ECLI:NL:RBDHA:2025:7297
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Rechtbank stelt ingangsdatum verblijfsvergunning asiel vast op datum uiting asielwens
Eiser vroeg asiel aan en ontving een verblijfsvergunning met als ingangsdatum 14 augustus 2023, de datum van ondertekening van het aanvraagformulier. Eiser betwistte deze ingangsdatum en stelde dat deze moet worden vastgesteld op 8 augustus 2023, de datum waarop hij zijn asielwens uitte en een loopbrief ontving.
De minister voerde aan dat het verschil van zes dagen te gering was om het beroep ontvankelijk te verklaren, maar de rechtbank oordeelde dat eiser wel degelijk belang heeft bij de juiste ingangsdatum, omdat deze bepalend is voor de latere aanspraak op een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd.
De rechtbank volgde de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en stelde vast dat de ingangsdatum moet worden bepaald op het moment van de uiting van de asielwens. De minister had ten onrechte de datum van ondertekening van het formulier als ingangsdatum genomen.
De rechtbank vernietigde het besluit voor zover het de ingangsdatum betrof en stelde deze zelf vast op 8 augustus 2023. Tevens veroordeelde zij de minister tot vergoeding van de proceskosten van € 1.814,-.
Uitkomst: De rechtbank stelt de ingangsdatum van de verblijfsvergunning vast op 8 augustus 2023 en vernietigt het eerdere besluit over de ingangsdatum.