Eiser ontving sinds 2009 bijstand, laatstelijk op grond van de Participatiewet. Het college van burgemeester en wethouders van Den Haag trok zijn recht op bijstand in en vorderde terugbetaling wegens vermoedens dat eiser zijn hoofdverblijf in het Verenigd Koninkrijk had en daar een bankrekening bezat. Dit was gebaseerd op een anonieme melding, informatie van het Department for Work & Pensions (DWP), het Internationaal Bureau Fraude-informatie (IBF) en bankgegevens.
De rechtbank oordeelt dat het college onvoldoende feitelijke grondslag heeft geleverd om aan te tonen dat eiser niet in Nederland woonde en dat hij een buitenlandse bankrekening had. De informatie van het DWP en IBF was tegenstrijdig, onvolledig en deels niet geverifieerd. Het bewijs van het bestaan van een bankrekening bij de Santander-bank kon niet worden bevestigd, mede doordat de bank geen gegevens verstrekte.
De rechtbank verklaart het beroep tegen het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk, maar verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dit voor zover het betrekking heeft op de primaire besluiten. De primaire besluiten worden herroepen. Tevens veroordeelt de rechtbank het college en de Staat tot vergoeding van proceskosten en immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn.