ECLI:NL:RBDHA:2025:5540
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen overdracht aan Frankrijk op grond van Dublinverordening
De zaak betreft een verzoek tot voorlopige voorziening tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om de asielaanvraag van verzoeker niet in behandeling te nemen, omdat Frankrijk volgens de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling.
Verzoeker heeft niet binnen de gestelde termijn van 24 uur een verzoek tot schorsing van de overdracht ingediend, waardoor de voorzieningenrechter het verzoek afwijst. De rechter overweegt dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Frankrijk nog steeds geldt en dat het AIDA-rapport geen aanleiding geeft dit te wijzigen.
De minister heeft op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening discretionaire bevoegdheid om overdracht te weigeren, maar heeft dit niet gedaan omdat er geen sprake is van onevenredige hardheid. De voorzieningenrechter concludeert dat het beroep weinig kans van slagen heeft en dat de overdracht geen onomkeerbare gevolgen heeft, mede omdat terugkeer naar Nederland mogelijk is als Nederland uiteindelijk verantwoordelijk blijkt.
Er is geen aanleiding voor een voorlopige voorziening of proceskostenveroordeling. De uitspraak is in het openbaar gedaan en staat niet open voor hoger beroep of verzet.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de overdracht aan Frankrijk wordt afgewezen.