ECLI:NL:RVS:2025:5661

Raad van State

Datum uitspraak
25 november 2025
Publicatiedatum
21 november 2025
Zaaknummer
BRS.25.001585
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep inzake verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd

In deze zaak gaat het om het hoger beroep van een appellant tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, die op 14 oktober 2025 het beroep van de appellant ongegrond verklaarde. De appellant had op 21 juli 2025 een aanvraag ingediend bij de minister van Asiel en Migratie voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, maar deze aanvraag werd niet in behandeling genomen. De rechtbank oordeelde dat de appellant niet aannemelijk had gemaakt dat er ten aanzien van Spanje niet meer uitgegaan kon worden van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De rechtbank baseerde haar oordeel op het AIDA-rapport "Country Report: Spain. 2024 Update" van 30 april 2025, en concludeerde dat de situatie van de opvangvoorzieningen in Spanje voor Dublinclaimanten niet wezenlijk anders was dan in eerdere uitspraken van de Afdeling. Het hoger beroep van de appellant werd ongegrond verklaard, en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bevestigde de uitspraak van de rechtbank. De minister werd niet verplicht om proceskosten te vergoeden.

Uitspraak

BRS.25.001585
Datum uitspraak: 25 november 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 14 oktober 2025 in zaak nr. NL25.33170 in het geding tussen:
appellant
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 21 juli 2025 heeft de minister een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.
Bij uitspraak van 14 oktober 2025 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. J-A. Nijland, advocaat in Amsterdam, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1.        Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De rechtbank heeft in haar uitspraak namelijk terecht overwogen dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat er ten aanzien van Spanje niet meer uitgegaan kan worden van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Anders dan appellant betoogt, schetst het aangehaalde AIDA-rapport "Country Report: Spain. 2024 Update" van 30 april 2025 geen wezenlijk ander beeld van de situatie van de opvangvoorzieningen in Spanje voor Dublinclaimanten dan volgt uit de landeninformatie die is betrokken in de uitspraken van de Afdeling van 8 juli 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1481, van 27 juli 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2880 en van 24 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2548.
1.1.        Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
2.        Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. A. Kuijer, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.A.M.J. Graat, griffier.
w.g. Kuijer
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Graat
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 25 november 2025
307-1163