Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
Beslissing
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Rechtbank Den Haag
Eiser, van Algerijnse nationaliteit, is op 26 februari 2025 in vreemdelingenbewaring gesteld op grond van artikel 59b van de Vreemdelingenwet 2000 vanwege het risico dat hij zich aan het toezicht zou onttrekken. Verweerder baseerde de bewaring op zowel zware als lichte gronden, waaronder eerdere vertrekpogingen met onbekende bestemming en het indienen van een asielaanvraag louter om uitzetting te voorkomen.
Eiser betwistte deze gronden, stelde dat verweerder onvoldoende voortvarend was in de uitzettingsprocedure en dat er geen zicht was op uitzetting binnen een redelijke termijn. Tevens voerde hij aan dat een lichter middel passend zou zijn geweest gezien zijn medische situatie.
De rechtbank oordeelde dat de gronden feitelijk juist en voldoende zijn om de bewaring te dragen. Voortvarendheid is niet vereist voor uitzettingshandelingen, maar wel voor de afwikkeling van de asielaanvraag, waarvoor nog een termijn loopt. Zicht op uitzetting is geen vereiste voor bewaring. Medische omstandigheden waren onvoldoende onderbouwd om een lichter middel te rechtvaardigen.
De ambtshalve toetsing toonde geen onrechtmatigheid. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.