ECLI:NL:RBDHA:2025:24722

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
12 december 2025
Publicatiedatum
22 december 2025
Zaaknummer
NL25.34451
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen buitenbehandelingstelling asielaanvraag en terugkeerbesluit van een Britse asielzoeker

In deze uitspraak van de Rechtbank Den Haag, gedateerd 12 december 2025, wordt het beroep van een Britse asielzoeker behandeld. De eiser had zijn asielaanvraag ingediend op 29 augustus 2022, maar deze was eerder afgewezen als kennelijk ongegrond. De rechtbank had in een eerdere uitspraak op 27 maart 2023 het besluit van de overheid vernietigd en verweerder opgedragen een nieuw besluit te nemen. Op 28 juli 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie echter besloten de aanvraag buiten behandeling te stellen, omdat de eiser Nederland had verlaten en naar Groot-Brittannië was teruggekeerd. De rechtbank oordeelt dat het beroep tegen de buitenbehandelingstelling van de asielaanvraag niet-ontvankelijk is, omdat de eiser geen actueel belang meer heeft bij de beoordeling van deze aanvraag. Echter, het beroep tegen het terugkeerbesluit en het inreisverbod wordt gegrond verklaard. De rechtbank vernietigt het terugkeerbesluit en het inreisverbod, omdat de eiser ten tijde van het besluit niet in Nederland verbleef. De rechtbank veroordeelt de minister tot betaling van proceskosten aan de eiser, vastgesteld op € 1.814,-.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.34451

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. N.C. Blomjous),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. N.F. van der Gouw).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het buiten behandeling laten van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 30c, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) en het uitvaardigen van een terugkeerbesluit en inreisverbod tegen eiser. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het besluit van verweerder.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep, voor zover gericht tegen de buitenbehandelingstelling van de asielaanvraag van eiser, niet-ontvankelijk is. Het beroep, voor zover gericht tegen het terugkeerbesluit en inreisverbod, is gegrond. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2.1.
Bij besluit van 28 juli 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd buiten behandeling gesteld op grond van artikel 30c, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw. Verder heeft verweerder tegen eiser een terugkeerbesluit uitgevaardigd, waarin staat dat hij onmiddellijk moet vertrekken en is aan hem een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd.
2.2.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 4 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het bestreden besluit
3.1.
Eiser is geboren op [geboortedatum] 1993 en heeft de Britse nationaliteit. Hij heeft op 29 augustus 2022 een asielaanvraag ingediend. Deze aanvraag is bij beschikking van 4 oktober 2022 afgewezen als kennelijk ongegrond, omdat Groot-Brittannië een veilig land van herkomst (voor eiser) zou zijn. Bij uitspraak van 27 maart 2023 heeft deze rechtbank, zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch, het beroep van eiser tegen het besluit van 4 oktober 2022 gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en verweerder opgedragen een nieuw besluit te nemen op de asielaanvraag van eiser (ECLI:NL:RBDHA:2023:4317).
3.2.
Op 15 mei 2025 heeft verweerder een voornemen uitgebracht. Hieruit volgt dat verweerder voornemens is de asielaanvraag van eiser af te wijzen.
3.3.
Op 18 juni 2025 heeft verweerder een (tweede) voornemen uitgebracht waaruit volgt dat eiser met onbekende bestemming is vertrokken, zodat verweerder voornemens is zijn aanvraag buiten behandeling te stellen. Aan dit voornemen legt verweerder ten grondslag dat eiser is verdwenen en hij dus de beslissing op zijn asielaanvraag niet heeft afgewacht. Daartoe verwijst verweerder naar informatie van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COa) en informatie van Bureau SIRENE NL waaruit volgt dat eiser op 11 juni 2025 met onbekende bestemming is vertrokken. Van een geldige reden voor het zonder toestemming vertrekken is volgens verweerder niet gebleken. Verweerder stelt eiser in het voornemen in de gelegenheid om binnen twee weken contact op te nemen met de bevoegde autoriteiten, met de mededeling dat als eiser dat niet doet, zijn aanvraag buiten behandeling wordt gesteld.
3.4.
Bij het bestreden besluit van 28 juli 2025 heeft verweerder de asielaanvraag van eiser buiten behandeling gesteld op grond van artikel 30c, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw, omdat gebleken is dat eiser Nederland heeft verlaten en is teruggekeerd naar zijn land van herkomst.
Beoordeling van de beroepsgronden
Procesbelang
4.1.
De rechtbank ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of eiser procesbelang heeft bij de behandeling van dit beroep. Niet in geschil is dat eiser is teruggekeerd naar Groot-Brittannië. Eiser is dus zelfstandig teruggekeerd naar zijn land van herkomst, terwijl hij in Nederland asiel heeft aangevraagd omdat hij in Groot-Brittannië gevaar zou lopen. Naar het oordeel van de rechtbank is dit een voldoende concreet aanknopingspunt om aan te nemen dat eiser geen actueel en reëel belang meer heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep tegen de buitenbehandelingstelling van zijn asielaanvraag. Dat eiser nog contact met zijn gemachtigde onderhoudt over het beroep en stelt nog wel een inhoudelijke beoordeling van zijn asielaanvraag te willen, maakt het voorgaande niet anders. De rechtbank verklaart het beroep tegen de buitenbehandelingstelling van de asielaanvraag daarom niet-ontvankelijk.
4.2.
Eiser heeft wel procesbelang ten aanzien van zijn beroep tegen het terugkeerbesluit en inreisverbod. Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft zonder enig voorbehoud overwogen dat het in artikel 13, eerste lid, van de Terugkeerrichtlijn bedoelde doeltreffende rechtsmiddel openstaat om de rechtmatigheid van een inreisverbod te betwisten (zie het arrest van 27 april 2023, M.D., ECLI:EU:C:2023:341, punt 107). Volgens de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) is deze overweging analoog van toepassing op het eveneens in artikel 13, eerste lid, genoemde terugkeerbesluit.
Dit staat in de uitspraak van de Afdeling van 21 maart 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:1178). Bovendien is aan eiser in het terugkeerbesluit de vertrektermijn onthouden en ligt het onmiddellijke terugkeerbesluit ten grondslag aan het aan eiser opgelegde inreisverbod. Het beroep tegen het terugkeerbesluit en inreisverbod is daarom ontvankelijk. De rechtbank zal dan ook hierna overgaan tot een inhoudelijke beoordeling van dit (deel van het) beroep.
Terugkeerbesluit en inreisverbod
5. Eiser voert aan dat het terugkeerbesluit ten onrechte tegen hem is uitgevaardigd. Het terugkeerbesluit is een belastend besluit, zodat verweerder moet aantonen dat ten tijde van het opleggen daarvan aan de voorwaarden werd voldaan. Er kan niet worden vastgesteld dat eiser ten tijde van het opleggen van het terugkeerbesluit niet rechtmatig in Nederland verbleef. Hij was toen al vertrokken. Daarbij komt dat eiser tot aan zijn vertrek altijd rechtmatig in Nederland heeft verbleven. Er is niet voldaan aan de vereisten van artikel 3, vierde lid, van de Terugkeerrichtlijn. Verder wijst eiser er op dat hij belang heeft bij een zorgvuldige refoulement toetsing. Nu er geen terugkeerbesluit kan worden opgelegd, kan een inreisverbod ook niet worden opgelegd, aldus eiser.
5.1.
Uit vaste jurisprudentie volgt dat voor het terugkeerbesluit volgens artikel 6, eerste lid, van de Terugkeerrichtlijn als voorwaarde geldt dat de onderdaan van een derde land op het grondgebied van een van de lidstaten aanwezig is. De strekking van zo'n besluit is dat een vreemdeling het grondgebied van de lidstaten moet verlaten. De Terugkeerrichtlijn koppelt de bevoegdheid tot het uitvaardigen van het inreisverbod aan het bestaan van een terugkeerbesluit, dat op zijn beurt wel moet zijn genomen op het moment dat de vreemdeling illegaal op het grondgebied van een van de lidstaten verblijft. Dit volgt onder meer uit de uitspraak van de Afdeling van 19 januari 2021 (ECLI:NL:RVS:2021:89, onder 3.3).
5.2.
Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit het bestreden besluit dat eiser bij het uitvaardigen van het terugkeerbesluit in Groot-Brittannië verbleef en dus niet op het grondgebied van Nederland (of de EU). Daarom kon verweerder geen terugkeerbesluit tegen eiser uitvaardigen en om die reden ook geen inreisverbod. De beroepsgrond slaagt.
Dwangsom
6. Eiser voert verder aan dat het verweerder niet vrij staat om al dan niet te besluiten om geen dwangsom uit te keren. Eiser meent dat hij recht heeft op de dwangsom wegens het niet naleven van een door de rechter opgelegde termijn.
6.1.
Voor het vaststellen van de verschuldigdheid en hoogte van een op grond van eerdere uitspraken verbeurde dwangsom moet eiser zich tot de burgerlijke rechter wenden (zie onder meer de uitspraken van de Afdeling van 11 augustus 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3083 en van 21 juni 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1657).

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is niet-ontvankelijk voor zover gericht tegen de buitenbehandelingstelling van de asielaanvraag van eiser. Voor zover het beroep is gericht tegen het terugkeerbesluit en inreisverbod, is het gegrond. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit voor zover het ziet op het terugkeerbesluit en het inreisverbod.
8. De rechtbank ziet vanwege de gegrondverklaring van het beroep aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.814,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep, voor zover gericht tegen de buitenbehandelingstelling van de asielaanvraag van eiser, niet-ontvankelijk;
  • verklaart het beroep, voor zover gericht tegen het terugkeerbesluit en inreisverbod, gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit van 28 juli 2025 voor zover het betrekking heeft op het terugkeerbesluit en het inreisverbod. Voor het overige blijft het besluit in stand;
  • veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.C. Harting, rechter, in aanwezigheid van mr. M.M. Mercelina, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.