Eiser, een Turkse staatsburger, vroeg op 24 oktober 2024 een verblijfsvergunning regulier aan voor arbeid als zelfstandige. De minister wees deze aanvraag op 27 november 2024 af omdat eiser geen geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) had en niet voldeed aan de vrijstellingscriteria. Eiser maakte bezwaar, dat op 25 maart 2025 werd afgewezen, waarna hij beroep instelde bij de rechtbank.
De kern van het geschil betrof de herinvoering van het mvv-vereiste voor Turkse burgers per 1 oktober 2022 en de vraag of dit in strijd is met het Turkse Associatierecht en de standstillbepaling van het Aanvullend Protocol. Eiser stelde dat het mvv-vereiste niet goed was onderbouwd, disproportioneel was en discriminatoir.
De rechtbank oordeelde dat het mvv-vereiste een wettelijke grondslag heeft in de Vreemdelingenwet 2000 en het Vreemdelingenbesluit 2000, en dat de minister dit beleid op juiste wijze heeft gemotiveerd. Het mvv-vereiste is gerechtvaardigd door dwingende redenen van algemeen belang, namelijk het effectief beheer van migratiestromen. De maatregel is geschikt en evenredig, mede omdat er een mogelijkheid tot vrijstelling bestaat bij bijzondere individuele omstandigheden, die eiser niet aannemelijk had gemaakt.
Verder concludeerde de rechtbank dat het mvv-vereiste niet discriminatoir is en dat eiser niet gehoord hoefde te worden omdat hij geen relevante nieuwe feiten had aangevoerd. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.