Art. 8:54 AwbArt. 17 Verordening (EU) nr. 604/2013Art. 3, tweede lid, Verordening (EU) nr. 604/2013Art. 91, tweede lid, Vw 2000
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Bevestiging niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens verantwoordelijkheid Spanje
Appellant, met de Libanese nationaliteit, diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister van Asiel en Migratie nam deze aanvraag niet in behandeling omdat Spanje als verantwoordelijke lidstaat werd aangemerkt op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en de Dublinverordening.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarbij werd geoordeeld dat de minister terecht geen toepassing gaf aan artikel 17 vanPro de Dublinverordening. De persoonlijke ervaringen van appellant in Spanje waren reeds betrokken bij de beoordeling van het vertrouwensbeginsel, en er waren geen bijzondere, individuele omstandigheden die een uitzondering rechtvaardigden.
Appellant stelde in hoger beroep dat de minister de discretionaire bevoegdheid uit paragraaf C2/5 van de Vreemdelingencirculaire 2000 te beperkt toepaste en dat de motivering van het besluit ondeugdelijk was. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de rechtbank ten onrechte niet op alle aspecten van de grief was ingegaan, maar dat dit niet tot vernietiging van het besluit leidt.
De Afdeling bevestigde dat de minister zorgvuldig heeft beoordeeld of Spanje zijn internationale verplichtingen nakomt en of er bijzondere omstandigheden zijn die een uitzondering rechtvaardigen. Er zijn geen nieuwe omstandigheden aangevoerd die een andere beoordeling vereisen. Het hoger beroep is daarom ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd dat de minister terecht de asielaanvraag niet in behandeling heeft genomen.
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 28 februari 2025 in zaak nr. NL25.2854 in het geding tussen:
appellant
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 17 januari 2025 heeft de minister een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
Bij uitspraak van 28 februari 2025 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. B.G. Smouter, advocaat in Arnhem, hoger beroep ingesteld.
De minister heeft op verzoek van de Afdeling schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De minister en appellant hebben nadere stukken ingediend.
Overwegingen
Inleiding
1. Appellant heeft de Libanese nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1992. De minister heeft de aanvraag van appellant niet in behandeling genomen, omdat Spanje daarvoor verantwoordelijk is. Deze uitspraak gaat over de betekenis van de tekst achter het eerste bolletje uit paragraaf C2/5 van de Vc 2000. Daarin staat dat de minister de discretionaire bevoegdheid uit artikel 17 vanPro de Dublinverordening in ieder geval gebruikt als er concrete aanwijzingen zijn dat de voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming verantwoordelijke lidstaat zijn internationale verplichtingen niet nakomt. Dit beleid is opgenomen in de bijlage die deel uitmaakt van deze uitspraak.
Het oordeel van de rechtbank
2. De rechtbank heeft geoordeeld dat de minister zich terecht op het standpunt stelt dat er voor Spanje van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. De rechtbank heeft verder overwogen dat de minister niet ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan artikel 17 vanPro de Dublinverordening. Zij heeft daartoe overwogen dat de door appellant aangevoerde persoonlijke ervaringen in Spanje door de minister in de besluitvorming al zijn betrokken bij de beoordeling of nog mag worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en dat deze daarom niet ook nog hoeven te worden beoordeeld in het kader van artikel 17 vanPro de Dublinverordening. Verder heeft de rechtbank overwogen dat appellant geen andere omstandigheden heeft aangevoerd waaruit volgt dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden, waardoor de minister de aanvraag van appellant aan zich moet trekken.
Grief 1: het interstatelijk vertrouwensbeginsel
3. Wat appellant in zijn eerste grief aanvoert, over het interstatelijk vertrouwensbeginsel voor Spanje, leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat de grief geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
4. In zijn tweede grief klaagt appellant over het oordeel van de rechtbank dat de minister niet ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan artikel 17 vanPro de Dublinverordening. Appellant betoogt dat de minister ondeugdelijk heeft gemotiveerd waarom hij niet aan het vereiste uit paragraaf C2/5, eerste bolletje, van de Vc 2000 heeft voldaan. Volgens appellant is de drempel die in het eerste bolletje wordt gesteld lager dan de drempel uit artikel 3, tweede lid, van de Dublinverordening.
4.1. In zijn reactie op de vragen van de Afdeling heeft de minister gesteld dat aan het eerste bolletje van paragraaf C2/5 van de Vc 2000 geen directe zelfstandige betekenis meer toekomt. Toepassing van artikel 17 vanPro de Dublinverordening is volgens de minister niet nodig, omdat deze verplichting door de rechtspraak van het Hof van Justitie zijn weerslag vindt in artikel 3, tweede lid, van de Dublinverordening.
4.2. Appellant heeft hierop gereageerd en stelt zich op het standpunt dat er een motiveringsgebrek aan het besluit kleeft, omdat de minister alleen heeft beoordeeld of er sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden. Volgens hem legt de minister paragraaf C2/5 van de Vc 2000 te beperkt uit.
Het oordeel van de Afdeling
4.3. De Afdeling merkt allereerst op dat de rechtbank in haar oordeel over de toepassing van artikel 17 vanPro de Dublinverordening vooral op de persoonlijke ervaringen van appellant is ingegaan. Daarover gaat het tweede bolletje van paragraaf C2/5 van de Vc 2000. Appellant heeft in zijn beroepsgrond echter ook een beroep gedaan op het eerste bolletje en op de vraag hoe dit zich verhoudt tot artikel 3, tweede lid, van de Dublinverordening. De rechtbank is daarop ten onrechte niet ingegaan.
4.4. De klacht is terecht voorgedragen, maar de grief leidt niet tot het daarmee beoogde doel. De rechtbank is namelijk terecht tot het oordeel gekomen dat de minister niet ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan artikel 17 vanPro de Dublinverordening. De minister heeft in de besluitvorming allereerst beoordeeld of voor Spanje van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Daarbij heeft de minister in overeenstemming met artikel 3, tweede lid, van de Dublinverordening beoordeeld of appellant aannemelijk heeft gemaakt dat het asiel- en opvangsysteem in Spanje dusdanige tekortkomingen vertoont dat hij bij overdracht aan Spanje een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 vanPro het EVRM of artikel 4 vanPro het EU Handvest. Vervolgens heeft de minister beoordeeld of er bijzondere individuele omstandigheden zijn, waardoor een overdracht aan Spanje leidt tot onevenredige hardheid. In die uitzonderlijke gevallen kan de minister namelijk gebruikmaken van zijn bevoegdheid om het verzoek om internationale bescherming onverplicht in behandeling te nemen. De rechtbank en de minister hebben er daarbij terecht op gewezen dat persoonlijke ervaringen van appellant die al zijn betrokken bij de beoordeling of mag worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, niet nogmaals hoeven te worden betrokken bij de beoordeling in het kader van artikel 17 vanPro de Dublinverordening. Zie de uitspraak van 25 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:717, onder 7.3.
4.5. De Afdeling ziet geen omstandigheden die niet bij deze beoordeling onder artikel 3, tweede lid, en artikel 17 vanPro de Dublinverordening worden betrokken, maar wel zouden moeten worden betrokken bij de beoordeling onder het eerste bolletje van paragraaf C2/5 van de Vc 2000. Ook ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat deze omstandigheden onder het eerste bolletje van paragraaf C2/5 van de Vc 2000 anders gewogen zouden moeten worden dan de minister dat in de beoordeling heeft gedaan. Bij de door de minister verrichte beoordeling wordt immers zowel gekeken naar de vraag of voor Spanje van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan, waarbij ook eventuele eerdere ervaringen van vreemdelingen worden betrokken, als naar andere individuele bijzondere omstandigheden. Appellant heeft geen omstandigheden naar voren gebracht die niet of onvoldoende bij de beoordeling zijn betrokken. De minister is dan ook deugdelijk op alle door appellant aangevoerde omstandigheden ingegaan en de rechtbank is terecht tot het oordeel gekomen dat appellant geen andere omstandigheden naar voren heeft gebracht waaruit blijkt dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden.
4.6. De grief faalt.
Conclusie
5. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank met verbetering van gronden. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. C.M. Wissels, voorzitter, en mr. J.H. van Breda en mr. M. den Heyer, leden, in tegenwoordigheid van mr. N.S. Koelman, griffier.
w.g. Wissels
voorzitter
w.g. Koelman
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 16 maart 2026
1021
BIJLAGE
Relevant beleid uit de Vreemdelingencirculaire 2000 (C)
5. Niet in behandeling nemen
(…)
Discretionaire bepalingen
De IND maakt terughoudend gebruik van de bevoegdheid om het verzoek om internationale bescherming te behandelen op grond van artikel 17, eerste en tweede lid, Verordening (EU) nr.604/2013, als Nederland daartoe op grond van in de verordening neergelegde criteria niet is verplicht.
De IND gebruikt de bevoegdheid om het verzoek om internationale bescherming te behandelen in ieder geval in de volgende situaties:
• er zijn concrete aanwijzingen dat de voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming verantwoordelijke lidstaat zijn internationale verplichtingen niet nakomt;
• bijzondere, individuele omstandigheden maken dat de overdracht van de vreemdeling aan de voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming verantwoordelijke lidstaat van een onevenredige hardheid getuigt; of
• er zijn naar het oordeel van de IND proceseconomische redenen, met name wanneer de vreemdeling afkomstig is uit een veilig land van herkomst en na afhandeling van het verzoek in de procedure conform artikel 3.109ca, Vb, binnen afzienbare tijd terugkeer naar het land van herkomst gewaarborgd is.
De IND kan op grond van artikel 17, tweede lid, Verordening (EU) nr. 604/2013, altijd een andere lidstaat vragen een vreemdeling over te nemen, zolang de IND nog geen beslissing heeft genomen op de aanvraag. Doel hiervan is om gezins- of familierelaties te herstellen op humanitaire gronden, in het bijzonder op grond van familiebanden of op culturele gronden, ook wanneer de andere lidstaat niet verantwoordelijk is. De vreemdelingen moeten hiermee schriftelijk instemmen. De IND behandelt een verzoek van een andere lidstaat om een vreemdeling over te nemen op grond van artikel 17, tweede lid, Verordening (EU) nr. 604/2013 terughoudend. De IND willigt een dergelijk verzoek alleen in, indien er sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden die maken dat het niet herenigen van de vreemdeling getuigt van een onevenredige hardheid.