteit van behandeling. Daarnaast verwijst eiser naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond van 11 november 2024 [7] waaruit volgt dat de minister bij objectieve medische gegevens niet kan volstaan met een beroep op het interstatelijk vertrouwensbeginsel.
6.1.
De rechtbank overweegt als volgt. Uit het arrest C.K. [8] volgt dat overdracht achterwege moet blijven indien deze leidt tot een reëel risico op een aanzienlijke en onomkeerbare verslechtering van de gezondheidstoestand van de vreemdeling. Het is aan de vreemdeling om dit met objectieve gegevens te onderbouwen.
6.2.
De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat van een situatie als bedoeld in het arrest C.K. niet is gebleken. Eiser heeft zijn gestelde medische klachten niet met medische stukken onderbouwd en heeft geen objectieve gegevens overgelegd waaruit blijkt dat overdracht tot een aanzienlijke en onomkeerbare verslechtering van zijn gezondheid zal leiden. Gelet hierop heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat geen aanleiding bestaat om een onderzoek door het BMA te laten verrichten of nadere individuele garanties te vragen. De enkele stelling dat de fysieke inspanning van de reis en de overdracht aan Spanje een negatief effect zullen hebben op zijn gezondheid is onvoldoende om een situatie als bedoeld in het arrest C.K. aannemelijk te maken. Ook de door eiser aangehaalde uitspraken van rechtbanken leiden, zoals onder 5.2 overwogen, niet tot een ander oordeel, De beroepsgrond slaagt niet.
Had de minister toepassing moeten geven aan artikel 17 van Pro de Dublinverordening?
7. Eiser betoogt dat de minister zijn asielaanvraag op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening aan zich had moeten trekken. Hij voert daartoe aan dat zijn hartklachten, die cardiologische zorg vereisen, een bijzondere individuele omstandigheid vormen. Volgens eiser leidt de combinatie van de gezondheidsrisico’s van de overdracht en de onzekerheid over de continuïteit van medische behandeling in Spanje tot een onevenredige hardheid. Daarnaast stelt hij dat de minister deze omstandigheden onvoldoende kenbaar heeft betrokken in zijn besluitvorming en geen concrete afweging heeft gemaakt van de humanitaire omstandigheden.
7.1.
De rechtbank overweegt als volgt. Op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening heeft de minister een discretionaire bevoegdheid om een asielaanvraag onverplicht aan zich te trekken. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden. De minister heeft zich, zoals hiervoor reeds is geoordeeld, niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de medische klachten van eiser niet met stukken zijn onderbouwd en dat reeds daarom niet is gebleken van bijzondere omstandigheden. Daarbij heeft de minister mogen uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, waaruit volgt dat de medische voorzieningen in Spanje in beginsel van vergelijkbare kwaliteit zijn als in Nederland en toegankelijk zijn voor Dublinclaimanten. Gelet hierop heeft de minister niet ten onrechte afgezien van toepassing van artikel 17 van Pro de Dublinverordening. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het niet in behandeling nemen van eisers asielaanvraag in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A. van Hoof, rechter, in aanwezigheid van
mr. N. Habibi, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht maakt dit mogelijk.
2.Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
4.Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling van 25 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5661 en van 16 maart 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1431.
5.Arrest Jawo van het Hof van Justitie van de Europese Unie (C-163/17, ECLI:EU:C:2019:218).
6.Arrest van 4 november 2014, ECLl:CE:ECHR:2014:1104
8.Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 16 februari 2017 in de zaak C.K. tegen Slovenië (ECLI:EU:C:2017:127)