Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 april 2025 in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser
voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,verweerder
Rechtbank Den Haag
Eiser, een minderjarige met de Indonesische nationaliteit, verzocht om een faciliterend visum om bij zijn moeder (referente) in Nederland te verblijven. De aanvraag werd afgewezen omdat niet was aangetoond dat de referente daadwerkelijke zorg- en opvoedingstaken verrichtte en er geen afhankelijkheidsrelatie tussen eiser en referente bestond.
Eiser betoogde dat hij als voorkind voldeed aan de voorwaarden van het Chavez-Vilchez arrest en dat verweerder het gelijkheidsbeginsel had geschonden door andere kinderen van de echtgenoot van referente wel visa toe te kennen. Tevens stelde eiser dat verweerder de hoorplicht in bezwaar had geschonden.
De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht aannam dat de cumulatieve voorwaarden van het arrest niet waren vervuld, mede omdat eiser en referente sinds eind 2022 gescheiden wonen en eiser binnenkort meerderjarig wordt. Ook was er geen objectief bewijs dat de referente zorg- en opvoedingstaken had verricht sinds haar vertrek uit Indonesië.
Verder was het rechtmatig dat verweerder geen hoorzitting hield in bezwaar, omdat redelijkerwijs kon worden vastgesteld dat het bezwaar geen ander besluit zou opleveren. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard, het bestreden besluit bleef in stand en eiser kreeg geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de aanvraag voor een faciliterend visum wordt ongegrond verklaard.