ECLI:NL:RVS:2025:159
Raad van State
- Hoger beroep
- J.H. van Breda
- N. Verheij
- M. Soffers
- Rechtspraak.nl
Vaststelling juiste ingangsdatum verblijfsvergunning asiel na Dublinprocedure
De vreemdelingen meldden zich op 9 maart 2020 bij de IND en dienden toen een asielaanvraag in. De minister stelde de ingangsdatum van hun verblijfsvergunningen echter vast op 29 juni 2022, gebaseerd op de datum van een tweede aanvraag na een eerdere niet-inhoudelijke afhandeling vanwege de Dublinverordening.
De vreemdelingen stelden dat de ingangsdatum de datum van eerste melding en ontvangst van een loopbrief moest zijn, zoals bevestigd in eerdere uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak. De Raad van State oordeelde dat het Unierecht geen vaste ingangsdatum voorschrijft, maar dat de nationale wetgever de ingangsdatum mag koppelen aan het moment van ontvangst van de aanvraag.
De Afdeling benadrukte dat een asielverzoek vormvrij kan worden gedaan en dat het moment van kenbaar maken van de asielwens aan de autoriteiten bepalend is. Omdat de vreemdelingen op 9 maart 2020 hun asielwens kenbaar maakten, werd deze datum als juiste ingangsdatum vastgesteld.
De Raad van State vernietigde de eerdere besluiten en uitspraak van de rechtbank en bepaalde dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde gedeelten. Tevens werd de minister veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdelingen.
Uitkomst: De ingangsdatum van de verblijfsvergunningen asiel wordt vastgesteld op 9 maart 2020 in plaats van 29 juni 2022.