ECLI:NL:RBDHA:2025:2657
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag op grond van Dublinverordening
Eiser heeft een visum gekregen voor Zwitserland om daar een conferentie bij te wonen, maar kan niet terugkeren naar Jordanië omdat de Jordaanse autoriteiten hem de toegang ontzeggen. Hij vraagt asiel in Nederland om gezinshereniging te kunnen aanvragen. Verweerder heeft de asielaanvraag niet in behandeling genomen omdat Zwitserland verantwoordelijk is volgens de Dublinverordening.
Eiser stelt dat verweerder geen individuele overwegingen heeft gemaakt en beroept zich op het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel. De rechtbank oordeelt dat verweerder volstaan heeft met een standaardvoornemen en dat het bestreden besluit voldoende op de zienswijze van eiser is ingegaan.
Eiser betoogt dat verweerder de aanvraag onverplicht had moeten behandelen op grond van artikel 17 Dublinverordening Pro vanwege zijn persoonlijke omstandigheden, zoals de weigering van Jordanië tot terugkeer en de lange wachttijd voor gezinshereniging in Zwitserland. De rechtbank volgt dit niet en acht deze omstandigheden geen bijzondere individuele omstandigheid die overdracht onevenredig hard maakt.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding. De uitspraak is openbaar en kan worden aangevochten bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen.