ECLI:NL:RBDHA:2025:3431
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen HTL-plaatsing, vrijheidsbeperking en ROV-maatregel bij COA
Eiser werd op 8 mei 2024 geplaatst in een Handhavings- en Toezichtlocatie (HTL) te Hoogeveen na een incident waarbij hij een medewerker van het COA mishandelde. Tegelijkertijd werd een vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd, die later op 7 augustus 2024 werd opgeheven. Op 12 juli 2024 kreeg eiser een ROV4-maatregel opgelegd na een nieuw incident.
Eiser betwistte de feiten en stelde onder meer dat hij onrechtmatig was vrijheidsbeperkt, dat de HTL-plaatsing een vrijheidsontneming betrof, dat de fouilleringen onrechtmatig waren en dat sprake was van schending van het ne bis in idem-beginsel. De rechtbank oordeelde dat de feiten zoals vastgelegd in het COA-dossier juist zijn en dat de onrechtmatige vrijheidsbeperking slechts kort heeft geduurd waarvoor een schadevergoeding is aangeboden.
De rechtbank stelde dat de HTL-plaatsing en ROV-maatregel bestuursrechtelijke ordemaatregelen zijn en geen punitieve sancties, waardoor het ne bis in idem-beginsel niet van toepassing is. Fouilleringen waren controles en geen fouilleringen in juridische zin. De vrijheidsbeperkende maatregel en ROV-plaatsing zijn niet onrechtmatig en schending van het EVRM werd niet vastgesteld.
De beroepen werden ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen het vonnis staat hoger beroep open voor de beroepen tegen het plaatsingsbesluit en de ROV-maatregel, maar niet tegen de vrijheidsbeperkende maatregel.
Uitkomst: De beroepen tegen het plaatsingsbesluit, de vrijheidsbeperkende maatregel en de ROV-maatregel zijn ongegrond verklaard.