ECLI:NL:RVS:2021:89
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Sevenster
- A.J.C. de Moor-van Vugt
- H.J.M. Baldinger
- Rechtspraak.nl
Bevestiging inreisverbod na overschrijding vrije termijn verblijf Schengengebied
De vreemdeling met de Braziliaanse nationaliteit heeft haar toegestane verblijfsduur van 90 dagen binnen 180 dagen in het Schengengebied met 166 dagen overschreden. De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid vaardigde op 5 maart 2019 een terugkeerbesluit en een inreisverbod van twee jaar uit, waarbij het inreisverbod na vertrek uit de EU werd vastgesteld.
De vreemdeling stelde dat het inreisverbod gelijktijdig met het terugkeerbesluit had moeten worden uitgevaardigd en dat de Terugkeerrichtlijn niet toestaat dat het inreisverbod na vertrek wordt opgelegd. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelt dat de richtlijn niet vereist dat het inreisverbod gelijktijdig met het terugkeerbesluit wordt uitgevaardigd en dat het inreisverbod rechtsgeldig kan worden opgelegd na het verlaten van het EU-grondgebied, mits het terugkeerbesluit tijdens het verblijf is genomen.
De Afdeling bevestigt dat de 'in absentia'-procedure, waarbij het inreisverbod na vertrek wordt uitgevaardigd, niet in strijd is met de Terugkeerrichtlijn en dat de procedurele rechten van de vreemdeling adequaat zijn gewaarborgd. Tevens wordt geoordeeld dat de ingangsdatum van het inreisverbod moet zijn de dag van daadwerkelijke uitreis, en niet de datum van uitvaardiging van het besluit.
Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het inreisverbod van twee jaar wordt bevestigd.