Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
Beslissing
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Rechtbank Den Haag
Eiser, een Oezbeekse vreemdeling, is op 7 maart 2025 in vreemdelingenbewaring gesteld op grond van artikel 59b van de Vreemdelingenwet 2000 vanwege het risico op onttrekking aan toezicht en het verkrijgen van noodzakelijke gegevens voor de beoordeling van zijn asielaanvraag.
Eiser betwist de zware en lichte gronden voor bewaring, waaronder het ontbreken van een geldig reisdocument, het vertrek met onbekende bestemming en het niet naleven van een terugkeerbesluit. De rechtbank oordeelt dat deze gronden feitelijk juist en voldoende gemotiveerd zijn en dat eiser zich niet op het standpunt kan stellen dat hij zich niet aan toezicht zal onttrekken.
Verder stelt eiser dat verweerder onvoldoende voortvarend handelt bij zijn uitzetting en dat er geen zicht is op uitzetting binnen een redelijke termijn. De rechtbank stelt dat voortvarendheid pas vereist is vanaf indiening van een opvolgende asielaanvraag en dat zicht op uitzetting geen voorwaarde is voor bewaring.
Eiser betoogt dat een lichter middel passend zou zijn gezien zijn medische situatie, maar de rechtbank acht de bewaring proportioneel en noodzakelijk gezien het risico op onttrekking en de geboden medische zorg. De ambtshalve toets leidt niet tot een ander oordeel.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst het verzoek om schadevergoeding af. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.